Ludwig Tieck

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ludwig Tieck

Ludwig Tieck (Berlijn, 31 mei 1773 – aldaar, 28 april 1853) was een Duits schrijver uit de Romantiek. Hij is de auteur van het bekende sprookje De gelaarsde kat.

Leven[bewerken]

Tieck, die als een van de grondleggers van de Romantiek beschouwd wordt, was de zoon van een touwmaker. Tijdens zijn gymnasiumstijd leerde hij Wilhelm Heinrich Wackenroder kennen, wiens bevlogen geest en vroege dood een grote invloed op hem uitoefenden. Tezamen met Wackenroder ondernam hij in 1793 een reis door de streek van de Main, waar zijn interesse werd gewekt door de laat-middeleeuwse kunst. Hij nam verschillende schrijfopdrachten van de Berlijnse uitgeverij van de verlichte Friedrich Nicolai aan, die hem echter in zijn artistieke bewegingsvrijheid beknotten; zijn eerste grote roman, William Lovell, verhaalt in briefvorm de persoonlijke spanningen van een jongeman die grote libertijnse idealen heeft maar door de grauwe realiteit wordt vastgekluisterd. Dit werk staat nog volop in de traditie van het Verlichtingsdenken en Goethes Bildungsromans, maar illustreert de kloof tussen het Verlichte en romantische denken die in 1797 tot een conflict en uiteindelijk een breuk met Nicolai leidde. Tieck koos toen resoluut voor de romantische gedachte. Hij studeerde nog filologie in Erlangen, Halle an der Saale en Göttingen, maar beëindigde zijn studie niet en trok in 1799 naar Jena, alwaar hij met de plaatselijke dichters kennis maakte. Hij schreef ook onder pseudoniem, met name als Gottlieb Färber en Peter Lebrecht.

Het duurde niet lang vooraleer Tieck als een spilfiguur in de romantische beweging werd aangezien; inzonderheid zijn Volksmärchen sloegen zeer aan. Dit waren gedeeltelijke herwerkingen van oude sprookjes, aangevuld met zelfgeschreven griezelverhalen, waarvan Der blonde Eckbert het bekendst is. Ook maakte hij een theatrale (in beide zinnen des woords) bewerking van het sprookje van De gelaarsde kat, Der gestiefelte Kater. Hij was met Wackenroder aan een grote roman begonnen, Franz Sternbalds Wanderungen, die hij na diens dood in 1798 alleen afwerkte. Dit is het verhaal van een jonge schilder die melancholisch door Duitsland zwerft, steeds poëtisch geïnspireerd raakt maar nooit een werk voltooit, en vervolgens in Italië in talloze liefdesaffaires verzeilt. De roman is onmiskenbaar naar Goethes Wilhelm Meisters Wanderjahre gemodelleerd, maar is op filosofisch niveau aanmerkelijk nihilistischer, en beïnvloedde toentertijd ook daadwerkelijk vele romantische schilders. Tieck bezocht Goethe en Schiller ook in Weimar, en werd ook goed bevriend met Friedrich en August Schlegel en Novalis, en leerde tevens Brentano en Fichte kennen. De Noorse romanticus Henrik Steffens, thans nagenoeg vergeten, behoorde eveneens tot zijn kennissenkring.

In 1802 viel Tiecks pen stil: hij stond bekend als een veelschrijver, die reeds tijdens zijn jeugd aan ontelbare pulpromannetjes had bijgedragen, en toch schreef hij eensklaps nauwelijks nog verder, enkele leesdrama's, waaronder Genoveva, niet te na gesproken. In deze toneelstukken poogde hij een zo omvattend mogelijk beeld van de Middeleeuwen te scheppen. In de daaropvolgende jaren maakte hij vele reizen naar het buitenland, totdat hij zich in 1819 in Dresden vestigde. Daarop hervatte hij zijn literaire productie, en een groot aantal novelles aanschouwden het levenslicht, vaak met historische stof aan de basis. In 1825 werd hij directeur van het koninklijk theater van Dresden. In 1841 stelde de Pruisische koning Frederik Willem IV Tieck als Geheime Raad aan en werd hij aan het hoofd van het koninklijke theater in Berlijn gesteld. Tot zijn functie behoorde ook het Koninklijke Voorlezen; dit hield in dat, in de trant van de literaire salons uit de 18de eeuw, Tieck voor een select publiek zijn werk voorlas en de mensen ontspande. Tijdens zijn Berlijnse jaren oogstte hij veel succes met zijn ensceneringen van Shakespeare. Ofschoon de klassieke vertaling van de volledige werken van Shakespeare, die door August Schlegel was aangevat, de Schlegel-Tieck-vertaling wordt genoemd en dientengevolge eveneens aan Tieck wordt toegeschreven, was het in werkelijkheid grotendeels zijn dochter, Dorothea Tieck, die dit werk voltooide. Wel vertaalde Tieck Cervantes' Don Quichot eigenhandig naar het Duits.

Tiecks latere novellen tonen een zekere evolutie richting Biedermeier en burgerlijk realisme; feit is dat hij tegen de revolutie van het Frankfurter Parlement uit 1848 gekant was en zijn laatste jaren eenzaam en verbolgen doorbracht. Het nalatenschap van Tieck is immens, alhoewel zijn literaire werk in het algemeen niet onmiddellijk met geniale meesterwerken geassocieerd wordt. Zijn vele sprookjes en unheimliche taferelen, alsmede zijn romans, zijn ongetwijfeld belangrijk en innoverend geweest; desalniettemin ligt Tiecks grootste verdienste in zijn buitengewoon uitgebreide tekstedities, vertalingen en kritische uitgaves van andere dichters. Zo dankt men aan hem onder andere de uitgaven van de volledige werken van Jakob Michael Reinhold Lenz en Heinrich von Kleist.

Werken[bewerken]

  • 1793 Karl von Berneck (toneel)
  • 1795 Abdullah
  • 1795 Die Geschichte des Herrn William Lovell
  • 1796 Der blonde Eckbert
  • 1797 Volksmärchen
  • 1797 Der gestiefelte Kater. Ein Kindermährchen in drey Akten (toneel)
  • 1798 Franz Sternbalds Wanderungen. Eine altdeutsche Geschichte
  • 1798 Die verkehrte Welt (toneel)
  • 1798 Die Herzensergießungen eines kunstliebenden Klosterbruders (samen met Wilhelm Heinrich Wackenroder, anoniem gepubliceerd)
  • 1799 Prinz Zerbino (toneel)
  • 1800 Leben und Tod der heiligen Genoveva (toneel)
  • 1804 Kaiser Octavianus (toneel)
  • 1816 Phantasus. Eine Sammlung von Mährchen, Erzählungen, Schauspielen und Novellen (drie delen)
  • 1826 Der Aufruhr in den Cevennen
  • 1828 Novellen (verzameling)
  • 1836 Der junge Tischlermeister
  • 1839 Des Lebens Überfluß
  • 1840 Vittoria Accorombona

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Barbara Baumann & Brigitta Oberle (1985), Deutsche Literatur in Epochen. München: Max Hueber Verlag.
  • Gerhard Fricke & Mathias Schreiber (1988), Geschichte der deutschen Literatur. Paderborn: Ferdinand Schöningh.
  • Werner Kohlschmidt (1946), 'Die Romantik', in: Bruno Boesch (red.), Deutsche Literaturgeschichte in Grundzügen. Die Epochen deutscher Dichtung. Bern: Francke Verlag, pp. 218-254.
  • Bengt Algot Sørensen (1997), Geschichte der deutschen Literatur. Band I. Vom Mittelalter bis zur Romantik. München: C. H. Beck. [= Beck'sche Reihe 1216]
  • Wolf Wucherpfennig (1986), Geschichte der deutschen Literatur. Von den Anfängen bis zur Gegenwart. Stuttgart: Ernst Klett.