Mammoetwet
De Mammoetwet (officieel de Wet op het voortgezet onderwijs of WVO) is een Nederlandse wet die werd ingevoerd door de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen Jo Cals. De Mammoetwet trad in werking op 1 augustus 1968, maar werd in 1963 reeds door de Eerste Kamer aanvaard.
Inhoud |
[bewerken] Veranderingen
Door de nieuwe wetgeving werden de MULO, MMS en HBS afgeschaft en vervangen door de mavo (wat later vmbo is geworden), havo en vwo. Ook ontstond op dat moment het lager beroepsonderwijs LBO, later "voorbereidend beroepsonderwijs" (VBO) genoemd, om tot uitdrukking te brengen dat men eigenlijk een vervolgopleiding diende te volgen.
De meer vakgerichte opleidingen bleven behouden, en ook het gymnasium bleef bestaan, maar werd binnen het vwo naast het (nieuwe) atheneum geplaatst. Een opleiding zoals de huishoudschool, feitelijk een tijdelijke opvangplek voor meisjes om ze voor te bereiden op het huwelijk, verdween eveneens.
[bewerken] Doelstelling
De grondgedachte achter deze wet was dat elke leerling zowel een algemene als een beroepsopleiding zou moeten volgen. In deze periode volgden meer leerlingen dan voorheen na de basisschool een vervolgopleiding. Geheel in lijn met de tijdgeest streefde men ook naar meer democratisering van het onderwijs.[bron?]
Om het onderwijsideaal te realiseren dat elke leerling eenzelfde basis kreeg, werd een overbruggingsperiode ingevoerd, die brugklas genoemd werd. Pas na de brugklas moest de leerling kiezen voor de definitieve opleiding. Daarnaast werd het mogelijk om door te stromen naar andere opleidingen, om eventuele fouten bij de keus van een opleiding te kunnen rechtzetten.
Een leerling kon doorstromen van de mavo naar havo en van havo naar vwo – maar ook andersom. Dit was vroeger vrijwel niet mogelijk, bijvoorbeeld een doorstroom van MULO naar HBS sloot geheel niet aan. Deze wet was echter niet ontworpen om de sociale ongelijkheid te verminderen. Pas in de jaren zeventig kreeg dat thema meer aandacht.
[bewerken] Naam van de wet
De naam van de wet is te danken aan het ARP-kamerlid Anton Roosjen[1] die het er niet mee eens was. „Laat die mammoet maar in het sprookjesleven voortbestaan,” had deze gezegd. De term Mammoetwet werd zo een bijnaam voor de Wet op het voortgezet onderwijs.
[bewerken] Vakkenpakket
Bij de invoering van de Mammoetwet werd het aantal vakken voor het eindexamen sterk verminderd. Het examen vwo werd bijvoorbeeld beperkt tot 7 vakken, die oorspronkelijk veel dieper gingen dan de tot dan toe op bijvoorbeeld HBS of gymnasium gegeven vakken. Dit om de totale hoeveelheid leerstof min of meer gelijk te houden. Het examen voor de avondscholen deed het met een vak minder, daar werd het examen beperkt tot 6 vakken. Het examen werd op de avondscholen twee jaar eerder gehouden dan op de dagscholen. Een pakket zonder exacte vakken werd als eigenlijk te licht bevonden en daarom aangeduid met de term "pretpakket".
Vóór de invoering van de Mammoetwet moest iemand die een gymnasium-β examen wilde afleggen examen doen in
- Grieks, Latijn, Frans, Duits, Engels en Nederlands (bestaande uit drie losse onderdelen mondelinge boekbespreking, schriftelijk opstel, schriftelijk samenvatting);
- Natuurkunde, Scheikunde, Biologie, Wiskunde (bestaande uit drie losse onderdelen analytische meetkunde, goniometrie en stereometrie) (een van deze vakken werd vrijgesteld door loting)
Geschiedenis en aardrijkskunde waren geen eindexamenvakken, maar werden wel onderwezen tot de laatste klas.
Het gevolg van deze aanpassingen was dat de rangen en standen in het onderwijs verdwenen. In de loop van de tijd werd er steeds geknutseld aan de inhoud van de pakketten, o.a. mede onder invloed van leerlingenstakingen, met als resultaat dat het niveau van het onderwijs, volgens menigeen, aanzienlijk daalde[2].
[bewerken] Ontwikkelingen vóór de invoering van de Mammoetwet
Al kort na de tweede wereldoorlog waren er voornemens geweest om het onderwijs te vernieuwen. De pedagoog Kees Boeke vond dat vernieuwing nodig was en werd gesteund door de toenmalige minister van onderwijs Gerardus van der Leeuw, die in 1946 de Vernieuwingsraad instelde. Dit liep door tegenstand vanuit het onderwijs op niets uit. In 1951 kwam minister Rutten met een Onderwijsplan. Hij wilde een "Algemene Middelbare School" invoeren die vier jaar zou duren[2].
[bewerken] Ontwikkelingen na de invoering van de Mammoetwet
Een andere onderwijsminister, Jos van Kemenade kwam dan ook in 1975 met een nieuw hervormingsplan, de middenschool, waar leerlingen van alle niveaus bij elkaar zouden zitten. Dit plan haalde het echter niet, ondanks enkele experimenten.[3]
Ondanks alle goede bedoelingen had de Mammoetwet niet het gewenste effect. De opleidingen van het LBO sloten niet goed aan op het mbo en op de arbeidsmarkt. Om dit 'gat in de Mammoetwet' op te lossen werd het Kmbo (Kort Middelbaar BeroepsOnderwijs) ingevoerd.[4]
Het bleek al snel dat het concept van de brugklas niet werkte. Het niveauverschil tussen de leerlingen die van de basisschool kwamen was te groot. De brugklas werd in 1992 wettelijk vervangen door de basisvorming en die werd in 1993 ingevoerd.
In 1999 ontstond het vmbo uit de mavo en het vbo. Het misverstand is geweest, dat de mavo daarmee werd afgeschaft. Die is echter nooit uit de wet verdwenen en dat is ook de reden waarom er naast de theoretische leerweg van het vmbo steeds categoriale mavo's zijn gebleven. Dit is echter vooral een naamkwestie. Deze mavo's geven vmbo-tl onderwijs, nemen vmbo-tl examens af en reiken vmbo-tl diploma's uit.
[bewerken] Trivia
Na verloop van tijd raakten de nieuwe afkortingen havo, vwo etc. ingeburgerd en werden deze, na een spellingwijziging, niet meer met hoofdletters geschreven.
[bewerken] Referenties
| Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Wet op het voortgezet onderwijs op de Nederlandstalige Wikisource. |