Maatschappij van Weldadigheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Plattegrond Maatschappij van Weldadigheid in de tweede helft van de 19e eeuw: Willemsoord, Frederiksoord, Wilhelminaoord en kolonie VII
Kolonistenwoning in Willemsoord

De Maatschappij van Weldadigheid is een particuliere organisatie in de 19e eeuw die armoedige gezinnen, veelal uit de grote steden, wilde helpen om een eigen bestaan op te bouwen als boer. In de 20e eeuw werd het accent van de werkzaamheden verschoven van armoedebestrijding naar het beheer van cultuur- en bosgronden. De Maatschappij moet niet worden verward met de Leidsche Maatschappij van Weldadigheid of de Maatschappij van Welstand.

Oprichting[bewerken]

In 1818 werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht door generaal Johannes van den Bosch die de armoedige gezinnen na de Franse overheersing wilde helpen. Van den Bosch kocht in Drenthe woeste grond aan zodat de armen deze konden ontginnen. Het Huis Westerbeek op het landgoed Westerbeeksloot in het huidige Frederiksoord, werd het bestuurlijk centrum van de Maatschappij van Weldadigheid.

Verzoekschrift aan Koning Willem I tot oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid[bewerken]

Johannes van den Bosch

"Sire!
Een aanzienlijk getal onderdanen van Uwe Majesteit hebben zich vereenigd om een Maatschappij van Weldadigheid opterichten onder de bescherming van zijne Koningklijke Hoogheid Prins Frederik, met oogmerk om aan de talrijke klassen van behoeftige ingezetenen arbeid te verschaffen en zulks in de Eerste plaats door middelen van Fabriekmatige inrichtingen ter vervaardiging van zoodanige goederen, die geheel of grotendeels van Buitenlands worden ingevoerd, het debiet daarvan te verzekeren door eene Vrijwillige overeenkomst der Leden van de Maatschappij, om Jaarlijks eene zekere hoeveelheid stoffen op deze wijze vervaardigd tegen gezette prijzen te ontvangen, ten Tweede door het ontginnen en Vruchtbaar maken van nog ongecultiveerde gronden in ons Vaderland, en daarop bij wijze van Colonisatie over te brengen zoodanige Armen die voor dezen arbeid geschikt geoordeeld worden".
(Aanhef van een door Johannes van den Bosch ondertekend verzoekschrift in 1818)[1]

De proefkolonie[bewerken]

Johannes van den Bosch ging voortvarend aan de slag. Op 25 augustus 1818 - één week na de aankoop van het landgoed Westerbeeksloot door de Maatschappij - legde hij de eerste steen voor de eerste kolonistenwoning. Op 29 oktober 1818 arriveerden de eerste gezinnen in de kolonie, die vooralsnog als ‘proefkolonie’ zal fungeren. In het totaal zijn 52 gezinnen uit alle delen van het land ‘uitverkoren’ om mee te doen aan het experiment van Johannes van den Bosch. Na vierenhalf jaar woonden er nog 42 gezinnen onder de hoede van de Maatschappij van Weldadigheid. Een groot deel van hen is er tot hun dood blijven wonen. Hun lotgevallen zijn uitvoerig beschreven door Wil Schackmann in ‘De Proefkolonie’.[2]

De vrije kolonies[bewerken]

De maatschappij bouwde vervolgens definitieve kolonies, bestaande uit kleine koloniehuisjes met een beetje grond. Die huisjes stonden op regelmatige afstand van elkaar langs kaarsrechte wegen. De kolonies I en II werden later omgevormd tot het dorp Frederiksoord, de andere kolonies tot de dorpen Wilhelminaoord en Boschoord (in Zuidwest-Drenthe) en Willemsoord (in Noordwest-Overijssel). Hier werden in de periode 1818-1911 zo'n 1400 gezinnen opgevangen. Om de bevolking op te voeden en te vrijwaren van kwalijke invloeden, stichtte de Maatschappij haar eigen scholen en voerde ze 'koloniegeld' in. Dat geld heeft niet zo lang bestaan, maar de scholen wel. Naast lagere scholen, stichtte de maatschappij ook beroepsopleidingen zoals het van 1823 tot 1859 geëxploiteerde 'Instituut voor de Landbouw' in Wateren en de 'Gerard Adriaan van Swieten' tuinbouwschool en bosbouwschool in Frederiksoord en de 'Gerard Adriaan van Swieten' landbouwschool in 1884 in Willemsoord. De stichting van deze scholen werd mogelijk gemaakt door een schenking van de oud-majoor der cavalerie, F.H.L. van Swieten.[3]. De tuinbouwschool is november 2005 verhuisd naar Meppel.

