Lombok-expeditie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Lombok-expeditie
Verovering van Tjakra-Negara
Verovering van Tjakra-Negara
Datum 1894
Locatie Lombok
Resultaat Overwinning van Nederland
Casus belli Opstanden tegen het Nederlandse gouvernement en strijd tussen de Balinezen en Sasaks
Strijdende partijen
Flag of the Netherlands.svg Nederland Lombok
Commandanten
Flag of the Netherlands.svg (Nederland) generaal-majoor J.A. Vetter. Sultan van Bali
Portaal  Portaalicoon   KNIL

De Lombok-expeditie, ook wel het verraad van Lombok genoemd, was de benaming voor de gebeurtenissen die plaatsvonden in de tweede helft van 1894 te Lombok.

Lombok-expeditie[bewerken]

Lombok maakt deel uit van de Kleine Soenda-eilanden; een klein deel van de bevolking bestond in 1894 uit Baliërs (die Balinees (taal) spraken en Hindoe waren, een veel groter deel was Sasak die vooral Moslim waren en de Bali-Sasaktalen spraken. De totale bevolking werd geschat op ongeveer 660.000 mensen, waarvan slechts 50.000 tot de Balinezen behoorden, die echter de Sasaks overheersten. De zetel van de regering bevond zich te Mataram, ongeveer 45 minuten gaans van Ampenan, dat aan de zuidkust gelegen was en waardoor het middels een brede weg verbonden was. Tjakra Negara was de hoofdresidentie en evenals Mataram door hoge muren omgeven.

Aanloop tot de expeditie[bewerken]

Op 7 juni 1843 was er een contract gesloten tussen Gustie Ngoerah Ketoet Karang Assam, alleenheerser over Lombok in die tijd, en het Nederlands Indisch gouvernement, waardoor Lombok deel ging uitmaken van het rijk van het gouvernement. In de jaren daarna vonden diverse diplomatieke schermutselingen plaats; onder meer de behandeling van de Sasaks door de Balinezen was de toenmalige regering een doorn in het oog. In 1891 kwamen de Sasaks in opstand, maar niet in staat deze te winnen vroegen enige hoofden per brief om de steun van het Nederlands Indische gouvernement. Die stuurde een oorlogsstomer, de Java en vroeg controleur Liefrinck de radja om opheldering waarom geen melding was gemaakt van de opstand der Sasaks. Deze gaf daarop geen bevredigend antwoord en nam een aanmatigende houding aan, waarop het Nederlands Indisch gouvernement de rijksgroten een memorie aanbood met negen punten, inhoudend de grieven die men koesterde. Zo stonden de zaken toen gouverneur-generaal Van der Wijck aantrad.

De eerste expeditie[bewerken]

Generaal Vetter en de Generale Staf te Lombok. Onder van links naar rechts: kroonprins Ketoet, generaal Van Ham, Vetter, Dannenborg en Goesti Djelantik; staand van links naar rechts: H.P. Willemstijn, A.J. Hamerster, ambtenaar Liefrinck, Boerema en H. Kotting.
Overzichtskaart van de Lombok Expeditie met de plaatsen Ampenan Mataram en Tjakra Negara

Toen, op 20 februari 1894, nogmaals een brief door Sasakse hoofden naar het Indische gouvernement werd gestuurd met als een der grieven dat er hongersnood heerste onder de Sassaks en controleur Liefrinck deze toestand bevestigde, werd er een brief gezonden (27 mei 1894) aan het vorstenbestuur met de opdracht om een einde aan deze situatie te maken en werd er een ultimatum gesteld. Bij niet-inwilliging van de eisen zou "het Nederlands Indische gouvernement de kracht van de wapenen doen gelden." Het ultimatum van drie dagen verstreek ongebruikt en toen werd de opdracht tot het uitzenden van een expeditionaire macht uitgevaardigd; deze macht vertrok in gedeelten, op 29 en dertig juni, van Batavia. Voor de kust van Lombok gekomen werd weer een ultimatum gesteld, namelijk dat de oude vorst Ratoe Agoeng Agoeng Gedé Ngoerah Karang-Asem diende af te treden ten gunste van de wettige troonopvolger Ratoe Agoeng Agoeng Ketoet Karang-Asem en men zich bereid verklaarde een nieuw politiek contract te tekenen om de zaken verder te regelen. Ook de tijd voor dit ultimatum verstreek ongebruikt.

