Lockheed-affaire

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Prins Bernhard keert terug van vakantie in verband met bekendmaking van premier Den Uyl.

De Lockheed-affaire ontstond in 1976. Prins Bernhard zou in voorgaande jaren 1,1 miljoen dollar aan steekpenningen hebben ontvangen van de Amerikaanse vliegtuigbouwer Lockheed.

In de jaren van de Lockheed-kwestie hield het kabinet-Den Uyl zich bezig met een grote luchtmachtorder, de vervanging van alle Nederlandse Lockheed F-104 Starfighters. Defensie-minister ir. Henk Vredeling besloot uiteindelijk dat de opvolger van deze straaljager de F-16 zou worden, van de concurrerende vliegtuigbouwer General Dynamics.

Onderzoek[bewerken]

De affaire kwam aan het licht door hoorzittingen in de Amerikaanse Senaat, die onderzoek deed naar smeergeldaffaires waarbij de vliegtuigbouwer betrokken was. Tijdens die verhoren kwam opeens een "very high Dutch official" naar voren, die — naar men later begon te vermoeden — prins Bernhard zou zijn. Het kabinet-Den Uyl besloot op grond van de ernstige geruchten een commissie van wijze mannen in te stellen. Voorzitter van de Commissie van Drie werd mr. A.M Donner (rechter bij het Europees hof voor Justitie). De overige leden waren: dr. M. Holtrop (voormalig directeur van De Nederlandsche Bank) en de voorzitter van de Algemene Rekenkamer, drs. H. Peschar.

De Commissie van Drie heeft vastgesteld dat om en nabij 1959 binnen de top van Lockheed de gedachte ontstond prins Bernhard een JetStar-vliegtuig van eigen makelij aan te bieden. Dit enerzijds om het klimaat in Nederland ten opzichte van Lockheed te verbeteren, anderzijds omdat men ervan uitging dat het feit dat een Nederlandse prins zou rondvliegen in een Lockheedtoestel gunstige effecten zou hebben op de verkoop. Uiteindelijk zag men daarvan af en besloot men prins Bernhard een som van 1 miljoen dollar aan te bieden. In 1968 deed zich iets soortgelijks voor waarbij besloten werd 100.000 dollar uit te trekken voor de prins. De Commissie vond twee brieven van Prins Bernhard uit 1974, waarin hij aandrong op spoedige betaling van aan hem verschuldigde bedragen omdat hij zich in de afgelopen tijd "with a lot of pushing and pulling" ten gunste van Lockheed had ingezet. Prins Bernhard heeft niet ontkend dat hij die brieven geschreven had, maar steeds volgehouden dat hij ervan uitging dat de betalingen ten goede zouden komen aan het Wereld Natuur Fonds.

De Commissie vond geen onomstotelijk bewijs dat de genoemde 1,1 miljoen dollar daadwerkelijk bij prins Bernhard terechtgekomen was. Wel werden allerlei bedragen gevonden die in handen zouden zijn gekomen van een verder niet te traceren figuur onder de naam Victor Baarn en van A. E. Pantchoulidzew, de langdurige levensgezel van de moeder van prins Bernhard. Het oordeel van de Commissie van Drie was desalniettemin hard: …dat Zijne Koninklijke Hoogheid zich aanvankelijk veel te lichtvaardig (had) begeven in transacties, die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten en dat hij zich toegankelijk had getoond voor onoorbare aanbiedingen en hij had zich laten verleiden tot het nemen van initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren en die hemzelf en het Nederlandse aanschafbeleid bij Lockheed (…) en niet alleen bij Lockheed, in een bedenkelijk daglicht moesten stellen.

Constitutionele crisis[bewerken]

Deze bevindingen dreigden te leiden tot een constitutionele crisis. Het staat haast wel vast dat Koningin Juliana gedreigd heeft met aftreden indien de prins strafrechtelijk vervolgd zou zijn; op opvolging door dochter en troonopvolgster Beatrix behoefde men op dat moment evenmin te rekenen. Het Kabinet-Den Uyl besloot daarop Bernhard te vrijwaren van strafvervolging. Wel moest hij erkennen dat hij fouten had gemaakt, zijn functies in het bedrijfsleven en die van inspecteur-generaal der Krijgsmacht neerleggen en werd hem verboden ooit nog in het openbaar in uniform te verschijnen.[1]

Op Prinsjesdag 1976 verscheen prins Bernhard voor het eerst niet in uniform. Echter, een paar jaar later gaf premier Van Agt de prins al incidenteel (ter gelegenheid van de begrafenis van Lord Mountbatten van Birma) toestemming het uniform weer te dragen en in 1991 liet premier Lubbers de prins bij diens 80e verjaardag weten dat de regering het op prijs zou stellen als hij bij voorkomende gelegenheden het uniform weer zou willen dragen.[2] De prins maakte nauwelijks gebruik van dit gebaar, wel verkoos hij in uniform te worden begraven.

Publicaties na overlijden[bewerken]

Na de dood van prins Bernhard in december 2004 verscheen een reportage in de Groene Amsterdammer, waarin bekend werd dat de prins in een serie interviews met de in 2002 overleden journalist Martin van Amerongen had toegegeven 1,1 miljoen dollar te hebben ontvangen. Het overgrote deel van het geld zou direct weggegeven zijn aan goede doelen. Martin van Amerongen en prins Bernhard waren overeengekomen dat de reportage pas na de dood van prins Bernhard zou worden gepubliceerd.

Het recente proefschrift van Anet Bleich, een biografische studie over het leven van de PvdA-politicus J.M. den Uyl uit 2008, bevestigt eerdere berichten dat prins Bernhard zich naast de Lockheed-kwestie tevens gevoelig had getoond voor gunsten en giften van nóg een vliegtuigfabrikant, Northrop. Over dit tweede smeergeldschandaal werd in 2005 gepubliceerd in Vrij Nederland, dat de hand had weten te leggen op een geheime bijlage bij het rapport van de Commissie van Drie. Al eerder, in 1977, had dagblad Het Vrije Volk bericht over de tweede, Northrop-smeergeldkwestie - op basis van slechts het mogen ínzien van het geheime stuk. Vermoedelijk is de bewuste bijlage indertijd door oud-premier Den Uyl geheimgehouden om een monarchale crisis te voorkomen.

Bronnen, noten en/of referenties