Kangoeroes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Macropodidae)
Ga naar: navigatie, zoeken
Kangoeroes
Bennettwallaby (Macropus rufogriseus)
Bennettwallaby (Macropus rufogriseus)
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Diprotodontia (Klimbuideldieren)
Familie
Macropodidae
Gray, 1821
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Kangoeroes (Macropodidae) zijn een familie van buideldieren die voorkomen in Australië en Nieuw-Guinea. Daarnaast zijn ze ingevoerd op Hawaï en in Engeland en Nieuw-Zeeland.

De naam Macropodidae betekent "grootpotigen", wat verwijst naar hun enorme achterpoten. Deze achterpoten stellen de soorten in staat om grote sprongen te maken. Verder hebben de dieren een lange, gespierde staart. Het vrouwtje heeft een buidel, waarvan de bovenkant open is. Het zijn over het algemeen grazers. De grootste soort is de rode reuzenkangoeroe (Macropus rufus), waarvan de mannetjes 80 kilogram kunnen wegen. De grijze reuzenkangoeroe (Macropus giganteus) wordt ongeveer even groot. Bij de geboorte zijn kangoeroes doorgaans niet groter dan 2 centimeter in diameter.

In Australië maakten de Aboriginals eeuwenlang jacht op de kangoeroe voor de vacht en vlees. Dit had weinig gevolgen voor de populatie. De komst van Europeanen had echter een grote invloed op de kangoeroes. Ze vernietigden grote delen van hun leefgebied om ruimte te maken voor onder meer schapen en akkerbouw en introduceerden uitheemse zoogdieren zoals vos, kat, hond en konijn. Enkele (vooral kleinere) kangoeroesoorten stierven uit, maar het aantal reuzenkangoeroes nam toe. Door het vernietigen van bossen ontstonden grote grazige gebieden die uitermate geschikt waren voor reuzenkangoeroes. Deze worden vaak als een plaagsoort gezien, omdat ze gras eten waarvan ook productiedieren moeten leven. Ze worden daarom door boeren in groten getale afgeschoten. Ook de toename van de vraag naar kangoeroevlees en -leer draagt hieraan bij.

Tanden[bewerken]

Kangoeroes hebben tanden ontwikkeld die gespecialiseerd zijn om te grazen. Voorin zitten de snijtanden om gewassen dicht bij de grond af te snijden en kiezen voor het hakken en malen van het gras. De siliciumdioxide in het gras is schurend waarbij de voorste kiezen het meeste lijden, de nieuwe maaltanden (molaren) ontstaan in het lamina dentalis en groeien aan de achterkant aan en schuiven steeds een plaats op tot ze de voorste zijn, waarna ze uitvallen om weer plaats te maken voor een nieuwe tand.[1] Dit proces staat bekend als polyphyodontie en komt onder andere zoogdieren enkel voor bij olifanten en lamantijnen.

Terminologie[bewerken]

Het woord 'kangoeroe' is afgeleid van 'gangurru' wat in het Guugu Yimidhirr 'zwarte kangoeroe' betekent. De naam is voor het eerst opgetekend op 4 augustus 1770 door luitenant James Cook aan de oever van de Endeavourrivier, niet ver van het huidige Cooktown. Het Guugu Yimidhirr is de taal die gesproken wordt door de oorspronkelijke bevolking van de streek.

Volgens een wijdverspreide mythe komt het woord kangoeroe van 'kagoroo' wat in het Guugu Yimidhirr ik versta je niet zou betekenen. Volgens die legende waren luitenant James Cook en de natuurkundige Sir Joseph Banks de streek aan het verkennen toen ze het dier zagen. Ze vroegen aan een inboorling wat de naam was van het dier. Die antwoordde: kagoroo. Zo zou de Engelse naam 'kangaroo' voor het dier zijn geboren. In de jaren zeventig heeft de antropoloog John Beard Haviland dit verhaal ontkracht nadat hij onderzoek deed bij het Guugu Yimidhirr volk.[2]

Soorten[bewerken]

Er zijn zo'n 50 soorten in 11 geslachten:

Enkele bekende kangoeroesoorten zijn:

Een fossiele soort is onder andere de Watutia.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties