Magna Frisia

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Magna Frisia
 Germanië ca. 500–734 Frankische Rijk 
Kaart
Vroege 8e eeuw
Vroege 8e eeuw
Algemene gegevens
Talen Oudfries
Religie(s) Germaans heidendom
Munteenheid Sceatta
Regering
Regeringsvorm Federatie van stammen
Staatshoofd Koning(en)

Magna Frisia is een moderne benaming voor het Friese rijk in de periode dat het op zijn grootst was (650-734). Dit rijk ontstond halverwege de 7e eeuw en eindigde met de slag aan de Boorne in 734 toen de Friezen door de Franken verslagen werden. Het werd bestuurd door koningen en liep van het Zwin bij Brugge in België tot aan de Wezer in Duitsland. Het centrum van de macht was de stad Utrecht. In de middeleeuwse geschriften wordt het gebied aangeduid onder de Latijnse benaming Frisia. Er staan echter veel vraagtekens bij de omvang van het rijk, er is geen bewijs gevonden van een permanent centraal bestuurd koninkrijk.[1] Mogelijk bestond Frisia uit meerdere koninkrijkjes, die in tijd van oorlog tot een eenheid werd gevormd om weerstand te kunnen bieden tegen invallende mogendheden, en dat dan onder leiding van een gekozen leider, de primus inter pares.[2] Er bestond onder de Friezen in die tijd geen feodaal systeem.

Inleiding[bewerken]

Aangenomen wordt dat de Friezen al in de vroege Romeinse tijd (1e eeuw na Chr.) met een vreedzame expansie in zuidwaartse richting langs de Noordzeekust waren begonnen, die misschien zelfs tot diep in Vlaanderen en Engeland reikte. Dit zou een spontaan proces geweest moeten zijn, wars van de Romeinse dominantie in het gebied, zonder politieke sturing door een gecentraliseerd gezag.

Een centraal bestuurd koninkrijk ontstond pas toen Friesland na de ineenstorting van het Romeinse Rijk plotseling een centrale ligging bleek te hebben tussen de opkomende Germaanse koninkrijken van de Franken, Angelsaksen en de Scandinaviërs op de Noordwest-Europese handelsroutes. Deze positie werd vanaf ongeveer 550 versterkt door het verbreken van de Noord-Zuidroute tussen Oostzee en de Middellandse Zee door de inval van Slavische volkeren in Oost-Europa. Vanwege hun waterrijke land, waar vrijwel al het verkeer traditioneel over water moest gebeuren, hadden de Friezen al een uitstekende ervaring met de scheepvaart. Handel en vruchtbare grond maakten het gebied echter ook aantrekkelijk voor het opkomende Frankische Rijk, waarmee dan uiteindelijk aan alle voorwaarden werd voldaan om tot de consolidatie van een weerbare territoriale eenheid te komen. Er vormde zich een koningshuis van regionale machtsbetekenis, waarvan de koningen Aldgisl en Radbod bekend zijn.

Dit Friese rijk bleef in stand tot circa 719, toen een groot deel van Friesland werd ingelijfd bij het Frankische rijk. Het Friese wetboek dat na de uiteindelijke volledige verovering van Friesland in opdracht van Karel de Grote werd samengesteld laat het Friese grondgebied van de Sincfal (gewoonlijk opgevat als Het Zwin) tot aan de Wezer lopen. In dit wetboek werd het oude Friese gewoonterecht vastgelegd.

Ontstaan van het koningschap[bewerken]

Friese sceatta uit circa 710- 735

Evenals dit bij andere Germaanse volken de norm was, hadden de Friezen in het begin stamhoofden als leiders. Deze leiders werden vooral gekozen op grond van hun kwaliteiten, maar later zou ook de afkomst een rol gaan meespelen. Verder was het gebruikelijk dat in tijden van oorlog er een stamhoofd als krijgsheer werd aangewezen. Deze gekozen krijgsheer werd ook wel hertog genoemd en was aanvoerder zolang de oorlog duurde.

Het belangrijkste kenmerk voor het ontstaan van het koningschap bij de Germaanse volken was evenwel de aanwezigheid van een centraal gezag en een klasse van edelen. Bij de Friezen was dit later het geval dan bij hun buurvolken die zich in het Romeinse Rijk vestigden. Pas op het eind van 6e eeuw was in het Fries-Gronings terpengebied sprake van een dergelijke situatie.

