Maria Sibylla Merian

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het portret van Merian Maria Sibylla op een bankbriefje van 500DM
Dit portret van een bejaarde vrouw, door Georg Desmarées,[bron?] is lang voor een portret van Merian aangezien, maar blijkt van Esther Barbara von Sandrart te zijn.
Pagina van haar werk, een Surinaamse pijlstaartvlinder
Plaat uit Erucarum Ortus

Anna Maria Sibylla Merian (Frankfurt am Main, 2 april 1647Amsterdam, 13 januari 1717) was een Duitse kunstenares en entomologe die planten en insecten bestudeerde en daar gedetailleerde tekeningen van vervaardigde. In haar publicaties gebruikte zij zelf nooit haar eerste naam Anna. Haar observaties en documentatie van de metamorfose van rupsen tot vlinders zijn een belangrijke, zij het niet algemeen bekende bijdrage aan de entomologie. Zij was voor zover bekend de eerste die de insecten tekende samen met de plant waar ze op gedijden.

Jeugd en huwelijk[bewerken]

Ze werd geboren in Duitsland als eerste kind uit het tweede huwelijk van kunstenaar en uitgever Matthäus Merian der Ältere, en Johanna Sibylla Heim, en groeide daar op. De familie was kosmopolitisch: haar vader was geboren in Bazel, haar moeder stamde uit een Waals predikantengezin. Ze had op jonge leeftijd, 13 jaar, al belangstelling voor insecten, vooral de metamorfose van rupsen tot vlinders, aanvankelijk zijderupsen. Ze leerde tekenen en etsen van haar Nederlandse stiefvader Jacob Marrel, bekend om zijn bloemenschilderingen, die in 1651 met haar moeder trouwde. Haar broers Matthäus Merian de jonge en Caspar zetten na de dood van hun vader de uitgeverij voort.

In 1665 trouwde Merian op 18-jarige leeftijd met de architectuurschilder Johann Andreas Graff. Twee jaar later kreeg zij haar eerste dochter Johanna Helena, en verhuisde het gezin naar Neurenberg. Hier begon zij allerlei rupsen te verzamelen en bestudeerde ze de levensloop van rupsen en vlinders. Ze was enthousiast over deze door slechts weinigen gewaardeerde dieren, waarvan men sinds Aristoteles dacht dat ze uit vuil en modder ontstonden, en hun metamorfose in vlinders. Merian kweekte zelf rupsen om te zien welke vlinder er uit kwam. Ze maakte vervolgens schetsen van details als het eierleggen, de verpopping en de voedselplanten. Dit alles legde ze vast in een 'studieboek'.

Dit studieboek was de basis voor haar eerste boek, dat in 1675 verscheen onder de titel "Neues Blumenbuch" ('Nieuw bloemenboek'). In dit boek werden allerlei bloemen uiterst gedetailleerd weergegeven. In 1677 verschenen nog twee delen. Het gehele boek bestaat uit drie delen van elk 11 platen. Deze boeken waren voornamelijk bedoeld als modellenboeken voor andere kunstenaars en voor borduurders (een belangrijk ambacht in die tijd). Merian zal de boeken verder gebruikt hebben als materiaal voor haar leerlingen. In 1678 kreeg ze haar tweede dochter Dorothea Maria, en in 1679 verscheen "Der Raupen wunderbare Verwandlung und sonderbare Blumennahrung" ('Over de wonderbare verandering van de rupsen en [hun] merkwaardig bloemenvoedsel'), haar tweede grote werk, dat door haar man werd uitgegeven. In dit boek werd de levenscyclus van verschillende vlinders afgebeeld, met hun voedselplanten.

Nederlandse tijd[bewerken]

Merian had weinig tijd voor haar man en deze had verschillende minnaressen. Na onenigheid binnen de familie over de verdeling van de boedel van haar overleden stiefvader[1], en misschien ook door verschillen in religieus inzicht, verliet Merian in 1685 haar echtgenoot en trok met haar moeder en dochters naar de stins Waltastate in Wieuwerd (Friesland), waar haar halfbroer Caspar Merian al woonde. Het slot was eigendom van Cornelis van Sommelsdijck, de gouverneur van Suriname. In het slot was een leef- en werkgemeenschap gevestigd van de Labadisten, een religieuze groepering die leefde naar de ideeën van (de inmiddels al overleden) Jean de Labadie. Ze moesten hun wereldse bezittingen opgeven aan de commune en een huwelijk met iemand van buiten de commune werd niet erkend. Johann Graff probeerde zijn vrouw tevergeefs tot terugkeer te bewegen en heeft zelf ook nog enige tijd in de commune gewoond. Hij werd hier naar eigen zeggen echter heel slecht behandeld en moest zwaar werk doen waar hij ziek van werd. Ook was het in de commune niet toegestaan om kunst te maken. Merian wilde in die tijd niets meer van haar man weten, hoewel ze officieel nog getrouwd waren. Een poos later probeerde Graff van haar te scheiden om opnieuw te kunnen trouwen, wat in 1692 lukte. Ze ging in deze periode door met het bestuderen van insecten - het bedrijven van wetenschap was wel toegestaan in de commune - en maakte voor het eerst uit de tweede hand kennis met de Surinaamse natuur.[2]

Merian verhuisde een paar jaar later, na de dood van haar broer Caspar in 1686 en die van haar moeder in 1690, in de zomer van 1691 naar Amsterdam, omdat de commune financieel in zwaar weer was geraakt en de leden gevraagd werd om weer voor hun eigen inkomen te gaan zorgen. Ook was in 1689 een epidemie in de commune uitgebroken, waardoor er elke twee weken een lid van de commune overleed. Aangezien de gemeenschap uit ongeveer 300 mensen bestond, was dit een zware slag. Anders dan wel wordt beweerd, zijn Merian en haar dochters nooit van het labadistische geloof afgestapt. In Amsterdam kreeg Merian vooral door haar rupsenboek snel contact met andere natuurliefhebbers en -onderzoekers, zoals Steven Blankaart, waardoor ze ook toegang kreeg tot volières, rariteitenkabinetten en oranjerieën van rijke particulieren zoals de burgemeester van Amsterdam, Nicolaas Witsen, en Frederik Ruysch, met zeldzame vogels en planten. Haar belangstelling voor de exotische natuur van de tropen werd mede door deze tuinen verder aangewakkerd. Ze zette in Amsterdam onder eigen naam een bedrijfje op dat onder meer pigmenten, penselen, geprepareerde insecten en dieren op sterk water verkocht. Haar oudste dochter, Johanna Helena Graff, was gehuwd met Jacob Hendrik Herolt, een Labadistische broeder die handelscontacten had met Suriname. Merian maakte op 52-jarige leeftijd een reis naar Suriname samen met haar jongste dochter, Dorothea Maria Graff. De bootreis duurde in die tijd drie maanden. Vanuit de hoofdstad Paramaribo trokken de vrouwen in diverse excursies het binnenland in. Merian documenteerde alles wat ze over de metamorfose van tropische insecten kon ontdekken en maakte een groot aantal tekeningen en aquarellen. In 1701 werd ze echter ziek- wellicht had ze malaria opgelopen - en moest naar huis terugkeren samen met haar dochter. Het was ook belangrijk om snel huiswaarts te keren omdat een oorlog tussen de Nederlanden, Engeland en Frankrijk dreigde uit te breken die het zeeverkeer voor een groot deel stil zou leggen. Merian nam volgens de passagierslijst van het koopvaardijschip De Vrede waar ze op voeren ook "een Indianin" mee naar Nederland. Het was in die tijd niet ongewoon om een inheemse bediende mee terug te nemen naar het thuisland. Waarschijnlijk deed ze dit omdat zij in Amsterdam nog gebruik wilde maken van de kennis van deze vrouw voor haar Surinaamse Insectenboek.

Haar tekeningen en schetsen dienden nu als bron voor een prachtwerk in groot formaat over de Surinaamse flora en fauna. Met behulp van verschillende Amsterdamse kopergraveurs kon het boek na drie jaar hard werk in 1705 in Amsterdam verschijnen. Haar hoofdwerk is getiteld: Metamorphosis insectorum Surinamensium. Ze schreef in het voorwoord:

"In het maaken van dit Werk heb ik niet eigenbaatzugtig geweest, zullende vergenoegt zyn, wanneer maar myne gedaane onkosten wederom krijg; ik heb geen onkosten in het uitvoeren van dit Werk gespaart, maar heb de Plaaten door de beroemste Meesters doen snyden, en het beste Papier daartoe genoomen, op dat zo wel aan de Kenders der Kunst, als aan de Liefhebbers der Insecten en Planten plaisier en genoegen zoude geefen, gelyk ik my dan verblyden zal, wanneer ik hoore, dat ik mijn oogmerk berykt, en te gelyk genoegen gegeeven zal hebben."

Er verscheen een Nederlandse ('Verandering der Surinaamsche Insecten') en een Latijnse editie.

In 1714 of 1715 kreeg Merian een beroerte en moest zich daarna per rolstoel verplaatsen. De laatste twee en een half jaar van haar leven heeft zij hierdoor niet of nauwelijks kunnen werken. Haar dochters werkten al nauw samen met haar in haar atelier en hebben na haar beroerte haar werk voortgezet.

Tsaar Peter de Grote kocht toen hij in Nederland woonde in 1716 en 1717 een aantal van haar werken van haar dochter, Dorothea Maria Graff, en haar echtgenoot Georg Gsell, die zich tegenwoordig in de collectie van de wetenschapsacademie in de Hermitage bevinden.

Bij haar overlijden werd ze in het overlijdensregister gekenschetst als 'arm', maar ze kreeg wel een eigen graf.

Betekenis voor de entomologie[bewerken]

Een afbeelding uit Metamorphosis insectorum Surinamensium

Merian schilderde zeer nauwkeurig; de vlinders in haar boeken zijn van de afbeelding nog steeds te determineren (voor zover het geen vlinders betreft waarbij men daarvoor inwendige ontleding en een microscoop nodig heeft). Dit is zeker niet het geval bij al haar tijdgenoten, ook beroemde, die vlinders schilderden. De circa 150 metamorfosen die zij van Nederlandse en Europese vlinders heeft geschilderd zijn allemaal juist, ofwel: de afgebeelde vlinders en rupsen horen inderdaad bij elkaar. Van ten minste één soort is bekend dat zij 12 jaar lang pogingen heeft gedaan om de rups op te kweken alvorens daarin te slagen. In de Surinaamse afbeeldingen zijn echter vrij veel vergissingen gemaakt in dit opzicht, waarschijnlijk doordat bij het transport terug, toen zij ook ziek was, specimina door elkaar zijn geraakt. Haar werk heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het doen verdwijnen van het weliswaar middeleeuwse, maar in haar tijd nog vrij algemeen aangehangen idee van de spontane generatie: dat rupsen nooit spontaan- zelfs niet héél soms! - zomaar uit dode materie ontstonden, was in haar tijd een baanbrekend nieuw inzicht, waaraan haar nauwkeurige beschrijvingen veel hebben bijgedragen. William Harvey had nog maar kort voor haar geboorte de stelling gepubliceerd dat ieder dier uit een ei kwam, en dat was nog niet bewezen. Ook publiceerde Merian mogelijk de eerste waarnemingen van parasitisme en zelfs van hyperparasitisme (waarbij parasieten of parasitoïden zelf weer worden geparasiteerd).

Trivia[bewerken]

  • Haar naam leeft in het Nederlands voort in de vlinder meriansborstel, die een fraaie en sterk behaarde rups heeft.
  • Door plaat 18 van de metamorphosis, die een aantal spinnen toont, is zij misschien indirect verantwoordelijk voor de naam 'vogelspin'. Er wordt een grote spin afgebeeld die een vogeltje, kennelijk een papegaaiachtige, heeft gevangen door deze van het nest te plukken. In de tekst is sprake van 'colobridges' (kolibries) die van het nest zouden worden geplukt.
  • Voorjaar 2008 was een selectie uit het werk van Maria Sibylla Merian en haar dochters te zien in museum het Rembrandthuis in Amsterdam onder de titel "Maria Sybilla Merian en dochters: Vrouwenlevens tussen kunst en wetenschap".
  • Inez van Dullemen schreef een biografische roman over haar: "Maria Sibylla. Een ongebruikelijke passie".

Bibliografie[bewerken]

  • Maria Sibylla Merian: Neues Blumenbuch, Nürnberg, 1675
  • Maria Sibylla Merian: Der Raupen wunderbare Verwandlung und sonderbare Blumennahrung, 3 Bde. Graff, Nürnberg 1679-1683
  • Maria Sibylla Merian: Metamorphosis insectorum Surinamensium, Amsterdam, Gerard Valck, 1705.
  • Maria Sibylla Merian, Metamorphosis of the Insects of Surinam, De Walburg Press, Zutphen, 1982. ISBN906011.077.3

Literatuur[bewerken]

  • Mineke Bosch en Ruth Oldenziel (red.): Curious careers. An Unexpected History of Women in Science and Technology, Eindhoven 2006, Stichting Historie der Techniek, ISBN 978-90-731-9229-4
  • Eckhard Hollmann (Editor): Maria Sibylla Merian: The St. Petersburg Watercolours, Prestel publishing, 2003, ISBN 3791329278
  • Maria Sibylla Merian: Flowers, Butterflies and Insects: All 154 Engravings from "Erucarum Ortus", Dover Pictorial Archive Series, Dover Publications (1991), ISBN 0486266362
  • Ella Reitsma: Maria Sibylla Merian & Dochters, Vrouwenlevens tussen kunst en wetenschap, Zwolle 2008, Waanders, ISBN 978-90-400-8457-7
  • Kim Todd: Chrysalis: Maria Sibylla Merian and the Secrets of Metamorphosis, Harcourt publishers 1e ed (2007), ISBN 0151011087
  • Leonoor Wagenaar: Het wonderschone Suriname van Maria Sibylla Merian, in: Parbode no.23, jaargang 02, maart 2008, p. 24-28
  • Kurt Wettengl (red.): Maria Sibylla Merian: kunstenares en natuuronderzoekster 1647-1717, Haarlem 1998, Teylers Museum, Bloemendaal, ISBN 9023009762

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Vrouwen konden in de 17e eeuw niet zelf erven; als ze getrouwd waren ging de erfenis automatisch naar de man.
  2. De labadisten hadden een plantage in Suriname, La Providence (De Voorzienigheid), die op naam stond van hun communelid Lucia van Sommelsdijck, een zuster van gouverneur Van Sommelsdijck.