Lof der zotheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hans Holbein de Jonge: tekening in de marge van een vroege druk (Bazel 1515) van Erasmus' Lof der Zotheid

De Lof der zotheid (Moriae encomium, sive Stultitiae laus) is het bekendste werk van de Nederlandse humanist Desiderius Erasmus. Het is een satire die in 1511 werd gepubliceerd. De titel bevat een dubbelzinnigheid. Enerzijds kan men het interpreteren als Loflied op de Zotheid, waarbij Zotheid dus, passief, datgene is dat geprezen wordt; anderzijds als de Lof van de Zotheid waarbij de Zotheid, actief, op ironische wijze prijst wat in de maatschappij der mensen zot is.

Erasmus schreef het werk in het Latijn in 1509, nadat hij was teruggekeerd van een reis naar Italië en in Engeland, in de week dat hij bij zijn vriend Thomas More verbleef. Hij liet het in 1511 in Parijs publiceren. Een exemplaar van een in Basel gedrukt boek werd geïllustreerd met pen- en inkttekeningen van Hans Holbein de Jonge. In 1676 werden naar deze tekeningen gravures gemaakt voor een Berlijnse uitgever.

Bij monde van de Zotheid (Stultitia), die samen met haar vijf dochters over de wereld heerst, worden allerlei menselijke dwaasheden aan de kaak gesteld. Behalve kerkelijke autoriteiten worden ook kooplieden, vorsten en wetenschappers bekritiseerd.

Het wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke werken van de westerse beschaving en ook als een boek dat de weg vrijmaakte voor de reformatie.[bron?]

Erasmus was bevriend met Thomas More en deelde diens gevoel voor humor en intellectuele interesses. Erasmus droeg de Lof der Zotheid ook op aan deze Engelse humanist wiens Utopia enkele jaren later tot stand kwam. De Griekse titel Morias enkomion kan ook gelezen worden als Lof voor More, en zulke twee- en drievoudige betekenissen vindt men de hele tekst door.

Bespreking[bewerken]

Inleiding[bewerken]

De inleiding van het werk bevat verschillende gegevens die meteen de toon van de rest van het werk zetten. Allereerst is er de begroeting aan Thomas More, de persoon aan wie het boek geschreven is. Thomas More was een Engelse humanist die een paar jaar later “Utopia” zou schrijven, over een perfecte maatschappij met een feilloos besturingssysteem. Erasmus vertelt zijn vriend dat hij dit werkje heeft geschreven als amusement, en hij draagt het op aan More. Hierbij speelt Erasmus met woorden: More is Morus in het Latijn, en dit gelijkt zeer op Moria in het Grieks, wat Zotheid betekent. Na de begroeting spreekt hij voor al diegenen die zijn werk zullen bekritiseren, en zegt hen dat ze zich niet zo moeten opwinden. Ten eerste, zo zegt Erasmus, is hij niet de eerste die een lofrede schrijft. Ten tweede vraagt Erasmus zich af waarom geleerden zich niet mogen amuseren, en de rest van de bevolking wel.

Ten derde zegt hij dat begaafde schrijvers altijd de vrijheid is gegeven om ongestraft de maatschappij te bekritiseren, zolang die vrijheid niet ontaardde in kwaadaardigheid. Deze vrijheid is nu echter weggenomen zegt hij, waardoor het dus gerechtvaardigd is dat hij onder andere de religie kritiseert.

Ten vierde vraagt Erasmus zich af of men bij een beoordeling van een persoon, zonder diens naam te noemen, nog kwetst of dat men eigenlijk gewoon vermaant. In diezelfde context zegt hij ook dat wanneer men niemand ontziet (dus wanneer men iedereen beoordeelt), men niemand viseert en niemand zich aangesproken kan voelen.

Na de inleiding begint Erasmus met de Lof der Zotheid. Hiervoor kruipt hij zelf in de huid van de Zotheid.

