Lugiërs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het groene gebied is de Przeworskcultuur in de 3de eeuw n.Chr., toegerekend aan de Lugiërs. Het paarse gebied is het Romeinse Rijk

De Lugiërs, (ook: Lugii, Lugi, Lygii, Ligii, Lugiones of Lougoi) waren een federatie van volksstammen van Indo-Europese origine. Hun woongebied lag rond de eerste eeuw na Chr. ten noorden van het Sudetengebergte, in de vlakten van de bovenlopen van de Oder en de Weichsel, in het huidige Silezië en het noordelijker gelegen Klein-Polen, Groot-Polen en Mazovië. Het was een overgangsgebied tussen de Keltische en Germaanse stamgebieden.

Oorsprong van de Lugiërs[bewerken]

De oorsprong van de Lugiërs is onduidelijk; de stam had wellicht een Keltische, volgens Duitse historici wellicht een Germaanse achtergrond, mogelijk hadden de Lugiërs een gemengde of een volgens Poolse historici Slavische achtergrond. In de derde eeuw voor Chr. werd Silezië nog bewoond door Kelten uit de La Tène-periode. In de daaropvolgende tijd ontstond de Przeworsk-cultuur, die over het algemeen door archeologen wordt geïdentificeerd met de Lugische aanwezigheid in dat gebied. De Lugiërs hadden controle over het belangrijkste centrale deel van de Barnsteenroute van Samland (bij huidig Kaliningrad) aan de Oostzee naar de centraaleuropese provincies van het Romeinse Rijk; Pannonia, Noricum and Raetia.

Stammen van de federatie[bewerken]

Tacitus onderscheidde in Germania (43:3) de Lugiërs in verschillende stammen, zogenoemde civitates, waarvan hij de vijf machtigste noemt: de Harii, Helveconae, Manimii, Halisii en Naharvali. Ptolemeus vermeldde de Lugi Omani, de Lugi Diduni en de Lugi Buri, gevestigd bij of aan de bovenloop van de Weichsel, implicerend dat de Lugiërs van die tijd waren onderverdeeld in de Omani, Diduni en de Buri. Aangezien Tacitus de Buri nog vermeldde als een aparte stam, kan het zijn dat de Buri pas in de tussentijd toetraden tot de Lugische federatie.

Geschiedenis van de Lugiërs[bewerken]

Het stammenverbond werd waarschijnlijk gevormd lang voor hun eerste vermelding door Strabo in 23 na Chr.

Strabo noemde de Lugiërs in zijn Geografica een “groots volk”, en vermeldde ze gezamenlijk met de Semnonen en de verder onbekende stammen van de Zumi, Butones, Mugilones en Sibini als onderdeel van de federatie onder aanvoering van Marbod, leider van de Marcomannen. De Germaanse Marcomannen hadden hun centrum rond het begin van de jaartelling in het hedendaagse Bohemen en waren waarschijnlijk geaffilieerd aan de Sueben.

Volgens de Annales van Tacitus nam een groot aantal Lugiërs in 50 na Chr. aan de zijde van de Romeinen deel in de ondergang van een staat van Germaanse Quaden, gevestigd in het huidige Moravië en Slowakije.

In de jaren 91-92 na Chr. riepen de Lugiërs, volgens Geschiedenis van Rome van de hand van Cassius Dio, de hulp van Rome in in hun strijd tegen de Germaanse Sueben. Keizer Domitianus zou ze 100 cavaleristen gezonden hebben.

De Buri, door Ptolemeus genoemd als onderdeel van de Lugische federatie, speelden een belangrijke rol in de Marcomannenoorlog tussen 166 en 180 na Chr. Het Romeinse leger zag zich genoodzaakt een aparte veldtocht tegen de Buri te ondernemen, de “Expeditio Burica”, en Romeins keizer Marcus Aurelius zag kans een politieke alliantie met hen te vormen.

De latere geschiedenis van de Lugiërs is onduidelijk. Sommige historici veronderstellen dat de Lugiërs dezelfden zijn als de “Longiones”, beschreven in Historia Nova van Zosimus als de stam verslagen door Romeins keizer Probus in het jaar 279 in de Romeinse provincie Raetia bij de rivier de Lygis (doorgaans vereenzelvigd met de Lech, stromend door Oostenrijk en Beieren). Een mogelijke andere vermelding kan die zijn van een “groot volk” van “Lupiones-Sarmatae”, op de Peutinger Kaart, uit de derde tot vierde eeuw na Chr.