Maarten van Rossum
| Maarten van Rossum | ||
| 1478 - 1555 | ||
| Vader | Johan | |
| Moeder | Johanna van Hemert | |
Maarten van Rossum (ook Marten en Rossem; Zaltbommel, ca.1478 – Antwerpen, 7 juni 1555) was een Gelderse legeraanvoerder, die buiten zijn vaderland door de nietsontziende manier, waarop hij oorlog voerde, zeer werd gevreesd. In een lange carrière bracht hij zijn lijfspreuk: "Blaken en branden is het sieraad van de oorlog" veelvuldig in de praktijk. Zijn manier van oorlogvoeren is goed te vergelijken met die van de Italiaanse condottieri. Gedurende dertig jaar diende hij de belangen van de hertog van Gelderland Karel van Egmont en diens opvolger Willem van Gulik in hun strijd om de onafhankelijkheid van Gelderland veilig te stellen tegen het Bourgondische Rijk van keizer Karel V. Van Rossum bracht een lange lijst van wapenfeiten op zijn naam, waaronder de verovering van Arnhem en Rhenen door het toepassen van krijgslisten, plundertochten in Holland, de verovering van Utrecht en in 1528 zijn opzienbarende raid op Den Haag. In de laatste fase van de Gelderse oorlogen was zijn plundertocht in 1542 door het Hertogdom Brabant, waar hij een groot deel van de Brabantse platteland platbrandde en voor de poorten van Antwerpen in een veldslag een overwinning op René van Chalon boekte in zekere zin zijn "finest hour". Hij slaagde er echter niet in één van de vier grote Brabantse steden[1] te veroveren. In een vroege fase van de Gelderse Oorlogen werkte hij enige tijd samen met de legendarische Friese vrijheidsstrijder Grote Pier en in de derde- en laatste fase van de Gelderse Oorlogen bestond er een weinig succesvol bondgenootschap met het Frankrijk van Frans I. Na de definitieve nederlaag van het hertogdom Gelre in 1543 tegen een overmacht van Bourgondische troepen trad hij in dienst van zijn oude vijand, keizer Karel V, die hem in het begin van de jaren 1550 nog inzette in zijn oorlogen tegen Frankrijk. Onder andere in Artesië en in de Champagne bediende hij zich van dezelfde tactieken, die hij eerder in Holland en Brabant had toegepast. Al hoewel intussen hoogbejaard, verwierf hij zich ook in Frankrijk een angstaanjagende reputatie. Een van zijn bijnamen was de Gelderse Attila.
Inhoud |
[bewerken] Afkomst
Zijn ouders, Johan van Rossum, heer van Rossum, en Johanna van Hemert trouwden vermoedelijk vóór 1478. Zij behoorden tot de lagere adel in de Bommelerwaard. Maarten verwierf in zijn leven de titels van heer van Poederoijen, pandheer van Bredevoort, heer van Cannenburgh, heer van Lathum en Baer, was maarschalk van Gelre en later keizerlijk stadhouder van Luxemburg.
Het familiewapen bestaat uit drie rode vogels op een zilveren schild. Het is niet duidelijk of het hier om valken of papegaaien gaat. Verschillende wapenbeschrijvingen gebruiken beide omschrijvingen. Ook onduidelijk is het helmteken. Gaat het nu om een Satyr of een mansfiguur met ezelsoren? De wapenspreuk is TERROR TERRORIS.[2] Het familiewapen is later het gemeentewapen van Rossum geworden.
[bewerken] Historische context
Aan het eind van 15e en het begin van de 16e eeuw probeerden de Bourgondiërs (onder anderen Karel de Stoute) en hun opvolgers de Habsburgers (keizer Maximiliaan I van Oostenrijk en keizer Karel V) hun erfgrondgebied in de Nederlanden uit te breiden. Zij hadden in de noordelijke Nederlanden reeds Brabant, Holland en Zeeland onder controle, maar trachtten ook de rest van dit gebied te veroveren. Dat leverde strijd op met de bisschop van Utrecht, die heerste over het Sticht (Utrecht) en het Oversticht (Overijssel, Drenthe en Groningen), met de hertog van Gelre (Gelderland), en met het min of meer “vrije” Friesland. Er werden door de Habsburgers geregeld zelfs militaire campagnes in deze gebieden ondernomen, wat dan weer reacties opriep van deze tegenstanders.
