Ngawang Lobsang Gyatso

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Lozang Gyatso (dalai lama))
Ga naar: navigatie, zoeken
Ngawang Lobsang Gyatso
Ngawang Lobsang Gyatso
Ngawang Lobsang Gyatso
Tibetaans བློ་བཟང་རྒྱ་མཚོ་
Wylie ngag dbang blo bzang rgya mtsho
Traditioneel Chinees 羅桑嘉措
Vereenvoudigd Chinees 罗桑嘉措
Hanyu pinyin Luōsāng Jiācuò
Mongools Anders=
Portaal  Portaalicoon   Tibet

De vijfde dalai lama, Ngawang Lobsang Gyatso, (Chingwar Taktse (U-Tsang), 1617 - 1682) werd geboren in een familie van zeer welgestelde aristocraten, de Zahor, die leefden in een oud kasteel nabij Taktsé vlakbij de graftomben van de koningen van de Yarlung-dynastie. De jongen was een populaire kandidaat. In zijn vroegste jeugd werd hij al geclaimd door zowel de karma kagyütraditie als die van de jonang als één van hun tulku's.

Inhoud

[bewerken] Jeugd en burgeroorlog

In de periode van zijn vroege jeugd was de nieuwe koning van Tsang, Püntsog Namgyal, de dominante machtsfactor in Tibet. Deze had het grootste deel Tibet voor het eerst sinds de alliantie van de sakyatraditie en het Mongoolse Rijk van de 13e en 14e eeuw weer verenigd. De koning was een loyaal volgeling van de karma kagyütraditie, maar ook de jonang, sakya en nyingmatraditie mochten op zijn gunsten rekenen. Om historische redenen was hij een tegenstander van de gelugtraditie.

Na de dood van de vierde dalai lama had de koning van Tsang de gelug verboden een opvolger te selecteren. Op den duur werd de vete tussen de karma kagyü en de jonang ten aanzien van het claimen van Ngawang Lobsang Gyatso echter zo intens, dat de koning van Tsang de oplossing van het conflict maar zocht in de opheffing van het verbod voor de selectie van de opvolger van de vierde dalai lama. Daar waren overigens inmiddels meerdere kandidaten voor, zoals Dragpa Gyaltsen, maar uiteindelijk kreeg Ngawang Lobsang Gyatso de voorkeur. De vooruitzichten voor Ngawang Lobsang Gyatso op dat moment waren, dat hij weliswaar een tulku van aanzienlijk aanzien in Tibet zou kunnen worden, maar zeker niet behorend tot de belangrijkste daarvan.

Er waren echter velen in de gelug die niet tevreden met die rol waren. Hun streven naar een meer dominante positie voor de gelug en de tegenstand daartegen van andere tradities leidden tot een burgeroorlog. Daarbij stond de gelug, met name in het oosten van Tibet, een aantal malen op de rand van vrijwel totale eliminatie. Om aan dat lot te ontsnappen werd dan ook een beroep gedaan op de historische alliantie tussen de gelug en een aantal stammen van de westelijke Mongolen, die dateerde uit de tijd van de derde dalai lama Sönam Gyatso en Altan Khan. Sönam Chöpel, de eerste van de regenten in Tibet vroeg Güshri Khan, leider van de Oirat-Mongolen om militaire hulp.

Onder het voorwendsel het boeddhisme te verdedigen viel deze in 1641 met zijn troepen Centraal-Tibet binnen. Er volgde een harde en lange strijd met de nieuwe koning van Tsang die zich in Shigatse het jaar daarop moest overgeven. Daarna werd de grootste vestiging van het hoofd van de karma kagyütraditie, de tiende karmapa, Chöying Dorje, aangevallen en vernietigd. De resterende volgelingen van de karmapa en de koning van Tsang hergroepeerden zich in Kongpo en organiseerden een opstand tegen de nieuwe machthebbers. Een leger van zowel de gelug als Güshri Khan viel Kongpo binnen, vernietigde het hele gebied en executeerde circa 8000 mensen. Ook de daarheen gevluchte koning van Tsang werd om het leven gebracht.

[bewerken] Verankering van de macht

Vlnr. vijfde dalai lama en Güshri Khan, in: China illustrata van Kircher, getekend door Johann Grueber

De periode hierna nam de dalai lama het initiatief om de pas verworven dominantie van de gelug zo snel mogelijk te verankeren.

