Loonheffing

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Loonheffing is in Nederland een heffing over loon.

Nederlandse loonheffingen[bewerken]

Sinds 1 januari 2006 moet de werkgever de loonheffing, de premies werknemersverzekeringen, en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet op één gecombineerde aangifte afdragen. Deze heffingen worden gezamenlijk, enigszins verwarrend, loonheffingen genoemd. Hieronder gaat het over de eerstgenoemde loonheffing (enkelvoud).

Nederlandse loonheffing[bewerken]

Onder de loonheffing (LB/PV) verstaan de gecombineerde heffing van:

Art. 58 van de Wet financiering sociale verzekeringen bepaalt dat de premie voor de volksverzekeringen wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels. Art. 25 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dat bij ministeriële regeling loonbelastingtabellen kunnen worden vastgesteld. De rekenvoorschriften en tabellen van de belastingdienst geven de totaalbedragen van de combinatie LB/PV. In uitzonderingsgevallen waarbij slechts een van beide verschuldigd is gelden afwijkende regels en tabellen, en/of herleidingsregels.

Het loontijdvak is de periode waarover het loon wordt genoten. Spreken de werknemer en zijn werkgever bijvoorbeeld af dat het salaris maandelijks verschuldigd is, dan is de maand het loontijdvak. Het aangiftetijdvak is het tijdvak waarover de werkgever de aangifte loonheffingen moet doen. Dit is meestal een periode van een kalendermaand of van 4 weken. De werkgever kan per kalenderjaar kiezen tussen deze twee mogelijkheden. De keuze zal meestal samenhangen met die van het loontijdvak.

Om de tarieven niet alleen door middel van algoritmen maar (voor de meest voorkomende gevallen) ook in niet al te grote tabellen te kunnen weergeven zijn er voor diverse loontijdvakken loonklassen waarbinnen de loonheffing gelijk is. De grootte van een loonklasse komt overeen met € 54 per jaar, dus bijvoorbeeld bij maandloon is de grootte van een loonklasse € 4,50.[1] Het tijdvakloon wordt omgerekend naar een jaarloon door vermenigvuldiging met bijvoorbeeld 4 (kwartaalloon), 12 (maandloon), 52 (weekloon), of 260 (dagloon); dit jaarloon wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54.

Daaruit wordt de loonheffing per jaar bepaald volgens de totaaltarieven van box 1, met inachtneming van de hieronder genoemde 6 heffingskortingen (van de in totaal 13). Dit wordt gedeeld door de betreffende factor en naar beneden afgerond op hele centen.

De uitkomsten hangen af van loontijdvak, loonklasse, leeftijd en al of niet toepassen van algemene heffingskorting en andere heffingskortingen. Daartoe zijn er diverse tabellen met diverse kolommen. Met name zijn er de zogeheten groene tabellen voor loon uit vroegere dienstbetrekking bijvoorbeeld pensioen, maar ook voor lijfrenteuitkeringen (loonheffing met en zonder algemene heffingskorting), en de zogeheten witte tabellen voor loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (loonheffing zonder heffingskortingen, en loonheffing met algemene heffingskorting en arbeidskorting, met ook vermelding van de arbeidskorting zelf). Voor de arbeidskorting wordt bij het omrekenen naar een jaar rekening gehouden met 8% vakantiegeld. Deze tabellen worden de tijdvaktabellen genoemd. De kolommen voor de loonheffing zonder toepassing van heffingskortingen zijn in de groene tabellen gelijk aan die in de witte. Er zijn drie leeftijdsklassen: onder de 65 jaar (aan het begin van de maand), 65 jaar of ouder en geboren in 1946 of later (wordt in 2012 nog geen 67 jaar), en geboren in 1945 of eerder (wordt in 2012 67 jaar of ouder).

Door de loonklassen kan een stijging van het belastbaar loon met € 0,01 per maand een daling van het netto loon met een paar euro per maand tot gevolg hebben. Vervolgens kan het belastbaar loon nog € 4,49 per maand stijgen binnen dezelfde loonklasse, en dus resulteren in een netto stijging gelijk aan de bruto stijging. Daardoor is er bij brutering het verschijnsel dat twee bruto bedragen hetzelfde nettobedrag kunnen opleveren.

Voor loonbestanddelen die in de regel eens per jaar worden genoten (bijvoorbeeld vakantiegeld en bonussen) zijn er "tabellen bijzonder beloningen". Deze tonen geen bedragen maar percentages, het marginale loonheffingtarief, afhankelijk van het loon in het vorige jaar. Er is één groene en één witte tabel; deze hebben dezelfde bedragen en grotendeels dezelfde jaarloonklassen, ze verschillen alleen in het jaarloon tot waar het 0%-tarief geldt (afhankelijk van de kolom). Zie ook voordeelregel loonheffing.

Heffingskorting[bewerken]

De loonheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van zes specifieke heffingskortingen (bedragen per jaar):

Algemene heffingskorting – een korting € 1.987 (2011) per jaar, waarop voor 65+ers een reductiefactor wordt toegepast, wordt omgerekend naar het loontijdvak; iedere belastingplichtige heeft recht op de korting voor zover de loonheffing bij de betreffende uitbetaling toereikend is om deze erop toe te passen. Bij meerdere inhoudingsplichtigen kiest de belastingplichtige er maximaal één die deze heffingskorting toepast. Wie loon ontvangt en aanvullend een WWB-uitkering moet de werkgever de heffingskorting laten toepassen.

Arbeidskorting – voor werknemers die loon uit tegenwoordige arbeid genieten. Bij meerdere werkgevers kiest de belastingplichtige er maximaal één die deze en de algemene heffingskorting toepast. De korting neemt eerst toe met het loon, tot maximaal € 1574 (2011) per jaar. Bij hogere arbeidsinkomsten neemt de arbeidskorting weer iets af ("afbouw arbeidskorting"). De korting neemt vanaf 57-jarige leeftijd toe met de leeftijd, maar is vanaf 65 jaar weer lager door de reductiefactor. Het loon voor het loontijdvak wordt omgerekend naar een jaarloon, waarbij rekening gehouden wordt met 8% vakantiegeld; dit geeft een jaarloon dat de basis vormt voor de berekening van de korting per jaar. Die wordt omgerekend naar het loontijdvak.

Ouderenkorting – iemand van 65 jaar of ouder met een jaarloon van niet meer dan € 34 857 heeft recht op een korting van € 739 (2011). Die wordt omgerekend naar het loontijdvak.

Alleenstaande ouderenkorting (niet te verwarren met alleenstaande-ouderkorting) – een alleenstaande van 65 jaar of ouder heeft recht op een aanvullende ouderenkorting van € 421 (2011). Die wordt omgerekend naar het loontijdvak. Alleen de Sociale Verzekeringsbank past de alleenstaande-ouderenkorting toe, bij uitbetaling van een AOW-uitkering.

Twee kortingen zijn niet in de tabellen verwerkt, maar worden apart toegepast:

Jonggehandicaptenkorting – iemand die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (ook als die niet uitbetaald wordt wegens andere inkomsten) heeft recht op een korting van € 696 (2011). Die wordt omgerekend naar het loontijdvak.

Levensloopkorting – werknemers die deelnemen aan een levensloopregeling hebben bij een opname recht op een levensloopkorting van € 201 (2011) per gespaard kalenderjaar, verminderd met de al eerder genoten korting, en tot maximaal het bedrag van de opname, en voor zover de totale loonheffing bij de betreffende uitbetaling (opname plus eventueel loon) toereikend is om de korting erop toe te passen. Omrekening van een jaarbedrag naar een loontijdvak is bij deze korting niet van toepassing.

De loonheffingskorting wordt per belastingplichtige bij maximaal één inhoudingsplichtige (werkgever of uitkeringsinstantie) toegepast, meestal naar keuze van de betrokkene. De jonggehandicaptenkorting mag bij een andere inhoudingsplichtige worden toegepast dan de rest van de heffingskortingen.

Anoniementarief[bewerken]

Onder uitzonderlijke omstandigheden moet de werkgever op loon het zogenoemde anoniementarief toepassen. Dit tarief bedraagt 52% van het loon (ook de heffingskorting mag in dat geval niet van de berekende belasting worden afgetrokken). Het anoniementarief moet onder meer worden toegepast indien de inhoudingsplichtige de identiteit van de werknemer niet conform de wettelijke voorschriften heeft kunnen vaststellen.

Caribisch Nederland[bewerken]

In Caribisch Nederland wordt met loonheffing de gecombineerde heffing van loonbelasting en premies voor de algemene ouderdomsverzekering (AOV), algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) en het werknemersdeel van de zorgverzekering bedoeld. De loonheffing bedraagt 30,4%. De belastingvrije som en de eventuele kinder-/ouderentoeslag mogen slechts door één inhoudingsplichtige tegelijkertijd worden toegepast.

Het anoniementarief bedraagt 35,4% en de belastingvrije som en toeslagen mogen in dat geval niet worden toegepast.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Deze wat vreemde grootte heeft waarschijnlijk zijn oorsprong in een bedrag van 10 gulden.