Kolonisten konden als beloning voor vlijtigen arbeid en goed gedrag een koperen, zilveren of gouden medaille verkrijgen, met daaraan een jaarlijks geldbedrag verbonden van respectievelijk 2,5, 5 en 10 gulden. Wie kon aantonen, dat hij van de opbrengst van zijn land en vee voldoende kon bestaan verkreeg de zilveren of gouden medaille en kon bevorderd worden tot pachter of vrijboer. De aanstelling tot wijkmeester of plaatsing als hoevenaar op een der grote boerderijen bij Ommerschans of Veenhuizen was vervolgens een lonkend perspectief.[4]

Desperado-kolonies[bewerken]

Sommige, vooral jongere - uit de kolonie weggestuurde kolonisten vestigden zich in de directe omgeving in haastig gebouwde plaggenhutten en vormden de zogenaamde desperado-kolonies zoals in Nijensleek, Vledderveen, Noordwolde-Zuid of Marijenkampen (bij Steenwijk). [5]

Armoedebestrijding in de negentiende eeuw[bewerken]

Nederland was in het begin van de negentiende eeuw, na de Franse overheersing, sterk verarmd. Veel gezinnen leefden in de steden en op het platteland in kommervolle situaties. Het is de verdienste van Johannes van den Bosch geweest, dat hij dit probleem onderkende en dat hij ook daadwerkelijk stappen ondernam om te trachten armoede uit te bannen. Uiteindelijk leed zijn project schipbreuk, omdat hij vanwege de tegenvallende opbrengsten steeds weer geld moest lenen om de kolonies in stand te kunnen houden.

Voor de kolonisten betekende plaatsing in de zogenaamde “vrije kolonies” een geweldige ingreep in hun leven. Velen werden vanuit de grote stad ‘overgeplant’ in een voor hen vreemde omgeving als het Drentse platteland. Sommigen wisten zich goed te redden, maar anderen keerden weer graag terug naar de plaats van herkomst.

De kolonist Pieter Arends vond dat het leven in de kolonie hem mooier was voorgespiegeld dan het in werkelijkheid was. Toen hij hierover zijn beklag deed in een brief aan zijn zuster kwam dit de leiding van de kolonie ter ore. Het kwam hem op een flinke schrobbering van de directeur van de kolonie (Benjamin van den Bosch, broer van Johannes) te staan, die geen goed woord voor hem over had en hem "een grote domme luiaard' noemde. Uiteindelijk wist Arends toch de positie van vrijboer in Ommerschans te bereiken.[6]

Kritiek op de kolonies[bewerken]

Het initiatief van Johannes van den Bosch werd het sterkst bekritiseerd vanuit conservatief christelijke hoek. Met name de Réveil-beweging was van oordeel dat de mens niet mocht ingrijpen in de door God beschikte ordening. Dirk van Hogendorp, leerling van Willem Bilderdijk, die met zijn vriend Jacob van Lennep de kolonies bezocht, was van mening dat de Maatschappij van Weldadigheid, omdat ze niet godsdienstig was, wel ten onder zou moeten gaan. Ook Isaac da Costa en Ottho Gerhard Heldring waren felle bestrijders van de ideeën van Van den Bosch. Naar hun opvatting maakten armen en hulpbehoevenden deel uit van de samenleving, opdat rijken en welgestelden hun barmhartigheid konden betonen als blijk van christelijke naastenliefde.

Strafkolonies[bewerken]

Veenhuizen (tweede gesticht), thans museum

In Veenhuizen en Ommerschans werden strafkolonies opgericht. Hier werden landlopers en bedelaars opgesloten en aan het werk gezet. Maar ook kolonisten konden hier terechtkomen, bijvoorbeeld als straf voor drankmisbruik, ontucht, verkwisting, brutaliteit of desertie. In 1859 werden de kolonies overgenomen door de Nederlandse staat. In 1890 werd Ommerschans gesloten. Veenhuizen is tegenwoordig een gewone gevangenis.