De eerste maatregel betrof de jonangtradite. In zijn autobiografie noemt hij de belangrijkste tulku van die traditie en een uitmuntend historicus en vertaler, Taranatha, een wellustige schurk zonder weerga. Het voorwendsel was, dat de jonang een zodanig fundamenteel andere interpretatie had over het voor het boeddhisme zo centrale begrip Sunyata, dat dit door de gelug als weerzinwekkend werd beschouwd. De echte reden lag in het feit, dat de jonang over het algemeen de meer geletterden onder de volgelingen aantrok en dus een potentieel intellectueel gevaar was. De kloosters van de jonang behoorden ook tot de rijkste in het land. Alle bekende kloosters van de jonang werden vernietigd of door de gelug geconfisqueerd. De geschriften van de jonang werden in de ban gedaan en hun blokdrukken vernietigd. De jonang werd zo hard aangepakt dat tot ca. 1990 werd aangenomen, dat de traditie door de vijfde dalai geheel was geëlimineerd. Pas toen werd ontdekt dat de traditie ruim 300 jaar op beperkte schaal en ondergronds was gecontinueerd.

Ook veel kloosters en bezittingen van de kagyü werden in bezit genomen of vernietigd. De werken van schrijvers uit met name de sakyatraditie die commentaar hadden geleverd op de geschriften van de geestelijke vader van het gedachtegoed van de gelug, Tsongkhapa, werden verboden en de blokdrukken daarvan vernietigd.

[bewerken] Incarnatielijnen en incorporatie

De grootste invloed heeft deze dalai lama echter gehad op de cultuurhistorische ontwikkeling van het Tibetaans boeddhisme. Deze dalai lama was zeer bekwaam in het ontwerpen van en manoeuvreren met reïncarnatielijnen.

De reïncarnatielijnen van met name de hoogste tulku's waren een afspiegeling van hun maatschappelijke, religieuze en politieke machtspositie. Voor veel gelovige Tibetanen is de overtuiging dat de dalai lama de emanatie van Chenrezig is even fundamenteel als voor een orthodox christen de opvatting dat Jezus de zoon van God is. Toch is die eerste opvatting pas in de 17e eeuw door deze dalai lama geformuleerd.

De personificatie van de overwinnaar in de burgeroorlog is de vijfde dalai lama die sindsdien als eerste dalai lama werkelijk politieke en bestuurlijke macht over Tibet bezat. Vergeleken met de karmapa, zijn voornaamste tegenstander in de burgeroorlog, is zijn reïncarnatielijn echter aanzienlijk korter. De karmapa wordt reeds sinds de tweede in die lijn, Karma Pakshi (1204-1283) geacht een emanatie van Chenrezig te zijn. De eerste vier dalai lama's waren niet minder, maar ook niet meer dan de belangrijkste tulku van de gelugpa's, die in die periode nog geen dominante rol in Tibet kon spelen. Van de eerste vier dalai lama's hebben de eerste twee die benaming postuum gekregen,waardoor gepoogd werd een langere politieke legitimiteit te creëren. De karmapa-lijn kende in tegenstelling tot die van de dalai lama's geen postume benoemingen.

De vijfde dalai lama positioneerde Chenrezig niet alleen als de bodhisattva van het mededogen, maar vooral - en anders dan in het geval van de karmapa - met terugwerkende kracht ook als de beschermer van Tibet en de centrale figuur in de Tibetaanse geschiedenis. Deze notie verbond hij met een lijn waarin de drie grote Dharma-koningen van Tibet (Tri Songtsen Gampo, Tri Songdetsen en Tri Ralpachen), die verantwoordelijk worden gehouden voor de eerste introductie van het boeddhisme in Tibet eveneens incarnaties werden van Chenrezig, evenals de epische held Gesar uit het Epos van koning Gesar.

Op de plaats van een vroeger paleis uit de 7e eeuw liet hij een nieuw paleis bouwen en noemde dat het Potala, naar het Potolaka, de naam voor het mythische paleis van Chenrezig. Op die manier werd het instituut dalai lama de menselijke vorm van de bodhisattva/beschermer van Tibet en werd een verbinding gemaakt tussen de dalai lama's met het prehistorische verleden van Tibet.

