Maagdenpalmfamilie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Maagdenpalmfamilie
typische bloem
typische bloem
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Lamiiden
Orde: Gentianales
familie
Apocynaceae
Juss. (1789)
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Beluister

(info)

De maagdenpalmfamilie (Apocynaceae) is een familie van tweezaadlobbige planten.

Kenmerken[bewerken]

Het zijn vaak grote bomen uit het tropisch regenwoud, maar ook struiken en lianen. In gematigde streken komt ook een aantal kruidachtige planten voor. Deze planten bevatten melksap en veel soorten zijn bij inname giftig.

Verspreiding en habitat[bewerken]

Het verspreidingsgebied is grotendeels tropische tot warmere gematigde streken.

De Natal-pruim (Carissa macrocarpa) is inheems in Natal in Zuid-Afrika. Uit droge streken in Oost-Afrika stamt de woestijnroos (Adenium obesum). Uit het noordoosten van Zuid-Amerika komt Wilkens bitter (Allamnadra cathartica), die veel als sierplant wordt gekweekt. Ook de Peruaanse rinkelboom (Thevetia peruviana) komt uit Zuid-Amerika.

In Nederland komt het geslacht maagdenpalm (Vinca) voor met de kleine maagdenpalm (Vinca minor) en de grote maagdenpalm (Vinca major). Het geslacht Engbloem (Vincetoxicum) kent daar twee soorten: de witte engbloem en de zwarte engbloem. Daarnaast komt de zijdeplant (Asclepias syriaca) nieuw in het wild in Nederland voor.

Taxonomie[bewerken]

In de loop van de tijd zijn er verschillende opvattingen geweest over de omschrijving van de familie, dus over wat er wel en niet tot deze familie hoort. In de opvatting van het APG-systeem (1998) en het APG II-systeem (2003) horen hier ook de planten die voorheen ingedeeld werden in de zijdeplantfamilie (Asclepiadaceae).

De familie telt ruim 4500 soorten in meer dan 400 geslachten, waarvan de soortenrijkste zijn: Alyxia, Asclepias, Brachystelma, Caralluma, Ceropegia, Cynanchum, Dischidia, Ditassa, Forsteronia, Gonolobus, Hoya, Huernia, Landolphia, Mandevilla, Marsdenia, Matalea, Melodinus, Oxypetalum, Parsonsia, Prestonia, Rauvolfia, Secamone, Stapelia, Tabernaemontana, Tylophora

Gebruik[bewerken]

Het geslacht Apocynum werd door Indianen gebruikt voor de vervaardiging van vezels. Meerdere geslachten leverden rubber, weliswaar van mindere kwaliteit dan dat van de rubberboom. De San in Namibië maakten van het melksap van Pachypodium gif voor hun pijlen. Ook andere vertegenwoordigers van de familie leveren stoffen met een toxisch of farmacologisch effect, zoals alkaloïden en glycosiden.

Veel soorten zijn in gebruik als sierplant, zoals de grote wasbloem (Hoya carnosa).

Externe links[bewerken]

Vista-kmixdocked.png
Door op de afspeelknop te klikken kunt u dit artikel beluisteren. Na het opnemen kan het artikel gewijzigd zijn, waardoor de tekst van de opname wellicht verouderd is. Zie verder info over deze opname, bekijk de oorspronkelijke versie of download de opname direct. (Meer info over gesproken Wikipedia)