Manicheïsme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Manicheese priesters aan schrijftafels, voorzien van tekst in het Sogdisch. Manuscript uit Khocho (Tarimbekken).

Het manicheïsme is een oude religie, gesticht door Mani (216-276) in het oude Perzië. Deze religie had ooit grote aanhang, maar is nu uitgestorven.

In het door Mani verkondigde religieuze stelsel, dat beïnvloed was door de joods-christelijke sekte van de elkesaieten, misschien ook door het mandaeïsme, het gnosticisme en andere richtingen, werd een algehele tegenstelling geleerd tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad, tussen ziel en stof. In dit gnostisch dualisme zag Mani zich als de door Jezus beloofde definitieve openbaarder. Mani vroeg van zijn aanhangers strenge ascese en vegetarisme. Via redelijk denken kon de ziel terugkeren naar het licht. Er was een uitgebreide mythologie, maar de vraag naar het kwaad werd niet beantwoord.

Ontstaan van het manicheïsme[bewerken]

De wereldreligie van Mani was een van de grootste religieuze stromingen naast het zoroastrisme en het christendom. Mani stelde dat Lao Tse, Boeddha, Zarathustra, Hermes Trismegistus, Plato en Jezus boodschappers van God waren en hijzelf de beloofde verlosser. Het manicheïsme pakte diverse elementen uit verschillende godsdiensten op en wordt daarom soms als een syncretistische godsdienst gezien. Zo kon het zich goed aanpassen aan zijn omgeving; aan de oostelijke grens van het Romeinse Rijk namen christelijke elementen een grote plaats in terwijl in India deze vrijwel geheel verdwenen en daarvoor in de plaats andere, meer boeddhistische elementen opdoken.

Leer[bewerken]

Het manicheïsme is de eerste grote synthese van de wereldreligies geweest en het is waarschijnlijk daardoor dat het manicheïsme in korte tijd een wereldreligie is geworden van de Atlantische tot aan de Stille Oceaan. Naar gelang de regio waar het manicheïsme zich ontplooide, kon de plaats van Jezus ook worden ingenomen door Boeddha, Marcion, Zarathoestra of anderen.

In de manicheïstische levensbeschouwing staat een goddelijk rijk van het Licht tegenover het rijk van de Duisternis (dualisme). Beide machten zijn in onderlinge strijd verwikkeld, waardoor delen van het Licht door de Duisternis zijn "gevangen" en in de wereld ingesloten zijn. Doel is om het Licht te bevrijden. Wanneer levende wezens gedood worden, zelfs wanneer fruit geplukt wordt, wordt het Licht verwond en de gevangenschap ervan in de wereld verlengd. Voortplanting draagt eveneens bij aan het lijden van de substantie van het Licht.

De eschatologie van het manicheïsme bestaat uit een komende Laatste Oordeel, waarin Licht en Duisternis voor eeuwig van elkaar gescheiden worden.

Ethiek[bewerken]

Bevrijding van het Licht betekent voor manicheïsten dat de gevangenschap ervan beëindigd moet worden. Een hoofdrol in die bevrijding spelen de Electi, de uitverkorenen. Zij vermijden alles wat schade kan toebrengen aan het gevangen Licht door een strenge ascese, het oefenen van seksuele onthouding en het vermijden van arbeid (zoals het snijden van groente en plukken van fruit). Voor de verzorging van de electi zijn de auditores, de toehoorders, verantwoordelijk. De electi hielden zich vooral bezig met verkondiging, pastorale zorg, astrologie, missionering en waarzeggerij. De verdeling in twee soorten gelovigen vormde de basis voor een strak hiërarchisch georganiseerde manicheïstische "kerk".

Het manicheïsme kent onder meer het begrip van reïncarnatie, hoewel deze reïncarnatie soms uitsluitend voorbehouden lijkt aan de persoon van Jezus. In de meeste onderzoeken naar het manicheïsme wordt reïncarnatie echter ook beschouwd als een noodzaak om van toehoorder op te klimmen naar uitverkorene.