Tot aan die periode was in de opvolging van abten van het klooster Tashilhunpo voorzien door middel van verkiezing van reeds volwassen mannen door de monniken die in het klooster verbleven. De vijfde dalai lama verklaarde nu zijn leermeester Lobsang Chökyi Gyaltsen - net als de shamarpa die in die tijd gezien werd als de mentor van een nog niet volwassen karmapa - tot emanatie van Amitabha, één van de vijf dhyani-Boeddha's. Die werd daarmee de eerste persoon die bij zijn leven de benaming pänchen lama ontving. Pas vanaf dat tijdstip werd de opvolging van abt van Tashilhunpo en daarmee van pänchen lama via het instrument van reïncarnatie georganiseerd. Drie vorige gekozen abten van Tashilhunpo ontvingen van hem postuum ook die benaming, waardoor de reïncarnatielijn teruggaat tot 1385. Lobsang Chökyi Gyaltsen werd daarmee in de chronologie de vierde pänchen lama.

Taranatha zelf werd verondersteld de vijftiende reïncarnatie van de Jebtsun Dampa te zijn. In de traditie gaat de lijn van de Jebtsun Dampa terug naar de tijd van de Boeddha zelf. De eerste reïncarnatie van de Jebtsun Dampa zou ongeveer 2500 jaar geleden diens discipel zijn.

In 1650 bracht Zanabazar, feitelijk hoofd van de sakyatraditie bij de Khalka-Mongolen, een bezoek aan Tibet. Tijdens dat bezoek proclameerde de vijfde dalai lama dat Zanabazar een reïncarnatie is van Taranatha, die in 1634 in Mongolië was overleden. Daarnaast wist de dalai lama Zanabazar te bekeren tot de gelugtraditie. Op deze wijze slaagde de dalai lama erin de reïncarnatielijn van de Jebtsun Dampa uit de jonangtradie te halen en in de gelugtraditie te verankeren. Daardoor bezorgde hij Zanabazar het religieuze leiderschap in Mongolië, waarmee ook de gelug de dominante religieuze machtsfactor werd in dat land.

Taranatha was ook de belangrijkste vormgever van de Kalachakratantra in de huidige vorm; een van de belangrijkste oefeningen in het Tibetaans boeddhisme. Na nagenoeg de gehele vernietiging van de jonangtraditie nam de gelug de Kalachakratantra over als een van hun belangrijkste oefeningen en incorporeerde dat in hun traditie.

De dalai lama was ook verantwoordelijk voor de overplaatsing van het orakel van Samye, het oudste klooster van Tibet, dat tot dan toe zijn wortels had in vooral de nyingma- en sakyatraditie. Het orakel werd overgeplaatst naar het toen recent gestichte Nechungklooster in de onmiddellijke omgeving van Lhasa. Vanaf dat moment wordt het als het orakel van Nechung onderdeel van de gelugtraditie en het Tibetaans staatsorakel.

[bewerken] Tegenstellingen binnen de gelug

Voor velen in de gelugtraditie gingen deze en andere maatregelen overigens nog niet ver genoeg. Er was een factie in de hiërarchie van de gelug, die na de overwinning in de burgeroorlog verder wenste af te rekenen met de voormalige tegenstanders en voorstander was van een staat die feitelijk alleen ruimte zou bieden aan de opvattingen en richtlijnen van Tsongkhapa, zoals zij die interpreteerden. Dezen stonden voor de vestiging van een gelugstaat.

Vanaf circa 1655 heeft deze dalai lama daarop een sterk matigende invloed uitgeoefend. Deze factie zag ook met afkeuring toe, dat in met name de laatste 15 jaar van zijn leven de dalai lama ook rituelen uit de nyingmatraditie ging uitvoeren. Deze tegenstelling binnen de gelug is dan ook de historische kern en oorzaak van de het conflict, dat honderden jaren later in de periode van de dertiende en veertiende dalai lama in de 20e eeuw bekend is geworden als de Dorje Shugden-controverse.

[bewerken] Bestuurlijke maatregelen

De dalai lama en zijn regent creëerden een staat die vooral gericht was op de bevordering van de uitoefening van het Tibetaans boeddhisme en dat van de gelugtraditie in het bijzonder. Vanaf deze periode neemt het aantal kloosters en monniken van de gelug explosief toe. Hij reorganiseerde de economische basis van met name de grotere Tibetaanse kloosters door hen uitgebreide landgoederen te geven.