Hoofdstuk 23: Door de zotheid komen oorlogen[bewerken]

In dit hoofdstuk zegt Erasmus dat de bron van alle oorlog de zotheid is. Citaat:

"Wat is er zotter dan om welke redenen ook een strijd aan te gaan van dien aard dat beide partijen er meer nadeel dan voordeel van ondervinden?"[bron?]

Hoofdstuk 53: Spitsvondige Theologen[bewerken]

Voor Erasmus dit hoofdstuk aanvangt vertelt hij eerst nog dat hij misschien beter aan dit hoofdstuk zwijgend voorbij zou moeten gaan om geen slapende honden wakker te maken. Hij slaat zijn eigen waarschuwing echter in de wind, en schrijft het hoofdstuk toch. Dat dit hoofdstuk een van de belangrijkste is in het boek is af te leiden uit de omvang (Hoofdstuk 53 is het grootste in heel het werk).

Het hoofdstuk haalt scherp uit naar de theologen, die volgens Erasmus de inquisitie gebruiken naar hun goeddunken. Daarna klaagt hij de verschillende antwoorden van de theologen aan, die volgens hem kant noch wal raken.

"Ze zijn omringd door een zo grote schare professorale definities, conclusies, consequenties, uitdrukkelijke en stilzwijgende stellingen, beschikken over zo’n massa uitwijkmogelijkheden dat, ook al zouden ze nog zo in Vulcanus’ netten verstrikt raken, ze toch zouden ontkomen door hun fijne nuances waarmee ze alle knopen zo gemakkelijk doorhakken, dat de scherpe bijl van Tenes het niet kan verbeteren; zozeer wemelen ze van pas bedachte woordjes en wonderbaarlijke uitdrukkingen."[bron?]

Daarop volgt zijn beklag over hoe theologen zich druk maken over irrelevante vraakstukken in de theologie, zoals de wijze waarop Christus ontvangen is. Deze zijn volledig vervreemd van het alledaagse leven en de gewone mens.

Ook zet Erasmus een kritiek uiteen op de paradoxale beginselen van de theologen, voornamelijk met betrekking tot de hoofdzonden en de opgestelde regels van de kerk. Onder andere de verboden arbeid op zondag en het liegen zijn een paar van de punten waar hij het moeilijk mee heeft, vooral omdat daartegenover volksmoorden of dergelijke worden goedgepraat, zolang zij maar te verantwoorden zijn volgens het christelijk geloof. Vele van de christelijke gebruiken, onder andere het dopen, de verering van de kruisweg, de verschillende soorten genade, werk of liefde en de interpretatie van de zonden, worden door de theologen wel hooggeacht, maar volgens Erasmus zouden de apostelen het nooit zo gedaan of gewild hebben.

Hierna klaagt Erasmus de Kruistochten aan, die namelijk nog geen enkel resultaat hebben opgeleverd. Hij merkt hier wel op dat moest de kerk al deze spitsvondige geleerden inzetten in de oorlog, er een "alleraardigste strijd" (om niet te moeten zeggen komisch) zou ontstaan met een "nog niet eerder geziene overwinning".

Dan volgt het stuk waar men in de reformatie op teruggreep: Erasmus stelt dat deze theologen misschien beter eens terug de bijbel zouden moeten vastpakken "al is het maar één keer" in plaats van hun eigen foute interpretaties te verkondigen in scholen en gemeenschappen. De meest vrome katholieke personen (Petrus, Paulus, …) zouden zogenaamd geen christen zijn zonder de goedkeuring van de theologen met hun "verfijnd oordeel".

Hij sluit zijn hoofdstuk af met de conclusie dat deze personen, die zichzelf te goed achten voor de grammatica, welsprekendheid en wensen aangeduid te worden als "ONZE LEERMEESTER" in hoofdletters, personen zijn waarvan het aanzien niets waard is.