De troepen debarkeerden nu. Een deel trok naar Mataram en Tandjong-Karang; het grootste gedeelte van het leger bleef te Ampenan. De dagen daarop volgend werden enkele verkenningen gedaan onder leiding van generaal P.P.H. van Ham maar er werd geen vijand gezien. Op 10 juli kreeg opperbevelhebber J.A. Vetter een schrijven van het vorstenbestuur dat de radja van Lombok met alle eisen van het Indische gouvernement akkoord ging, alleen niet met de uitlevering van Anak-Agoeng Madeh; Vetter antwoordde hierop dat de radja zich onder de bescherming van de troepen kon stellen, die de volgende dag tegen Mataram en Tjakra Negara zouden oprukken. Hij gaf de radja tevens in overweging vrouwen en kinderen de kampongs te doen verlaten. De volgende dag vernam men dat Anak-Agoeng Madeh zelfmoord zou hebben gepleegd maar dit maakte geen verschil meer voor het uitrukken der troepen. Mataram en Tjakra-Negara werden zonder slag of stoot genomen, de resterende troepen keerden naar Ampenan terug. Per proclamatie werd de bevolking aangespoord alle vijandelijkheden te staken. De kroonprins, Anak Agoeng Ketoet, was op 16 juli ’s avonds te Mataram en bracht al de volgende morgen een bezoek bij de opperbevelhebber. Nog dezelfde dag werd dat bezoek gereciproceerd en de opperbevelhebber met veel staatsie en ceremonieel afgehaald en ontvangen. Op 17 juli had de conferentie plaats, waarbij de kroonprins de grieven en eisen van de Nederlands Indische Regering werden voorgehouden. De kroonprins betuigde zijn vriendschap voor het Nederlands bestuur, erkende alle grieven en beloofde de gestelde voorwaarden stipt te zullen nakomen.

Het verraad[bewerken]

Eerste aanval in het bivak[bewerken]

Terugtocht van generaal Vetter te Tjakra Negara

Het land leek nu rustig. De opperbevelhebber gaf het bevel om de vestingartillerie met een groot deel van de munitie en 500 dwangarbeiders naar Java terug te sturen, terwijl de schijnbaar uiterst bevredigende loop van de expeditie aanleiding gaf om bij de regering het voorstel in te dienen generaal Van Ham met een deel van de troepen op 22 augustus eveneens te doen terugkeren. Ook Goesti Djelantik, een informant op wiens uitlatingen Vetter en zijn legerleiding zich verlieten, verzekerde dat alles rustig was. Een schrijven aan de kroonprins werd niet beantwoord en Vetter besloot dat antwoord tot de volgende dag in Tjakra-Negara af te wachten.

De 25ste augustus ontving de generale staf in de vooravond het bericht dat de Balinezen het bivak zouden overvallen. De staf verliet onmiddellijk zijn kwartier en begaf zich naar het bivak van het zesde bataljon. Een compagnie van het zevende begaf zich van Mataram naar Tjakra Negara. Het geheel open en niet versterkte bivak werd om half 12 hevig beschoten door repeteervuur. In de Poeri van de vorst en in alle muren die men langs de wegen vond waren honderden geweerschietgaten gemaakt, van waaruit de Balinezen goed gedekt hun vuur afgaven.

Een hagelbui van kogels kwam van alle kanten op de ongedekte soldaten neer. Dit vuur werd door de Nederlandse infanterie en artillerie krachtig beantwoord, maar dat haalde niet veel uit tegen de verdekt opgesteld staande vijand. De Nederlandse officieren en manschappen vielen bij tientallen dood of gewond ter aarde. Generaal Van Ham kreeg een schot door de buik, kapitein Manders deelde ditzelfde lot, kapitein Fuhrhop werd de duim afgeschoten, luitenant Janssens liep zware beenwonden op en luitenant Hardie een schot door de arm. In totaal waren van de 250 man 16 gesneuveld en 82 gewond.