Hiërarchie[bewerken]

Uit de Codex Mani is bekend dat Mani zijn beweging strak organiseerde. Hij zelf stond aan het hoofd als Archegós (aanvoerder) met twaalf leraren. Verder kende het 70 bisschoppen, waarschijnlijk gebaseerd op de betreffende passage uit het Lucas-evangelie alsook 360 presbyters. De gehele manicheïstische hiërarchie bestond uit electi en nam besluiten op regelmatig gehouden synodes. De inspiratie voor deze straffe organisatie was waarschijnlijk afkomstig van Marcion.

Canon van Mani[bewerken]

De manicheïsten beschikten over eigen kloosters, waarin heilige geschriften werden geschreven en gekopieerd. Net als Marcion stelde ook Mani zijn canon samen, die een aantal boeken omvatte, echter slechts gedeeltelijk bewaard (zie Arzhang) zijn gebleven:

  1. Het Levende Evangelie;
  2. de Schat van het Leven;
  3. de Pragmata;
  4. het Boek van de Mysteriën;
  5. het Boek van de Giganten;
  6. de Brieven;
  7. Psalmen en Gebeden;
  8. Kephalaia (spreuken van Mani).

Verspreiding[bewerken]

Aanvankelijk kende deze gemeenschap een grote bloei, tot ver buiten de grenzen van het Perzische rijk, mede door de inzet van de toenmalige heerser Shapoer I. Na de dood van deze laatste gooide diens opvolger Bahram I het roer om. Op instigatie van de priesterkaste van de Perzische 'magiërs', die zich als vertegenwoordigers van de inheemse religie beschouwden, nam Bahram I Mani gevangen. Mani stierf uiteindelijk rond 276 de marteldood in de kerker. De aanhangers van Mani werden vanaf dan vervolgd en de oorspronkelijke inheemse godsdienst werd opnieuw ingevoerd als "staatsgodsdienst".

Omdat deze vervolging door de Perzen tot aan het begin van de Arabische overheersing zou aanhouden, was het gevolg dat de manicheïsten uitweken naar andere streken. Op deze manier kwamen hun aanhangers in de 3e en 4e eeuw terecht in Egypte en Syrië en in het Romeinse Rijk (Noord-Afrika, Spanje, zelfs tot in Rome). In het westen stierf het manicheïsme in de 6e eeuw uit, maar restanten van hun denkbeelden bleven bewaard onder de Bogomielen. Aan het begin van de 8e eeuw ontstond in China een manicheïstische kerk en tussen 762 en 840 was het staatsgodsdienst in het Oeigoerenrijk, waar het eerst definitief in de 13e eeuw zou verdwijnen.

Concurrent van het christendom[bewerken]

Het manicheïsme is niet ontstaan uit het christendom, maar wel in een vergelijkbare historische en geografische context. Het werd pas een concurrent van het christendom nadat christendom staatsgodsdienst was geworden. In de 4e eeuw bood het manicheïsme de gegoede burgerij van Rome de mogelijkheid om de keizerlijke anti-heidendomwetgeving te omzeilen en de godsdienst van Mani als "christendom van een hogere orde" te omhelzen. Het manicheïsme kende namelijk twee rangordes van gelovigen, de electi en auditores (toehoorders). Waar de eersten ascese moesten oefenen, mochten de laatsten hun wereldlijke levensstijl handhaven.

Bestrijding[bewerken]

Tot in de Middeleeuwen werden dualistische ideeën vaak ongenuanceerd als manicheïsme afgedaan. Zo had rond 1150 de kerk de indruk dat de Albigenzen of Katharen manicheïstische ideeën predikten, hoewel rechtstreekse invloed op het dualisme van de katharen alleen werd uitgeoefend door de opvattingen van de bogomielen.

Invloed[bewerken]

Augustinus was negen jaar toehoorder bij het manicheïsme, aan de ascese deed hij niet mee omdat hij geen van de electi was. Uiteindelijk werd hij een van de fanatiekste bestrijders van het manicheïsme. Zijn protologie is in uiteenzetting met het manicheïstische materialisme ontstaan.

Waarschijnlijk heeft het manicheïsme en de door deze religie gepropageerde vijandigheid jegens al het lichamelijke invloed uitgeoefend op het ontstaan van het oosters monachisme.