De macht van deze gezaghebber, politiek leider of koning werd bepaald door het aantal mensen dat hij door het geven van geschenken aan zich binden kon. Daarom waren de grenzen van zijn koninkrijk flexibel en gaven deze de reikwijdte aan van zijn netwerk van persoonlijke relaties. Behalve politieke macht had de Friese koning ook sacrale macht. Hij speelde een belangrijke rol in de religie. Verder bestond het Friese gebied evenals dit in de Angelsaksische wereld het geval was, uit voornamelijk meerdere kleine politieke eenheden elk met een eigen politieke leider als koning.

De eerste Friese koningen moeten daarom vooral beschouwd worden als krijgsheren, die tijdelijk aangesteld werden door de lokale machthebbers om weerstand te bieden aan de bedreiging die uitging van andere volken. Bij de Friezen was deze vooral afkomstig van hun buurvolk de Franken.

Uitbreiding van het Friese Rijk[bewerken]

Het Friese koninkrijk dat in de loop van de 6e eeuw steeds meer gestalte kreeg was eerst voornamelijk een federatie van stammen die door een centraal gezag verbonden waren. In die tijd viel de delta van de Rijn en Maas nog onder de Frankische invloedssfeer. De Friese koningen die een macht van betekenis werden, kregen belangstelling voor dit gebied en onder de voorgangers van koning Aldgisl vond er een Friese machtsuitbreiding plaats naar het hart van Nederland. Historici denken dat vooral noordelijk Westergo in aanmerking komt als kerngebied waar de Friese koningen oorspronkelijk vandaan komen.

Maar niet alleen de Friezen hadden belangstelling, ook de Franken bleven geïnteresseerd en omstreeks 630 werd het gebied zuidelijk van de Oude Rijn op de Friezen veroverd door de Frankische koning Dagobert I. Deze Franken brachten het christelijk geloof mee naar deze contreien en bouwden in Utrecht een kerk. Na het bewind van koning Dagobert konden de Franken zich hier niet langer handhaven en viel het rivierengebied weer in Friese handen (650). Onder de Friese koning Radbod zou het Friese Rijk in het begin van de 8e eeuw zijn grootste uitbreiding krijgen. Volgens Jaekel strekte Radbod’s rijk zich uit over heel Frisia, van Zwin tot Wezer, maar tegenwoordig menen de historici dat zijn macht zich beperkte tot het Midden-Nederlandse rivierengebied en delen van Holland. Het is dus evengoed mogelijk dat Poppo een locale heerser was die los van Redbad een deel van het Friese territoria (het huidige Friesland) beheerste. [3].

Koningen[bewerken]

Audulf[bewerken]

Koning Audulf had omstreeks 600 zijn machtsbasis vermoedelijk in Westergo. Audulf is alleen bekend door de munten die gedurende zijn heerschappij werden geslagen. Deze munten worden gedateerd tussen circa 600 en 630. De inscriptie Victoria op de gevonden munten zou erop kunnen duiden dat onder zijn heerschappij de Friezen succesvol zijn geweest in de strijd tegen de Franken.

Aldgisl[bewerken]

Koning Aldgisl regeerde over het centraal rivierengebied in de huidige provincies Holland en Utrecht. Hij zetelde waarschijnlijk in Dorestad of Utrecht[4][5][6] en volgens sommige historici liep zijn rijk van de Zwin (bij Brugge) tot en met de Wezer. Onder zijn bewind kregen de Friezen het opnieuw aan de stok met de Frankische hofmeier Ebroin. Daarbij was de beheersing van de oude Romeinse grensversterkingen de inzet van de vijandigheden. Aldgisl hield met zijn legermacht de Franken op een afstand. In de winter van 678 ontving Aldgisl de Engelse bisschop van York Wilfrid in Utrecht en gaf deze een goed onderkomen. Ongeveer 680 stierf deze koning en werd hij opgevolgd door Radbod, waarvan lange tijd is aangenomen dat die zijn zoon was.

Radbod[bewerken]

Onder koning Radbod hadden de Friezen vooral te maken met hofmeier Pepijn II, de nieuwe sterke man in het Merovingische rijk. In 690 verloor Radbod de slag bij Dorestad en kwam het gebied ten zuiden van de Oude Rijn in Frankische handen. De Franken sloten een verdrag met de Friezen en bezegelden dit met een huwelijk tussen Theudesinda, de dochter van Radbod en een zoon van Pepijn, Grimoald II. Na de dood van Pepijn in 714 keerde de situatie ten gunste van de Friezen. Radbod ging op oorlogspad en slaagde erin de verloren gebieden weer terug te veroveren. In 716 versloeg hij met zijn leger hofmeier Karel Martel in de Slag bij Keulen. Na de dood van Radbod raakte zijn opvolger de macht kwijt ten westen van het Vlie.

