Lodewijk Meyer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Lodewijk Meyer, soms ook Meijer (Amsterdam, (gedoopt) 18 oktober 1629 - aldaar, (begraven) 25 november 1681) was een arts, latinist, vertaler, lexicograaf, toneelschrijver, een radicaal Verlichter en prominent lid van de kring rond de filosoof Benedictus de Spinoza. Hij publiceerde een anoniem werk dat aanvankelijk werd toegeschreven aan Spinoza en grote opschudding veroorzaakte onder predikanten en theologen, betogend dat de Bijbel op veel plekken "duister en twijfelachtig" was en filosofie het enige criterium voor interpretatie van lastige passages. Pas na de dood van Meyer maakten zijn vrienden bekend dat hij de auteur was.

Biografie[bewerken]

De Bierkaay op de O.Z. Voorburgwal

Lodewijk Meyer was afkomstig uit de welgestelde burgerij en woonde op de Bierkaay. Na de Latijnse school doorliep hij het Amsterdamse Athenaeum Illustre. In de jaren 1654-1660 studeerde hij aan de universiteit van Leiden, waar hij zowel in de wijsbegeerte als in de geneeskunde promoveerde.[1]

Meyer was aanvankelijk een aanhanger van de filosofie van Descartes en verkeerde in de kringen van de Collegianten, Adriaen Koerbagh en Franciscus van den Enden en de Duitse wetenschapper Henry Oldenburg. In 1666 verscheen van zijn hand anoniem het werk Filosofie de uitlegger van de H. Schrift waarin "natuurlijke kennis" die wordt verworven door middel van wijsgerig onderzoek boven "openbaringskennis" van de bijbel wordt gesteld. Het boek en de door Meyer zelf verzorgde Latijnse vertaling werd in religieus en intellectueel Europa het onderwerp van verhitte discussies. Op aandrang van de kerk en universiteiten werd de uitgave in 1674 tegelijk met het werk van Spinoza en de Leviathan van Thomas Hobbes, een werk dat al eerder, in 1667 in Amsterdam was gepubliceerd, door het Hof van Holland verboden.[2] Steno, inmiddels overgegaan tot het katholicisme, verbaasde zich niet over de onder de protestanten ontstane verwarring en Leibniz stond er in 1676, bij zijn bezoek aan Amsterdam, op om kennis te maken met Lodewijk Meyer.[3]

Meyer en het toneel[bewerken]

In 1658 bewerkte Meyer Corneille's Le menteur tot De looghenaar. Van 1665 tot 1669 was hij directeur van de Schouwburg van Van Campen op de Keizersgracht. In 1667 zou zijn Ghulde Vlies zijn opgevoerd, met Cosimo III de' Medici in de zaal, die de schouwburg, verbouwd in Italiaanse stijl, wel wilde zien.[4] Nadat Meyer uit de schouwburgdirectie was gegooid, stichtte hij in 1669 samen met Andries Pels een literair gezelschap Nil Volentibus Arduum (Niets is moeilijk voor hen die willen). Dit gezelschap bracht een aantal werken van P.C. Hooft opnieuw op de planken, in plaats van het "ongeregelde" Spaanse repertoire. Ook werd er een "moderne" uitvoering van de Gijsbrecht van Amstel gebracht; alle gebeden en langdradige passages werden uit de tekst geschrapt.[5]

Het genootschap trachtte in Holland de taak te vervullen en de invloed te krijgen, die de Académie Française in Frankrijk bezat. Men streefde er naar verheffing en zuivering van taal en kunst aan de hand van vaste regels over grammatica, dichtkunst en toneelwerken.[6] Nadat het gebouw vijf jaar lang, sinds het Rampjaar, gesloten was geweest, huurde Meyer de schouwburg in 1677 af en werd hij een van de directeuren. Meyer werkte samen met Joan Pluimer en Johannes Bouwmeester. Toen een schandaal de heren na drie jaar de das omdeed, aangezwengeld door Hermanus Amya werd hij opgevolgd door Govert Bidloo.[7] Bidloo kreeg de opdracht een opera te schrijven om nieuw publiek te trekken.

Referenties[bewerken]

  • Wim Klever, Mannen rondom Spinoza, Hfdst 4, Lodewijk Meyer over wetenschappeljke hermeneutiek, 1997, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1997, ISBN 90-6550-563-6

Externe link[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. http://www.dbnl.org/tekst/anro001bioe01_01/meij001.htm
  2. Uit: 'Ondervuur' door L. Kooymans in DBNL
  3. Israel, J.I., (2001) Radicale Verlichting, p. 219-230.
  4. Meestal wordt beweerd dat het de Medea was van de hand van Jan Vos
  5. Albach, B. (1977) Langs kermissen en hoven, ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17de eeuw, p. 121.
  6. Knuvelder (1968) Beknopt handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde, p. 338.
  7. Albach, B. (1977) Langs kermissen en hoven, ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17de eeuw, p. 124.