Terugtrekking op Mataram[bewerken]

Colonne Segov in Tjakra Negara.

De volgende morgen probeerde de commandant der troepen te Mataram, die het ontzettende vuur gedurende de gehele nacht had gehoord, om een compagnie naar Tjakra Negara te zenden en daar hulp te bieden. Nauwelijks was de compagnie Jonker op de grote weg gedeboucheerd of zij werd plotseling onder vuur genomen, zodat van oprukken naar Tjakra Negara geen sprake kon zijn. Tegelijkertijd werd het geheel open bivak te Mataram, dat aan twee zijden ingesloten lag door de muren en het geboomte te Mataram en Tjakra Negara, aan alle kanten beschoten, zodat ook hier een slachting onder de manschappen werd aangericht. Hierop werd door de officieren besloten het bivak prijs te geven.

Aldus door de vijand uit het bivak geslagen begaf men zich zo snel mogelijk naar een 200 meter zuidwaarts gelegen dewatempel, een door stenen muren omgeven ruimte, waarin dekking werd gevonden tegen het ontzettende vuur. Van meevoeren der gewonden kon slechts gedeeltelijk sprake zijn. Intussen besloot men te Tjakra Negara dat beide generaals met de troepen naar Mataram zouden terugtrekken. De veldartillerie ging voorop maar door het geweldige vuur sloegen de paarden op hol en werden de bedieningsmanschappen door kogels getroffen. Twee compagnieën infanterie bereikten, met ontzettend grote verliezen aan doden en gewonden, Mataram en sloten zich bij het zevende bataljon aan. Luitenant Pourchez wist de getroffen en dientengevolge stervende generaal Van Ham nog te Mataram te voeren, waar deze spoedig overleed. Bij deze tocht sneuvelden verder de luitenants H. Kotting en P.A. Alting von Geusau en van de 53 man sterke sectie, waarmee men vertrok, bereikten slechts acht man uiteindelijk een dewatempel. Vanuit Mataram deed men een uitval, maar ook hier moest men terugtrekken met zware verliezen. In de algehele verwarring sneuvelden de officieren en minderen bij tientallen.

Colonne van Lawick van Pabst en Bijlevelt[bewerken]

Negende bataljon onder Van Lawick van Pabst.

De colonnes Van Lawick van Pabst en Van Bijlevelt, beide sterk twee compagnieën infanterie, een sectie bergartillerie en een sectie genietroepen, bevonden zich op 5 tot 6 uur van Tjakra Negara, waar zij van generaal Vetter last ontvingen naar hun bivaks terug te keren. Vetter had dit bericht verzonden toen er nog niets gebeurd was en later door hem verzonden berichten bereikten de colonnes niet. De colonne Bijlevelt bereikte op de 26ste een Mesigit, waaruit zij plotseling beschoten werd. Kapitein Creutz Lechleitner nam het commando op zich van een peloton dat de Mesigit onder leiding van luitenant Van Kappen aanviel. Hierbij sneuvelde luitenant L.G. Musquetier. Vervolgens werd de rivier de Barat overgetrokken en tegen Tjakra Negara opgerukt, waar men dacht de overige Nederlandse troepen te vinden. Hier verkreeg men een overstelpend vuur van de vijand maar bereikte men desondanks na twee uur het bivak te Mataram. De volgende dag rukte men, onder commando van majoor der artillerie M.B. Rost van Tonningen, tegen Ampenan op, wat men uiteindelijk veilig bereikte.

De colonne van luitenant kolonel Van Lawick van Papst trok op 27 augustus naar Tjakra-Negara maar liep daar in een hinderlaag; Van Lawick van Pabst en tientallen minderen werden gedood. Het restant van de troep werd belegerd door de vijand; bij een poging tot uitbraak sneuvelde de eerste luitenant der infanterie E. de Graaff. Kapitein Lindgreen was gedwongen te capituleren en zond een brief naar de kroonprins dat in ruil voor een vrijgeleide alle wapens zouden worden ingeleverd. De kroonprins meldde dat de aanval op een misverstand berustte en liet uiteindelijk de krijgsgevangenen vrij.

