Maria van Longueville
| Maria Anna van Orléans-Longueville | ||
| 1625-1707 | ||
| Gravin van Saint-Pol | ||
| Periode | 1694-1705 | |
| Voorganger | Jan Lodewijk | |
| Opvolger | Lodewijk van Melun | |
| Vorstin van Neuchâtel | ||
| Periode | 1694-1707 | |
| Voorganger | Jan Lodewijk | |
| Opvolger | Frederik I van Pruisen | |
| Vader | Hendrik II van Longueville | |
| Moeder | Anna Genoveva van Bourbon-Condé | |
Maria Anna van Orléans-Longueville (Parijs, 5 maart 1625 - aldaar, 16 juni 1707) was de enige dochter van Hendrik II van Longueville en van Louise van Bourbon-Soissons.
Na de dood van haar broer Jan Lodewijk van Longueville in 1694 werd ze gravin van Saint-Pol en nam zij eveneens de regering op in Neuchâtel. Deze opvolging werd betwist door de vorst van Conti op basis van een testament uit 1668, maar de Staten van Neuchâtel handhaafde Maria Anna als vorstin. In 1705 verkocht zij de rechten op het graafschap Saint-Pol aan Lodewijk van Melun.
Zij was in 1657 gehuwd met hertog Henri II van Savoye-Nemours, maar het paar had geen kinderen. Na haar dood in 1707 maakten verschillende pretendenten aanspraak op de opvolging van Neuchâtel en het was tenslotte de koning van Pruisen die Neuchâtel inlijfde. Bij de vrede van Utrecht (1713) werd deze opvolging bevestigd.