Manschap

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Roland vouwt zijn handen ten teken van manschap aan Karel de Grote; uit een manuscript van een chanson de geste

Manschap (Middelnederlands: manscap) of manheid is de term voor het vazal zijn van een leenheer. Van deze hoofdbetekenis zijn verschillende andere betekenissen afgeleid. Zo kan manschap ook de eed van trouw zijn die een vazal zwoer aan zijn leenheer, de jaarlijkse verplichtingen die de vazal aan zijn leenheer moest nakomen of de gezamenlijke vazallen van een leenheer.[1][2]

Toen het Frankische Rijk in de Karolingische tijd te groot was geworden en de koning te veel rond zou moeten reizen om het contact met zijn rijk niet te verliezen, begon hij aan sommige aanzienlijken (vooral uit zijn garde) een leengoed te geven om het in zijn plaats te besturen.

Omdat zo ongeveer heel Europa al veroverd was, verminderde het aantal oorlogen in die tijd, zodat de koning minder buit te verdelen had onder zijn garde. Die moest nu op een andere manier tevreden gehouden worden.

Deze mensen werden zijn leenmannen of vazallen: de graven, de hertogen, de prins-bisschoppen en de vorst-abden. Later werden de vazallen geselecteerd uit de groep pleegkinderen rond de koning. De koning zou zijn leenman beschermen en de leenman legde een eed (foedus) af dat hij het gebied in naam van de koning zou regeren en dat hij de koning in geval van oorlog zou komen helpen met zijn mannen. De vazallen speelden een belangrijke rol bij het aan de macht komen en blijven van de Karolingers. Karel de Grote vond deze hechte banden van man tot man belangrijk voor zijn rijk en breidde het aantal vazallen sterk uit. Deze functie was toen nog niet erfelijk.

De koning stelde zich op als de pleegvader van zijn vazal die zich vrijwillig in zijn dienst had gesteld. Door zijn gevouwen handen in de handen van de koning te leggen gaf de vazal zich aan hem over als een kind aan zijn vader, een onderworpen kind dat dankbaar door de koning werd beschermd en zelfs werd gevoed. De openbare dienstbaarheid was daarmee veranderd in een vorm van privé vriendschap of familieband.

Het woord vazal zou afkomstig zijn van het Keltische woord 'gwas' dat "jonge slaaf" betekent. In een ceremonie vouwden de jongeren (juniores) hun handen die de oudere (seniorem) omsloot met zijn handen. Ze waren nu 'in zijn hand', of mundeburnium.[3] De jongere was daarmee het bezit van zijn heer geworden en de heer zou hem beschermen. Er zou een magische kracht van de heer naar de jongere vloeien die hem zou bezielen.

Noten[bewerken]

  1. "Manscap", in: Middelnederlandsch Woordenboek
  2. "Manscap", in: Vroegmiddelnederlands Woordenboek
  3. Mundeburnium