De tweede expeditie[bewerken]

De verovering van Tjakra Negara, 1894

Nadat generaal Vetter per telegram om hulp had gevraagd werd in opdracht van gouverneur generaal van der Wijck een aanvullende macht gestuurd met generaal-majoor M. Segov als vervanger van generaal Van Ham. Begin september 1894 hervatte deze macht de operaties met verkenningen, het oprichten van posten en het nemen van de Balische stellingen. Hierna richtte men een nieuwe versterking op van waaruit Mataram en Tjakra Negara onder vuur konden worden genomen. Op 29 september werd Mataram aangevallen en veroverd, waarbij 3 officieren en 25 minderen sneuvelden.

Er volgden hierna nog diverse schermutselingen en op 17 november werden aanvullingstroepen naar Lombok gezonden om Tjakra Negara te veroveren. Generaal Segov viel Tjakra Negara vanuit het noorden aan, terwijl kolonel L. Swart met overste A.H.W. Scheuer de aanval op het centrum hadden gericht (ieder met een bataljon). Het vijfde bataljon bezette intussen de posten.[1] Na de volledige verovering van de vorstelijke poeri kwamen Goesti Madé Getas van Narmada te Tjakra Negara om zich te onderwerpen. Kapitein W.N. Scheib, tweede luitenant J.W. Schiff, kapitein D.M. Slangen en tweede luitenant H.A.C. van der Heijden (zoon van generaal van der Heijden) werden tijdens deze acties dodelijk verwond.

De val van Tjakra-Negara[bewerken]

Balinese mannen en vrouwen verdedigden deze vesting en liever dan in Nederlandse handen te vallen pleegden zij zelfmoord. Met de val was het eigenlijke verzet gebroken. Vorst, zoon en kleinzoon werden gevangengenomen, het restant van de koninklijke familie deed een uitval en wierpen zich op de Hollandse troepen ("Perang Poepoetan" genoemd ofwel de hoofden, in het wit gekleed, stormden op de vijand in, vaak na vooraf vrouwen en kinderen te hebben gedood; deze rituele zelfdoding maakte deel uit van de Hindoeïstische traditie). De vorst werd afgevoerd naar Batavia en overleed daar aan een hartaanval. Op 24 november kwamen de belangrijkste hoofden in onderwerping en werden er nog aanvullende verkenningen gedaan maar overal was het nu rustig. Per gouvernementsbesluit van 24 december 1894 nr. 12 werd de expeditie ontbonden en verlieten alle troepen, die niet voor de voorlopige bezetting nodig waren, Lombok.

Twaalf Nederlanders ontvingen na de pacificatie het ridderkruis van de Militaire Willems-Orde en generaal-majoor J.A. Vetter werd benoemd tot commandeur in deze orde. Er werd ook een Lombokkruis ingesteld voor iedereen die had deelgenomen aan de expeditie. In 1910 werd als eerbetoon aan de gevallen militairen de "Lombok-expeditie-marsch" gecomponeerd door ritmeester Hendrik Karels, kapelmeester van het eerste regiment huzaren.

Deelnemende officieren[bewerken]

Deelnemende officieren aan de Lombok-expeditie van de landmacht waren onder meer:

Deelnemende Marineofficieren[bewerken]

De zeemacht bestond uit het fregat Koningin Emma der Nederlanden, het fregat Tromp, het pantserschip Prins Hendrik der Nederlanden, het flottieljevaartuig Borneo en het flottieljevaartuig Bali. Officieren van de expeditionaire zeemacht die deelnamen aan de Lombok-expeditie waren onder meer:

Gesneuvelde officieren[bewerken]

In totaal sneuvelden tijdens de Lombok-expeditie 20 officieren en 116 minderen (en werden daarnaast 3 minderen voorgoed vermist).[2] Officieren die sneuvelden waren:

Afbeeldingen[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Inname van Tjakra Negara. Rotterdams Nieuwsblad. (18-12-1894)
  2. 1896. W. Cool met illustraties van G.B. Hooijer. De Lombok Expeditie. Uitgifte G. Kolff & Co Batavia - 's-Gravenhage.
  3. Geboren in 1865, volgde de hoofdcursus voor de infanterie te 's-Hertogenbosch, werd in november 1889 bevorderd tot tweede luitenant en in juni 1894 bevorderd tot eerste luitenant. Abeleven kreeg tijdens de Lombok-expeditie gedurende de verdediging van het bivak bij Mataram een kogel in de keel en overleed zeer spoedig daarop.
  4. Geboren op 2 november 1868 te Zutphen. Benoemd tot cadet aan de Koninklijke Militaire Academie voor het wapen der genie in Indië op 30 augustus 1886. Overgeplaatst bij het wapen der infanterie in Indië op 15 oktober 1890. Benoemd tot cadet-korporaal op 14 juli 1891 en tot cadet-sergeant op 6 augustus 1891. Benoemd tot tweede luitenant der infanterie in Oost-Indië op 21 juli 1892. Gesneuveld op 26 augustus 1894 te Mataram. Musquetier was de aanstaande schoonzoon van generaal van Ham. G. van Steijn. Gedenkboek Koninklijke Militaire Academie.
  5. Geboren in 1870. Volgde de militaire school te Meester Cornelis en werd op 31 juli 1893 benoemd tot tweede luitenant. Hij verkreeg een dodelijk schot in de rug op 27 augustus 1894. Rotterdams Nieuwsblad (31-08-1894).
  6. Geboren op 11 maart 1869 te Dordrecht, op 28 augustus 1885 benoemd tot cadet aan de Koninklijke Militaire Academie voor het wapen der infanterie in Indië. Benoemd tot cadet-korporaal op 6 september 1888 en op 25 juli 1889 benoemd tot tweede luitenant der infanterie in Oost-Indië. Op 16 januari 1894 bevorderd tot eerste luitenant. Dooremans werd zwaargewond op Lombok en overleed op 29 augustus 1894 te Soerabaja aan zijn voor de vijand verkregen wonden. G. van Steijn. Gedenkboek Koninklijke Militaire Academie.
  7. Geboren in 1869. Hij vertrok in 1889 als onderofficier naar Indië en werd enkele maanden na zijn aankomst aldaar ter opleiding tot officier geplaatst aan de militaire school te Meester Cornelis. Op 31 juli 1893 werd hij benoemd tot tweede luitenant der infanterie bij het leger in Oost-Indië en nam in die rang aan verschillende krijgsverrichtingen op Atjeh deel. Hij sneuvelde op 25-jarige leeftijd tijdens de Lombok-expeditie op 18 november 1894. J.G.A. d'Ancona. Rotterdams Nieuwsblad. (23-11-1894)
  8. Slangen meldde zich aan bij het instructiebataljon te Kampen en werd als korporaal-titulair overgeplaatst bij het derde bataljon vierde regiment infanterie te Haarlem. Aldaar werd hij tot sergeant bevorderd en vervolgens vertrok hij in 1877 naar Indië, waar hij de militaire school te Meester Cornelis volgde. In 1881 werd hij tot tweede luitenant bevorderd. Hij nam deel aan de krijgsbedrijven te Atjeh en droeg het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven. Gedurende de tijd dat hij vervolgens met verlof in Nederland was, was hij gedetacheerd bij de koloniale reserve. Hij werd in oktober 1894 bevorderd tot kapitein. Slangen raakte ernstig gewond tijdens de bestorming van Tjakra Negara op 18 november 1894 en overleed later aan zijn verwondingen. Hij liet een jonge weduwe achter. Lombok. Het Nieuws van de Dag. (29-11-1894).
  • 1894 De dood van generaal Van Ham Het Nieuws van de Dag 9 oktober 1894
  • 1895 J.P. Schoemaker Het verraad van Lombok W.P. van Stockum & Zoon, Den Haag.
  • 1896 Wouter Cool De Lombok-expeditie G. Kolff & Co, Den Haag.