[bewerken] Branden en blaken
Maarten was in dienst van hertog Karel van Gelre. Hij was een bekwaam en in zijn tijd een gevreesd legeraanvoerder. De hertog wilde de Habsburgers uit Gelre houden, opdat Gelre zelfstandig kon blijven. Maarten van Rossum vocht een kleine dertig jaar (1514 - 1543) voor de Gelderse zaak tegen de Habsburgers. Zijn stijl van oorlog voeren leek op die van zijn Italiaanse collega's, de condottieri, en kenmerkte zich door guerrilla-achtige tactieken, waarbij de burgerbevolking niet werd ontzien. Naar men zegt was zijn motto "Branden en blaken is het sieraad van de oorlog". Over de wijze waarop Van Rossum oorlog voerde zijn de meningen verdeeld: er zijn historici die hem een 'extreme bruut' noemen en die zijn 'agressieve plunderzucht' laken.
Door krijgslisten wist hij in 1514 en 1527 respectievelijk Arnhem en Rhenen te veroveren. In Arnhem wist hij een deel van zijn soldaten verborgen onder het hooi de stad binnen te smokkelen en in Rhenen verstopte hij soldaten in het struikgewas die gebruik maakten van een hooiwagen die in een van stadspoorten bleef steken. Met deze krijgslisten liep hij vooruit op soortgelijke escapades zeventig jaar later door de prinsen Maurits en Willem Lodewijk, zie bijvoorbeeld het Turfschip van Breda).
In 1516 brandde hij dorpen in de Alblasserwaard plat, onder andere Bleskensgraaf). In deze fase van de Gelderse Oorlogen werkte hij samen met de Friese opstandelingenleiders Pier Gerlofs Donia (Grote Pier) en Wijerd Jelckama (Groote Wierd).
Later werkte hij ook tot op zekere hoogte samen met het Franse leger om in beider belang zo mogelijk een tweefrontenoorlog tegen de Habsburgse machthebbers in Brussel te kunnen voeren. Toen Gelderland de soldij niet meer kon betalen nam Grote Pier de zogenaamde Arumer Zwarte Hoop, een troep Duitse huurlingen die aanvankelijk met Gelders geld betaald waren, over om tegen Medemblik op te trekken, een stad die Grote Pier haatte. Daarna trok de Zwarte Hoop al plunderend naar het zuiden en om Amsterdam heen naar het oosten, richting Duitsland, waarbij het onder andere in Medemblik en Asperen tot betreurenswaardige uitspattingen kwam.
[bewerken] Plundertochten
In 1519 werd Van Rossum door Karel van Gelre tot bevelhebber van het Gelders leger benoemd. In 1527 veroverde hij Utrecht. Van daaruit voerde hij begin maart 1528 met 1500 tot 2000 man troepen een plundertocht uit op Den Haag. Hij brandschatte het niet-ommuurde 'dorp' en plunderde de omgeving. Omdat de burgers van de stad het door Van Rossum geëiste bedrag van naar verluidt 28.000 gulden niet konden opbrengen nam hij genoegen met 8.000 gulden. Wel voerde hij een aantal aanzienlijke Haagse burgers, die niet naar Delft of de duinen hadden weten te ontsnappen, als gijzelaar mee naar Utrecht en Arnhem, waar sommigen van hen naar men zegt twee jaar gevangen zaten. Sommige families kregen belastingvrijstelling om de losgelden te kunnen betalen. Deze plundertocht op Den Haag baarde groot opzien en was voor Holland en Brabant het sein om de verdediging serieus ter hand te nemen, te meer daar Van Rossum bij zijn overval geen echte tegenstand had ontmoet.
In 1528 werd hij door de hertog van Gelre tot maarschalk van Gelderland benoemd.
In 1531 was hij actief in Wisch en Terborg, waar hij in opdracht van de hertog van Gelre graaf Oswald II van den Bergh steunde in diens strijd tegen Joachim van Wisch.
Maarten van Rossum streed in de jaren 1532-'34 tegen Habsburgse troepen in Oost-Friesland.
