Manyoshu

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nukata no Ōkimi, een kopie van het eerste volume

De “Manyōshū” (万葉集, Manyōshū, te vertalen als “Verzameling van tienduizend bladeren”) is de oudste collectie van Japanse gedichten in de Japanse geschiedenis. De bloemlezing is gecompileerd rond het jaar 759 tijdens de Nara periode. Het is ook de enige Japanse bloemlezing die een verzameling is van poëtische vruchten van het hele volk, omdat de kloof die later de aristocratie van het gewone volk scheidde, nog niet zo groot was. De titel kan echter ook geïnterpreteerd worden als “Verzameling van tienduizend tijdperken”.

Het tot stand komen van de Manyōshū[bewerken]

In tegenstelling tot latere Japanse bloemlezingen kwam de Manyōshū niet tot stand op keizerlijk bevel, maar op privé-initiatief. Vermoedelijk gaf een aristocratische mecenas aan enkele dichters de opdracht om de beste gedichten in één collectie te verzamelen. Veel mensen aanvaarden Otomo no Yakamochi als samensteller of de laatste uit een reeks van samenstellers, maar historici hebben hier een verdeelde mening over.

Kenmerken[bewerken]

De bloemlezing is samengesteld uit twintig boeken waarin meer dan vierduizendvijfhonderd gedichten verwerkt zijn.

Thema’s[bewerken]

De opbouw van de collectie is gebaseerd op de indeling van de Chinese bundels, waardoor er drie grote thema’s aanwezig zijn.

  • Sōmonka, 相聞歌, dit zijn elegische verzen die als onderwerp de dood van een keizer of een dierbare hadden.
  • Banka, 挽歌 , dit zijn liefdesgedichten met voornamelijk uitwisselingen van liefde en verlangen.
  • Zōka, 雑歌 , dit zijn diverse onderwerpen waarbij de natuur, jacht en reisverlangen voornamelijk aandacht kregen.

De natuur was bij de zōka het meest geliefd bij de dichters. Het was prominent aanwezig en werd niet alleen gebruikt als decor, maar ook als uiting van hun eerbied voor de schoonheid van de natuur. Deze traditie stamde uit het shintō.

Periodes[bewerken]

De gedichten zijn opgedeeld in vier periodes. De vroege periode heeft de gedichten verzameld die hun oorsprong terugvonden in de prehistorische of legendarische tijden, die begonnen vanaf de regeerperiode van keizer Yūryaku (regeerperiode van 456 tot 479). Verder zijn hierbij ook de gedichten verzameld uit de regeerperiodes van keizer Yōmei (regeerperiode van 585 tot 587), keizer Saimei (regeerperiode van 594 tot 661) en keizer Tenji (regeerperiode van 668 tot 671). In de tweede periode, dat het einde van de zevende eeuw in beslag nam, lag de focus op de populaire dichter Kakinomoto no Hitomaro.

De derde periode bracht de gedichten bijeen vanaf het jaar 700 tot ongeveer 730. Het omvatte de gedichten van Yamabe no Akihito, Otomo no Tabito en Yamanoue no Okura.

Bij de laatste periode, de tijdsperiode tussen 730 en 760 , is de focus gelegd op de dichter Otomo no Yakamochi, die ook de gedichten bijeengebracht had.

Soorten gedichten[bewerken]

De Japanse dichters gebruikten geen rijm, omdat in het Japans alle lettergrepen op een klinker eindigen waarbij er geen onderscheid bestaat tussen beklemtoonde/onbeklemtoonde of lange/korte lettergrepen. Hierdoor hanteerden de dichters dus geen metrisch schema op basis van rijm. Als oplossing kozen ze voor een metrisch schema dat gebaseerd was op een aantal basislettergrepen. In tanka bijvoorbeeld werkten de dichters met 5-7-5-7-7 lettergrepen.

Tanka (短歌)[bewerken]

Een tanka is samengesteld uit 31 lettergrepen en is verder ingedeeld in 7 versregels. De eerste 3 versregels zijn geconstrueerd uit 5 – 7 – 5 lettergrepen en zijn ook bekend als de kami-no-ku of de bovenste zin. In de volgende 2 versregels van 7 lettergrepen is de eigen interpretatie van de dichter verwoord. Deze 2 laatste regels zijn ook bekend als shimo-no-ku of de onderste zin. Kenmerkend voor de tanka is de aanwezigheid van het seizoenswoord of kigo (季語).

Chōka (長歌)[bewerken]

Net zoals een tanka is een chōka eerst samengesteld uit een patroon van 3 regels met 5 – 7 – 5 lettergrepen. Hierna is het opgevolgd door een onbepaald aantal van 5 -7 lettergrepen waarbij de auteur zelf bepaalde hoe lang hij het gedicht maakt. Vervolgens is het gedicht afgesloten met een 7 – 7 patroon. Omdat de dichter zelf de lengte van het gedicht bepaalde, sloot hij soms af met meer dan één tanka. De langst bewaarde chōka is opgebouwd uit 151 versregels.

Bussokusekika (仏足石歌)[bewerken]

Bussokusekika zijn gedichten die gegraveerd zijn op het stenen monument ‘De voet van Boeddha’ in de Yakushi tempel in Nara. Deze gedichten zijn opgebouwd uit een patroon van 6 regels van 5 – 7 – 5 – 7 – 7 – 7 lettergrepen.

Renga (連歌)[bewerken]

Een renga is opgebouwd zoals een tanka, maar het is toegelaten om er meerdere onder elkaar te plaatsen. Dit is een samengesteld gedicht. Opmerkelijk is ook dat een renga geschreven is door meerdere dichters.

Specifiek woordgebruik[bewerken]

Aangezien de dichters geen gebruik maakten van rijm, waren ze heel creatief met de hantering van alliteratie, parallellisme en specifieke woorden. Bij het specifieke woordgebruik verkozen ze de volgende.

Kakekotoba (掛詞),een spilwoord[bewerken]

Dit is één van de stijlfiguren die de dichters hanteerden bij een tanka. Hierbij kozen ze om de fonetische leeswijze van een groep karakters te gebruiken om zo verschillende interpretaties te suggereren. Om de dubbele betekenissen extra in de verf te zetten, schreven ze het gedicht in hiragana. Het aantal dat in de Manyōshū teruggevonden is, is eerder beperkt.

Makurakotoba (枕詞), letterlijk vertaald als “hoofdkussen-woord”[bewerken]

Deze stijlfiguur benuttigden de dichters ook in een tanka en is in vergelijking met de kakekotoba meer teruggevonden in de Manyōshū. Hierbij kozen de dichters voor een woord dat ze voor een specifiek woord plaatsten. Door deze plaatsing moest het een bepaalde toon en gevoel aan het woord ervoor geven. Dit is te vergelijken met de versierende adjectieven, waarbij het adjectief door een klank, zintuiglijk gevoel, beeld enzoverder het substantief extra betekenis gaf.

Belangrijke auteurs[bewerken]

Aangezien de kloof die later de aristocratie van het gewone volk scheidde nog niet zo groot was, waren de auteurs afkomstig van verschillende soorten sociale klassen. Hierdoor is de bloemlezing een verzameling van werken geschreven door boeren, kooplui, handelaars, keizerlijke familie …

Van alle auteurs zijn er slechts 450 gekend, waardoor een groot deel dus anoniem is gebleven. Onder de gekende auteurs zijn er ook vrouwen in het gezelschap van de dichters vastgesteld. De vrouwen schreven niet zoals de mannen in het Chinees, maar dichtten in hiragana.

Ono no Komachi (小野 小町, ca. 825 – ca. 900)[bewerken]

Ono no Komachi getekend door Kikuchi Yōsai

Ono no Komachi was één van de bekendste vrouwelijke dichters van de Manyōshū. Over haar leven is niet veel geweten en de informatie die geweten is, is afkomstig van legendes. Ze schreef tanka en deze hadden meestal passionele liefde, eenzaamheid en angst als thema. Door deze terugkerende thema’s ontsproten tal van legendes over haar liefdesleven.

Ono no Komachi is samen met vijf andere dichters uit de midden van de negende eeuw opgenomen tot het groepje van de Rokkasen ( 六歌仙, letterlijk vertaald als “de zes onsterfelijke dichters”). Vervolgens noteerde Fujiwara no Kintō haar bij de Sanjūrokkasen (三十六歌仙, letterlijk vertaald als “de zesendertig onsterfelijke dichters”), een groepje die hij maakte van Japanse dichters uit de Nara, Asuka en Heian periode om als voorbeeld te stellen van het vermogen van de Japanse dichters.

Yamanoue no Okura (山上憶良, 660 – 733)[bewerken]

Over Yamanoue no Okura’s leven is niet veel gekend. Wel is geweten dat hij meeging met een gezantschap in 701 naar China en keerde in 707 terug naar Japan. Door zijn verblijf in China waren zijn gedichten sterk beïnvloed door deze missie en door de theorieën van Confucius. De thema’s die kenmerkend zijn voor zijn gedichten, waren kinderen en de gewone mens.

Yamabe no Akahito (山部赤人, 700 – 736)[bewerken]

Utagawa Kuniyoshi, Yamabe no Akahito

Yamabe no Akahito is bekend om zijn natuur - en landschapsgedichten, waarbij hij meer aandacht had voor de alledaagse en simpele natuur in plaats van bombastische of indrukwekkende natuurverschijnselen. Zo beschreef hij niet de reusachtige bergen of vulkanen , maar bv. de Kaguyama , een heuveltje van slechts 148 meter hoog. Hij is algemeen bekend als de specialist van de natuurgedichten en was één van de eerste professionele dichters van Japan.

Net zoals Ono no Komachi is hij opgenomen in de Sanjūrokkasen.

Kakinomoto no Hitomaro (柿本人麻呂, ca. 662 – 710)[bewerken]

Kakinomoto no Hitomaro’s werken zijn het meest prominent aanwezig in de Manyōshū. In totaal zijn er vierhonderdvijftig gedichten van hem opgenomen, waaronder ongeveer twintig chōka. Er zijn twee belangrijke thema’s terug te vinden.

Vooraleerst schreef Kakinomoto no Hitomaro als poëet aan het hof in opdracht van edellieden. Hierbij waren elegieën over de dood van leden van het keizershuis talrijk en bezong hij zonder het geringste voorbehoud het lof van de keizerlijke familie .Door zijn retorische verheerlijking van het keizerschap kregen zijn verzen een rituele dimensie. Hij verweefde in sommige van zijn chōka elegie, eulogie (lofzang) en liefdesgedichten op magistrale wijze met elkaar.

Hiernaast schreef hij gedichten waarin hij gebeurtenissen vanuit zijn eigen leven verwerkte. Hierbij gebruikte hij brede natuurvergelijkingen en slaagde hij erin zijn verzen af en toe een epische dimensie te geven. Net zoals Ono no Komachi en Yamabe no Akahito is hij opgenomen in de Sanjūrokkasen.

Ōtomo no Yakamochi (大伴 家持, ca. 718 – 5 oktober 785)[bewerken]

Ōtomo no Yakamochi was een Japanse politicus en dichter. Hij stamde af van de befaamde Ōtomo-clan[1], die krijgers en bureaucraten waren aan het Yamato-hof. Hij bekleedde onder andere de functie van chūnagon[2] (中納言). In 756 raakte hij betrokken in een gefaald complot tegen de Fujiwara-clan (藤原氏), wat meteen het einde van zijn politieke carrière betekende. Omdat hij verbanning van de hoofdstad vreesde, deed hij vanaf dat moment afstand van zijn achtergrond.

Zijn bijdrage aan de Manyōshū bestaat eruit dat hij het werk voor het grotendeel samenstelde. Hiernaast vulde hij de bloemlezing aan met ongeveer vijfhonderd zelfgeschreven gedichten. Hij schreef niet alleen gedichten voor de Manyōshū , maar transcribeerde, herschreef en moderniseerde verschillende oudere gedichten en folklore. Hierbij lag zijn sterkte niet in lyriek of originaliteit , maar eerder in de verdere perfectionering van de natuurgedichten.

Manyōgana (万葉仮名)[bewerken]

De taal waarin de Manyōshū geschreven is, is een oude vorm van de Japanse Kana[3]. Hierbij is gekozen voor het gebruik van de fonetische waarde van de kanji (shakuon, 借音, “het geleende geluid”) in plaats van de betekenis (shakkun, 借訓, “de geleende betekenis”). Aangezien veel kanji dezelfde uitspraak gekregen hadden, hield dit in dat verschillende kanji eenzelfde klank konden uitdrukken. Met als gevolg dat de dichters zo gepaste nuances konden toevoegen aan hun woorden.

Bronnen[bewerken]

  • バイリンガル日本史年表 Chronology of Japanese History. Bilingual Books. 英文日本大辞典。2005。
  • Keene, D. (1969) "The Manyoshu : the Nippon Gakujutsu Shinkokai translation of one thousand poems" . New York (N.Y.): Columbia university press, - LXXXII, 362 p.
  • De Bary, Wm. Theodore, ed. Introduction. The Manyoshu. New York: Columbia University Press, 1965.
  • Miner, Earl. An Introduction to Japanese Court Poetry. Stanford: Stanford University Press, 1968. 36-37.
  • Mostow, Joshua S. Pictures of the Heart. Honolulu: University of Hawai'i Press, 1996.
  • Hellemans, Karel, "Inleiding tot de Japanse cultuur", cursus gedoceerd in het kader van het vak 'Inleiding tot de Japanse cultuur', Katholieke Universiteit Leuven, Leuven, 1995.
  • Vande Walle, Willy, "Geschiedenis van Japan tot 1868", cursus gedoceerd in het kader van het vak 'Geschiedenis van Japan tot 1868', Katholieke Universiteit Leuven, Leuven, Cursusdienst Eoos Studentenvereniging Taal- & Regiostudies KULeuven, 2006.
  • Tooren, J. van. Tanka : het lied van Japan. Amsterdam: Meulenhoff, 1983.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. De Ōtomo-clan heerste aan het Yamato-hof in de zesde en zevende eeuw na Christus
  2. Vaak vertaald als "kanselier". Het was een positie in de dajō-kan , de vroege Japanse feodale overheid. Deze positie werd in 702 in de Taihō-hervormingen vastgelegd.
  3. Vermoedelijk vanaf de zesde eeuw in gebruik genomen.