Van 1896 tot 1901 werd in Veenhuizen de signalementskaart ingevoerd. De bedenker van dit systeem was de Fransman Alphonse Bertillon (1853-1917). Hij was van mening, dat op basis van nauwkeurige lichaamsmetingen de identiteit van het individu vastgelegd kon worden. Op dit eenvoudige theoretische principe bouwde Bertillon een gecompliceerde identificatie methode, waarin lichaamsmetingen centraal stonden. Omdat het menselijk individu niet in getallen alleen te vangen is, waren aanvullende beschrijvingen op deze signalementskaart noodzakelijk. [7]

De Zuidelijke Nederlanden[bewerken]

In navolging van de Drentse kolonies werden ook in de Zuidelijke Nederlanden soortgelijke initiatieven ontplooid. In Wortel werd in 1822 een vrije kolonie en in 1825 in Merksplas een onvrije kolonie opgericht door Johannes van den Bosch. De kolonie van Wortel is na de Belgische Revolutie geheel afgebroken. Op deze locatie werd in 1881 een landlopersgesticht gevestigd, dat nog beperkt als zodanig dienst doet. De kolonie van Merksplas is thans een strafinrichting en een centrum voor uitgeprocedeerde asielzoekers.[8]

Tegenwoordig[bewerken]

In de 20e eeuw werden voor onmaatschappelijken woonscholen opgericht, die zich juist wel in de grote steden bevonden.

De Maatschappij van Weldadigheid is omgevormd tot een stichting, die zorg draagt voor het beheer van 1400 hectare cultuur- en bosgrond, waaronder het Landgoed Boschoord van het Nationaal Park Drents-Friese Wold.[9] In het museum De Koloniehof in Frederiksoord laat de Maatschappij zien wat het leven in de koloniën inhield. Er is een database met daarin opgenomen de personen die als kolonisten of als beambten in de koloniën hebben gewoond en gewerkt. In Veenhuizen is het Nationaal Gevangenismuseum gevestigd in een voormalig werkgesticht aan de Oude Gracht 1.

Literatuur[bewerken]

  • Westendorp Boerma, Dr. J.J. Johannes van den Bosch als sociaal hervormer, de maatschappij van weldadigheid uitg. P. Noordhoff, Groningen, 1927 (ook uitgegeven als proefschrift door Ipenbuur & van Seldam, Amsterdam, 1927)
  • Kloosterhuis, C.A. De bevolking van de vrije koloniën der Maatschappij van Weldadigheid uitg. De Walburg Pers. Zutphen, 1981, ISBN 90-6011-026-9
  • Berends, R. (et al.) Arbeid ter disciplinering en bestraffing: Veenhuizen als onvrije kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid 1823-1859 uitg. De Walburg Pers. Zutphen, 1984, ISBN 90-6011-327-6 (hierin opgenomen De koloniën van weldadigheid te Ommerschans en Veenhuizen, naar waarheid geschetst door T.L. Hoff uit 1839)
  • Schackmann, Wil De proefkolonie uitg. Mouria, Amsterdam, 2e druk 2008, ISBN 978-90-458-0061-5
  • Jansen, Suzanna Het pauperparadijs: een familiegeschiedenis uitg. Balans, Amsterdam, 31e druk 2010, ISBN 978-94-6003205-9
Noten
  1. Westendorp Boerma, blz. 85
  2. Schackmann, Wil De proefkolonie, vlijt, vaderlijke tucht en het weldadig karakter onzer natie, Amsterdam 2006 ISBN 90 458 4854 6
  3. Encyclopedie Drenthe Online
  4. Westendorp Boerma, blz. 139 t/m 141
  5. Zie bijvoorbeeld: de levensbeschrijving van Johannes Mooij
  6. Archieven Maatschappij van Weldadigheid, toegangsnummer 0186, inv. nr. 50
  7. Informatie Drents Archief
  8. Gevangenismuseum Merksplas: Het "Hollands project" mislukt en De gevangenis van Merksplas
  9. Landgoed Boschoord