Poppo[bewerken]

De laatste Friese koning wiens naam we kennen was Poppo, die Radbod opvolgde toen deze in 719 stierf. Omstreeks 733 kreeg Poppo opnieuw te maken met een Frankische inval door hofmeier Karel Martel. Het Friese leger werd teruggedrongen naar Oostergo en het jaar daarop sneuvelde de koning tijdens de slag aan de Boorne. De Friezen verloren de slag en Friesland ten westen van de Lauwers werd ingelijfd in het Frankisch rijk.

Einde van het Friese rijk[bewerken]

De nederlaag had tot gevolg dat de gebieden ten westen van de Lauwers in Frankische handen vielen en alleen oostelijk hiervan hun zelfstandigheid behielden. Niettemin was het overgebleven gedeelte vooral een satellietstaat. Een opvolger van Poppo, een koning wiens naam we niet kennen, was in 748 verplicht om bijstand te geven aan hofmeier Pepijn de Korte toen deze oorlog voerde tegen de Saksen. Karel de Grote zou uiteindelijk in 772 ook aan dit laatste Friese staatje een einde maken.

Koninkrijk Friesland[bewerken]

De werkelijke omvang van Magna Frisia is niet met zekerheid aan te geven. Of er daadwerkelijk sprake was van een koning die macht kon uitoefenen over een koninkrijk, valt niet met zekerheid te zeggen. De meningen hierover onder historici zijn verdeeld. In de latere middeleeuwen werd het bestaan van een koninkrijk Friesland overigens wel als historisch feit aangenomen, om politieke redenen door de Bourgondische hertogen, met name Filips de Goede en Karel de Stoute. Zij zagen in het historische koninkrijk een mogelijkheid zichzelf een koningstitel te verschaffen om zo hun onafhankelijkheid tegenover de Franse koning en Duitse keizer te benadrukken. Onderhandelingen over een koningstitel met de keizer hebben uiteindelijk niet tot resultaat geleid.

Na de overmeestering door de Franken was het tot in de 12e eeuw gebruikelijk om het oorspronkelijke grondgebied van de Friezen met Frisia (Friesland) aan te duiden.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen

  • D.P. Blok (3de druk 1979), De Franken in Nederland, Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, ISBN 90-228-3739-4
  • Herre Halbertsma, (1982), Frieslands Oudheid (pdf-file)
  • Herre Halbertsma, (2000), Het rijk van de Friese Koningen, opkomst en ondergang, Utrecht.
  • W.A. van Es en W.A.M. Hessing (1994), Romeinen, Friezen en Franken, in het hart van Nederland, Utrecht
  • P. Pentz e.o. (2003), Koningen van de Noordzee.

Referenties

  1. http://www.rtvnoord.nl/artikel/artikel.asp?p=142164 en http://www.lc.nl/plus/magna-frisia-koninkrijk-der-fabelen-18031633.html Archeoloog Johan Nicolai denkt dat deze minder groot was dan men lange tijd dacht. Een permanent groot rijk is het volgens Nicolai waarschijnlijk nooit geweest, het bestond uit meerdere kleine koninkrijkjes langs de Noordzee kust. Zie ook het kaartje bij het artikel in de Leeuwarder Courant van 06-12-2014. Nicolai erkend dat er historici zijn die Frisia wel als een bestuurlijke eenheid zien en wil met zijn visie de discussie hierover aanzwengelen.
  2. Een machtig leider had meer mogelijkheden om zich te laten verkiezen dan een modaal leider, zodat de eerste onder de "gelijken" genuanceerd kan worden.
  3. W.A. van Es, Dorestad centred, in: J.C. Besteman, J.M. Bos en H.A. Heidinga (red.), Medieval Archaeology in the Netherlands, Studies presented to H.H. van Regteren Altena (Assen/Maastricht, 1990) pag. 151 - 182
  4. H. Halbertsma, blz. 792-793
  5. D.P. Blok, blz. 40 en 50
  6. W.A. van Es en W.A.M. Hessing, blz. 89-91