Uit Maarheeze is een vrijgeleidebrief uit 1543 van Maarten van Rossum bewaard gebleven met daarop het het wapen van Willem V van Kleef. Maarheze betaalde toen geld aan hem om verwoestingen te voorkomen, waarvoor zij een vrijgeleidebrief ontvingen. [3]
[bewerken] Bezittingen
[bewerken] Bredevoort
In 1534 werd Maarten van Rossem door hertog Karel van Gelre als drost van Bredevoort aangesteld. Tussen 1545 en 1555 begon hij met verbeteringen aan de vestingwerken van Bredevoort. Hij laat de stad versterken, en plaatst nieuwe stadspoorten, en Bredevoort krijgt een Halve Maan voor de Aalterpoort, en een bastei met rondeel voor de Misterpoort. Hij verbreedde de gracht en verlegde een deel van de oostmuur, liet aarden wallen opwerpen tegen de stadsmuren om deze ook tegen kanonvuur bestendig te maken. Onder zijn leiding van werd in Winterswijk een rechtszaak gevoerd door Tegeders uit dat gebied naar aanleiding van misstanden rondom zijn voorganger, drost Jacob ten Starte. Het huis De Cannenburg kocht hij in 1543, de Kleefse heerlijkheid Hulhuizen in 1544, de heerlijkheid Lathum in 1546, waaraan hij in 1555 nog het huis Baer toevoegde. Vanaf 1548 werden zijn taken in de heerlijkheid Bredevoort waargenomen door zijn zwager Johan van Isendoorn[4].
[bewerken] Maarten van Rossumhuis
Omstreeks 1535 liet van Rossum het Maarten van Rossumhuis bouwen te Zaltbommel. Het gebouw is versierd met Renaissance-beeldhouwwerk. Door het uiterlijk met torentjes en kantelen wordt het ook wel een stadskasteel genoemd, een naam die in 2008 officieel werd. In het gebouw is sinds 1937 het Maarten van Rossum Museum gevestigd.
[bewerken] Kasteel Het Oude Loo
In 1538 verwierf hij het jachtslot Kasteel Het Oude Loo. Hij liet het grondig verbouwen en verkocht het goed aan de Bentincks.[5]
[bewerken] Duivelshuis
In 1539 kocht van Rossum het Duivelshuis in Arnhem na de dood van de vorige eigenaar Karel van Gelre. Hij liet het woonhuis in 1543 verbouwen waardoor het zijn officiële naam kreeg: "Huis van Maarten van Rossum". Hij bouwde een vroeg-renaissancistische pronkgevel versierd met beelden van Saters plaatsen en grote overwelfde kelders onder het huis aanleggen. Na van Rossums dood verkochten erfgenamen het huis.[6] Omdat de Saters voor Duivels werden aangezien en rondom van Rossum mythevorming was ontstaan kreeg het huis zijn bijnaam "Duivelshuis".
[bewerken] Kasteel De Cannenburgh
In 1543 kocht van Rossem de restanten van Kasteel De Cannenburgh. Op de ruïne werd een statig slot van drie verdiepingen gebouwd. De naar voren springende ingangstoren werd van natuurstenen ornamenten voorzien, waarmee van Rossum de renaissance in Gelderland introduceerde. In de kelderverdieping zijn nog sporen van het middeleeuwse complex bewaard. In 1555 erfde zijn neef Hendrik van Isendoorn, hij voltooide het bouwplan dat van Rossum was begonnen.[7]
[bewerken] Brabantse veldtocht
In 1542 voerde Van Rossum in een bondgenootschap met de koningen van Frankrijk en Denemarken een serieuze veldtocht tegen de Habsburgers. Hij had de beschikking over een leger van ruim 15.000 man. Op weg naar het zuiden plunderde hij het toenmalige Rode (tegenwoordig Sint-Oedenrode). Daarbij werd de parochiekerk niet ongezien. Daarna werd het dorp platgebrand.
Eenmaal in Antwerpen aangekomen belegerde van Rossum deze stad. In een veldslag voor de poorten van Antwerpen, in de buurt van het huidige Brasschaat versloeg hij een leger onder aanvoering van René van Chalon, de toenmalige prins van Oranje. Daarbij vielen aan Habsburgse kant ongeveer 2000 slachtoffers. Van Rossum had zijn infanterie achter zijn 'Zwarte ruiters' opgesteld. Dat werd door de Habsburgers niet opgemerkt, waardoor zij overmoedig de aanval inzetten op Van Rossums cavalerie. Voor en na zijn overwinning brandde van Rossum de omgeving van Antwerpen en Leuven geheel plat. Daardoor bleef, volgens tijdgenoten, de omgeving van Antwerpen gedurende de hele 16e eeuw een landelijk karakter houden, in tegenstelling tot vorige eeuwen. Van Rossum slaagde er echter niet in om de grote steden Antwerpen en Leuven daadwerkelijk in te nemen. Een aanval op de muren van Antwerpen werd afgeslagen.
Deze Brabantse veldtocht leidde in 1543 tot een stroom van pamfletten die van de Antwerpse persen rolden. Daarin werd de vraag gesteld wie van de twee 'Maartens' nu erger was, Maarten Luther of Maarten van Rossum. Uiteraard zagen de direct betrokkenen Maarten van Rossum als het grotere kwaad. De Antwerpse dichteres Anna Bijns daarentegen was van mening dat het optreden van Maarten Luther veel schadelijker was: Van Rossem kwelt lichamen, maar Luther richt zielen te gronde[8].
Onder de opvolger van Karel van Gelre, Willem van Kleef, viel het doek voor de Gelderse zaak. Toen de Gelderse schatkist weer eens leeg was en de Habsburgers een nieuw leger onder Lamoraal van Egmont (dezelfde graaf van Egmont die later op de grote markt van Brussel wordt onthoofd) in de strijd wierpen dat in 1543 de onder Gelders gezag staande stad Düren platbrandde en gedeeltelijk uitroeide, gaven de andere Gelderse steden zich over. Deze intimidatie (een "shock-and-awe" tactiek avant la lettre) zou volgens sommigen 25 jaar later de hertog van Alva hebben geïnspireerd om aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog de steden Naarden, Zutphen en Mechelen uit te roeien, met als doel door angst de opstand neer te slaan. Hertog Willem moest Gelre en het graafschap Zutphen aan Karel V overgeven.
[bewerken] In Habsburgse dienst
Als competent beroepsmilitair werd Maarten vervolgens gevraagd dienst te nemen in het leger van zijn voormalige vijand, keizer Karel V. In keizerlijke dienst werd hij stadhouder van Luxemburg, waar hij enkele bolwerken versterkte, onder andere die van de stad Luxemburg zelf.
In Habsburgse dienst spreidde hij zijn gebruikelijke efficiëntie ten toon in de strijd tegen Hendrik II. Hij verlegde zijn activiteiten naar Artesië, het Île-de-France, de Champagne en Lotharingen. Ook daar werd hij berucht door soms ongehoorde plunderingen. Zelfs in de stad Parijs sloeg op een gegeven moment de paniek toe, wat velen er toe aanzette deze stad te ontvluchten.
[bewerken] Overlijden
In het voorjaar van 1555 werd Maarten ziek, mogelijk raakte hij besmet met de pest of de tyfus. Hij bevond zich in de vesting Charlemont in het stadje Givet, in de Ardennen. Op 7 juni 1555 overleed Maarten van Rossum in Antwerpen, waar hij heen was gebracht voor de beste medische behandeling. Zijn lichaam werd overgebracht naar Rossum en werd daar in de kerk begraven. Hij had er een marmeren tombe laten maken, die echter weer tijdens de beeldenstorm verwoest werd. Het gebeente werd in 1599 na het Beleg van Zaltbommel overgebracht naar de Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch. In zowel Rossum als in 's-Hertogenbosch is echter geen spoor meer te vinden van zijn tombe. Het verhaal gaat dat zijn schedel naar Kasteel De Cannenburgh werd gebracht, en in 1883 naar het gemeentemuseum van Arnhem. Daar zou hij door oorlogshandelingen in 1944 definitief verloren zijn gegaan.
[bewerken] Voetnoten
- ↑ Den Bosch, Antwerpen, Leuven en Brussel
- ↑ Centraal Bureau voor Genealogie Het Familiewapen van Rossum
- ↑ Website: omroepbrabant.nl, Middeleeuws Maarheeze kocht verwoestingen af
- ↑ biografischwoordenboekgelderland.nl
- ↑ Website: maartenvanrossum.com
- ↑ Website: arneym.nl, over de geschiedenis en de monumenten van de stad Arnhem.
- ↑ Website: mooigelderland.nl stichting Geldersch Landschap en Geldersche Kasteelen
- ↑ H.Pleij, Het gevleugelde woord. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400 - 1560, Amsterdam, 2007, blz. 377.
[bewerken] Referenties
- M. Witteveen, P. Schipper en S. van Doornmalen, Een pronkstuk in Zaltbommel. Maarten van Rossem, zijn huis en het museum, Zaltbommel/Uitgeverij Aprilis 2005.
- Jan & Annie Romein, De lage landen bij de zee, Amsterdam, 1976 (6e dr.), 185.
- J.I.Israel, De Republiek 1477-1806, Franeker, 2001 (5e dr.), 66-67 en 71.
[bewerken] Externe links
- Artikel in Verzameld Verleden,
- Artikel in Biografisch Woordenboek Gelderland
- Biografisch Woordenboek Gelderland, P. W. van Wissing, J. Kuys, C. A. M. Gietmann. blz. 108 vanaf online
| Voorganger: Jacob ten Starte |
Drost van Bredevoort 1534-1555 |
Opvolger: Johan van Isendoorn |