Er had zeker vanaf de 8e eeuw al een vorm van horigheid in Tibet bestaan. Om de vaak zeer uitgestrekte landgoederen van de grote kloosters en de aristocratie te kunnen bewerken werd het systeem van horigheid in toenemende mate vanaf deze periode ingevoerd ten koste van vrije boeren die het land in eigendom bezaten. In de 18e eeuw was horigheid al de kern en basis van het economisch systeem geworden. In die opvatting dienden de kloosters de economische opbrengst van het systeem aan te wenden voor het organiseren van de cycli van gebedsdiensten, gericht op het verder bevorderen van het boeddhisme.

Van de belangrijkste aristocratische families werd verwacht, dat zij minimaal één zoon leverden voor dienst in de overheid. Deze families werden op hun beurt daarvoor beloond met een landgoed, dat deze zolang aan de verplichting van overheidsdienst werd voldaan konden behouden. Ook deze landgoederen werden bewerkt door horigen.

Er werd zo een uniek politiek systeem gecreëerd, gebaseerd op een wederzijdse relatie tussen seculiere en religieuze sectoren. De Tibetaanse naam voor dat systeem is chösi nyiden, dat in de vertaling zoiets als "religie en politieke zaken samengevoegd" betekent. Voor de overheid betekende het systeem dat er aanzienlijke overheidsverantwoordelijkheden naar de grondeigenaren werden gedelegeerd, waardoor het vrijwel geen politiemacht of justitiesysteem buiten de steden hoefde te onderhouden. Het systeem verminderde in zeer aanzienlijke mate de noodzaak voor een gelaagde overheidsstructuur, waardoor er geen kosten gemoeid waren met de salariëring van overheidsfunctionarissen en het onderhoud van zeer omvangrijke kloostercomplexen. Deze sociale en politieke ordening van de vijfde dalai lama is grotendeels tot aan 1959 in stand gebleven.

[bewerken] De laatste jaren

In de praktijk liet de dalai lama het dagelijks bestuurlijk en politiek management van het land over aan een staf van ministers en met name aan de regent. Vanaf 1678 was Sanggye Gyatso, mogelijk een natuurlijke zoon van de dalai lama, de regent. Al voor dat tijdstip trok de dalai lama zich regelmatig terug voor langdurige retraites. Hij meldde in die periodes steeds krachtiger visioenen te ontvangen, waar hij in zijn autobiografie uitgebreid over schrijft. Deze dalai lama heeft ongeveer 20 werken geschreven, waaronder verhandelingen over kloosterdiscipline, retorica, Tibetaanse astrologie, een uitgebreid commentaar op de Abhidhamma en een pelgrimgids voor de Jokhang.

Het hanteren van reïncarnatie als instrument voor opvolging heeft met name voor de hoogste politieke functies het risico dat in het interregnum van minimaal achttien jaar een grote mate van instabiliteit kan ontstaan. Na het overlijden van de dalai lama in 1682 was dit voor Sanggye Gyatso waarschijnlijk één van de redenen om dat overlijden voor een periode van vijftien jaar geheim te houden. Het handhaven van zijn eigen machtspositie was ongetwijfeld een belangrijke additionele reden.

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • (en) Schaik, Sam van (2011), Tibet, a history, pag. 117-130, Yale University Press, ISBN 9780300154047
  • (en) Lopez jr, Donald S. (2007), Religions of Tibet in Practise, pag. 22-23, 31-32, Princeton Readings, Oxford, ISBN 978-0-691-12972-3
  • (en) Snellgrove, David & Hugh Richardson (herdruk 2003), A Cultural History of Tibet, pag. 194-200, Orchid Press, Bangkok, ISBN 974-524-033-8
  • (en) Kapstein, Matthew (2007), The Tibetans, pag. 135-143, Blackwell Publising, Oxford, ISBN 0-631-22574-9
  • (en) Karmay, Samten Gyaltsen (1999), The secret visions of the fifth dalai lama, Serindia Publications, ISBN 0906026202
Voorganger:
Yönten Gyatso
(1589-1616)
dalai lama
Dhamma wiel
Opvolger:
Tsangyang Gyatso
(1683-1706)
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen