Lucius Calpurnius Piso Caesoninus (consul in 58 v.Chr.)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Lucius Calpurnius Piso Caesoninus was de zoon van Lucius Calpurnius Piso Caesoninus (zoon) en Calventia; werd door het huwelijk van zijn dochter Calpurnia in 59 v. Chr. de schoonvader van Julius Caesar.

In 59 v. Chr. werd L. Piso Caesoninus door Publius Clodius Pulcher aangeklaagd wegens uitbuiting van de provincie die hij als propraetor onder zijn hoede had gehad. Slechts ternauwernood wist hij veroordeling te voorkomen door zich voor de voeten van de rechters te werpen.[1]

Ondanks zijn juridische perikelen besloot L. Piso zich datzelfde jaar nog kandidaat te stellen voor de consulsverkiezingen. Mede dankzij de steun van Julius Caesar en de overige triumviri wist hij, samen met Aulus Gabinius (een beschermeling van Pompeius), aangesteld te worden als consuls van het jaar 58 v. Chr.[2]

Beide consuls zouden tijdens hun ambtstermijn actief de doelstellingen van het triumviraat najagen. Na hun aanstelling gingen beide consuls allereerst een nauwe samenwerking aan met de populistische volkstribuun Publius Clodius Pulcher om gezamenlijk Cicero, een politiek opponent van de triumviri, voor het gerecht te slepen wegens de terechtstelling van de medestanders van Catilina in 63 v. Chr. Hoewel Cicero over aanzienlijke politieke connecties beschikte, wist hij dat zijn dagen geteld waren. De gecombineerde politieke krachten die hem uit de weg wilde ruimen (de beide consuls Piso Caesoninus en Aulus Gabinius, de radicale volkstribuun Publius Clodius Pulcher en het triumviraat) waren zo sterk dat Cicero zich uiteindelijk gedwongen zag Rome vrijwillig te verlaten.[3]

Voor zijn diensten werd Lucius Piso Caesoninus door de triumviri beloond met een ambtstermijn als propraetor in de rijke provincia Macedonia. Hij bestuurde deze provincie van 57 v. Chr. tot begin 55 v. Chr., waarna hij terug werd geroepen, wat wellicht het gevolg was van de hevige aanval op hem door Cicero in de senaat in zijn toespraak De provinciis consularibus. Bij zijn terugkeer richtte Piso zich tot de senaat en verdedigde zich, waarna Cicero antwoordde met de ruwe en overdreven schimprede die als In Pisonem bekendstaat. Piso gaf een pamflet uit als repliek, en de kwestie bloedde dood; Cicero was bang om de schoonvader van Caesar voor het gerecht te brengen.

In 50 v. Chr. werd Piso Caesoninus, samen met Appius Claudius Pulcher, aangesteld als censor.[4]

Bij het uitbarsten van de burgeroorlog bood Piso zijn diensten als bemiddelaar aan,[5] maar toen Caesar opmarcheerde naar Rome verliet hij de stad bij wijze van protest. Hij verklaarde echter geen absolute steun aan Pompeius, maar bleef neutraal, zonder de eerbied van Caesar te verbeuren.

Na de moord op de dictator drong hij er sterk op aan dat de bepalingen uit zijn testament strikt werden uitgevoerd,[6] en werkte Antonius enige tijd tegen. Later echter werd hij één van zijn verdedigers en wordt hij vermeld als deelnemend aan een missie naar Antonius' kamp in Mutina met als doel het bewerkstelligen van een verzoening.

Er wordt verondersteld dat hij de eigenaar was van de 'Villa dei Papyri' in Herculaneum.

Voetnoten[bewerken]

  1. Valerius Maximus, VIII, 1.
  2. Appianus, Bellum Civile, II, 14.
  3. Cassius Dio, Historia, XXXVIII, 16; Cicero, In Pisonem, 12-17, 77-78; Pro Sestio, 17-24.
  4. Cassius Dio, Historia, XL, 63.
  5. Caesar, Bellum Civile, I, 3.
  6. Appianus, Bellum Civile, II, 135-136, 143.