Hoofdstuk 54: Holle hoofden onder de monnikskap[bewerken]

Hierin beschrijft Erasmus de wantoestanden bij de monniken. Vooral de vele voorschriften waaraan de monniken gebonden zijn, en de manier waarop deze lieden die voorschriften verbuigen zit Erasmus hoog. Bijvoorbeeld: Spottend geeft hij een antwoord op wat de monniken Christus allemaal zouden tonen wanneer Christus vraagt naar de invulling van zijn gebod, namelijk de naastenliefde.

"De volgende zal er zich op beroemen dat hij zestig jaar lang nooit geld heeft aangeraakt – tenzij zijn vingers beschermd waren door twee paar handschoenen."[bron?]

Voor Erasmus is het duidelijk dat de monniken, strevend naar de naastenliefde, verre van vrome mensen zijn.

Hoofdstuk 57: De inhalige bisschoppen[bewerken]

Erasmus bekritiseert de levenswijze van de bisschoppen. Hij zegt dat dit, uitgebeeld door hun kleding, in schril contrast staat tot hetgeen zij zouden moeten voorstellen (bijvoorbeeld de dubbele mijter met dezelfde knoop die de kennis van het Oude en het Nieuwe Testament voorstelt). Zij vergeten namelijk hun plichten, of dragen deze over aan Christus of Petrus, die toch niets te doen hebben.

Hoofdstuk 58: Ware opvolgers der apostelen[bewerken]

Dit hoofdstuk is vrij identiek aan het vorige, maar dan betreffende de kardinalen. Aangezien zij de opvolgers van de apostelen zijn, zouden zij een sober leven in het teken van het verkondigen van het geloof moeten leiden. Dit is duidelijk niet het geval.

Hoofdstuk 59: Christus’ waardige plaatsbekleder?[bewerken]

In dit hoofdstuk worden ten slotte ook de pausen aangeklaagd. Erasmus stelt dat de pausen alleen de voordelige zaken van hun functie uitvoeren (excommuniceren). En de andere kantjes bewust vergeten (armoede, …). En ook zij veronderstellen dat Christus of Petrus hun taak wel zullen uitvoeren.

Erasmuscollectie[bewerken]

Bibliotheek Rotterdam is de eigenaar van één van de grootste Erasmuscollecties ter wereld: een collectie met vooral veel boeken uit de zestiende en zeventiende eeuw. Er zijn veel bijzondere edities van zijn boek ‘Lof der Zotheid’ te bekijken. Een aantal van de unieke documenten is hier gedigitaliseerd te zien. Veel gescande afbeeldingen uit bijzondere edities zijn te downloaden of als print te bestellen.

Literatuur[bewerken]

De Lof der Zotheid werd in 1560 voor het eerst in het Nederlands gepubliceerd. Deze eerste vertaling was van de hand van Johan Geillyaert en verscheen in Emden. Hierna verschenen talrijke vertalingen: van Jacob Westerbaen (1659), Frans van Hoogstraten (1676), P.G. Witsen Geysbeek (1828), J.B. Kan (1900) , A.J. Hiensch (1936 en 1969) en door A. Dirkzwager Czn en A.C. Nielson (1969). De meest recente Nederlandse vertalingen zijn die van Johanna Maria Vermeer-Pardoen (1992), van Petronella Bange (2000) en van Harm-Jan van Dam (2001 en 2010).

  • Desiderius Erasmus, Lof der Zotheid of De Dwaasheid gekroond. Een pronkrede Vertaling, nawoord en noten: Harm-Jan van Dam. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2001, 174 pag.
  • Desiderius Erasmus Johanna ter Steege Leest: Lof der Zotheid (gesproken boek), Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, opgenomen in studio Grasland, Haarlem (2001) ISBN 978-90-253-1172-8
  • Desiderius Erasmus, De lof der Zotheid, Vertaling, woord vooraf en noten: drs. A.J. Hiensch. Uitg. Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1969, 187 pp.

Externe links[bewerken]