Marinus Bernardus Rost van Tonningen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Marinus Bernardus Rost van Tonningen
Generaal Rost van Tonningen
Generaal Rost van Tonningen
Geboren 24 oktober 1852
Paramaribo
Overleden 17 januari 1927
Den Haag
Land/partij Flag of the Netherlands.svg Nederlands-Indië, kolonie van het Koninkrijk der Nederlanden
Onderdeel artillerie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger
Dienstjaren 1872-1909
Rang Luitenant-generaal
Leiding over Commandant van het Indische leger
Slagen/oorlogen Onder meer de Atjeh-oorlog, Edi-expeditie en de Lombok-expeditie
Onderscheidingen onder meer officier in de Militaire Willems-Orde, Eresabel
Portaal  Portaalicoon   KNIL

Marinus Bernardus Rost van Tonningen (Paramaribo, 24 oktober 1852Den Haag, 7 januari 1927) was een Nederlands luitenant-generaal, commandant van het Nederlands-Indisch leger, onder meer officier in de Militaire Willems-Orde.

Loopbaan[bewerken]

Rost van Tonningen volgde de Koninklijke Militaire Academie en vertrok, na het beëinigen van zijn studie, in 1872, in de rang van tweede luitenant naar Indië, waar hij, na drie jaar dienst, benoemd werd tot eerste luitenant. Hij werd in 1877 te Atjeh geplaatst en maakte in 1878, onder het gouverneurschap van generaal Van der Heijden, de aanval op de Nederlandse versterking te Segli mee; deze werd in de nacht van 28 op 29 april en daarna weer op 3 mei door zeer sterke vijandelijke benden aangevallen. Hoewel men die, ook met hulp van de Marine, zware verliezen toebracht, was Van der Heijden van oordeel dat het nodig was om afdoende maatregelen te nemen tot beteugeling van de overmoed van de vijand. Drie dagen nadat hij het bericht van de aanval had gekregen, scheepte hij zich met een colonne van ongeveer 800 man naar de Noordkust in en reeds bij dagorder van 25 mei kon hij op de verkregen resultaten wijzen. Rost van Tonningen had zich bij de verdediging van Segli dusdanig onderscheiden, dat hem een Eervolle Vermelding werd toegekend, als hebbende zich onderscheiden bij de verdediging van Segli april-juni 1878.

Lombok-expeditie[bewerken]

In 1882 werd Rost van Tonningen tot kapitein bevorderd; in deze rang nam hij onder meer deel aan de Edi-expeditie van 1888, op de Oostkust, onder generaal van Teijn. Hij verkreeg voor zijn verrichtingen aldaar de Militaire Willems-Orde vierde klasse als hebbende zich onderscheiden door zijn verrichtingen bij verschillende oorlogshandelingen in Atjeh in 1890. Als majoor der artillerie (1893) nam hij deel aan de Lombok-expeditie; bekend is hij vooral geworden als leider van de terugtocht naar Ampenan, die toen, kort na de overval, moest plaatsvinden. De 27ste augustus 's ochtends om 6.00 uur begon toen de terugtocht van de troepen uit de tempel onder leiding van Rost van Tonningen. Het veldstuk werd bij gemis aan voerende bespanning onbruikbaar gemaakt en achtergelaten. De Baliërs begonnen onmiddellijk op te dringen, maar werden door het vuur der sectie bergartillerie, die daartoe buiten de tempel in stelling kwam, in bedwang gehouden. In behoorlijke marsvorm werd nu de terugtocht begonnen, met één compagnie infanterie en de sectie bergartillerie als achterhoede. Spoedig werden de stukken naar de voorhoede gezonden en ook hier bewezen zij door hun goed geleid en gericht vuur uitstekende diensten. Pasagangan en Pasinggahan werden door de voorhoede stormenderhand genomen en pas bij de Sasakse kampong Batoe Ringgit staakten de Baliërs de vervolging. Boven die kampong woeien niets dan nationale vlaggen en werden de troepen door de Sasakse bevolking van rijst en drinkwater voorzien. Na een half uur rust werd doorgemarcheerd naar het strand bij Tandjong-Karang, waar men weldra verbinding kreeg met een uit Ampenan uitgerukte colonne. Tegen kwart over 12 kwamen de troepen uitgeput in het bivak te Ampenan aan. De colonne had op deze dag nog een verlies van 20 doden en gewonden geleden. Het bij deze terugtocht getoonde beleid leidde ertoe dat Rost van Tonningen bij Koninklijk Besluit van 9 april 1895 de Eresabel werd toegekend.

Marinus Bernardus Rost van Tonningen

Kort daarna verkreeg hij verlof naar Europa terug te keren en in 1898 benoemde H.M. de Koningin hem tot haar adjudant in buitengewone dienst. Hij ging in 1899 opnieuw naar Indië waar hij, na enige tijd werkzaam te zijn geweest op het hoofdbureau der artillerie, aangesteld werd als chef van het wapen. Rost van Tonningen werd in 1904 benoemd tot generaal-majoor; in deze rang was hij opperbevelhebber van de Bali-expeditie in 1906, die met gunstige uitslag bekroond werd. Aan deze veldtocht dankte hij zijn bevordering tot officier in de Militaire Willems-Orde. Enige Balische vorsten weigerden hun verplichtingen na te komen en op 27 mei 1901 werd een schoener uit Bandjermasin, die bij Sanoer was gestrand, afgelopen en gesloopt. De vorsten weigerden schadeloosstelling waarop op 7 januari 1905 tot de blokkade van het landschap Badoeng werd besloten. Dit hielp niet, integendeel, de vorst van Tabahan sloot zich aan bij het verzet; overvallingen van dorpen hadden plaats, de vorst van Bangli weigerde in februari 1906 de resident te ontvangen en inziende als het niet met een blokkade te verhelpen viel dan maar een bestraffing moest worden uitgevoerd werd in april het legerbestuur uitgenodigd alles voor een expeditie naar Bali in gereedheid te brengen. Rost van Tonningen werd belast met het bevel over de troepenmacht, waarmee tegen de onwillige radja's van Badoeng, Tabanan, en later Bangli en Kloengkoeng werd opgetreden. Deze telde 92 officieren, 2.312 man, 6 marinesnelvuurstukken van 3.7 cm. en 4 houwitsers van 12 cm.

Bali-expeditie[bewerken]

Op 10 september vertrokken deze drie bataljons infanterie, een peloton cavalerie, een halve compagnie genie en twee batterijen gewapenderhand naar Badoeng en Tabanan om inwilliging van de Nederlandse eisen af te dwingen en daarna, zo nodig, ook Bangli en Kloengkoeng tot rede te brengen. Op 12 september werd het ultimatum overhandigd, op 14 september volgde de landing en op 20 september werd de aanval op Denpasar uitgevoerd. Onder de Balinezen, werd een gigantisch bloedbad aangericht, er werd met kanonnen en geweren op korte afstand geschoten op nauwelijks bewapende vrouwen en kinderen. Op 26 september pleegde de vorst van Tabanan zelfmoord, op 9 oktober begon de opmars tegen Bangli en Kloengkoeng en op 30 oktober was de expeditie afgelopen en scheepten de troepen zich weer in. De dagorder, op 31 oktober door Rost van Tonningen uitgevaardigd meldde: De vijfde Balische expeditie is afgelopen en de toestanden op dit eiland zijn zodanig geregeld dat een geringe troepenmacht verder de rust en orde aldaar kan handhaven. Dit resultaat is verkregen ten koste van geringe offers aan onze kant en van betrekkelijk weinig offers aan de kant van onze vroegere tegenstanders. Deze "geringe" offers resulteerde in 3500 doden aan de Balinese kant. Bij Koninklijk Besluit van 9 maart 1908 volgde daarop zijn benoeming tot ridder in de Militaire Willems-Orde derde klasse wegens zijn leiding van de expeditie.

In juni 1907 werd Rost van Tonningen benoemd tot luitenant-generaal, commandant van het Nederlands-Indische leger en was vervolgens twee jaar werkzaam in deze functie; hij werd in 1909 gepensioneerd. Hij was, in de rang van luitenant-kolonel, benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en in het bezit van de Eresabel, het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gesp Atjeh 1873-1880 en het Lombokkruis. Rost van Tonningen was vele jaren lid en voorzitter van het Nationaal Fonds tot ondersteuning van Nagelaten Betrekkingen van Nederlands-Indische Militairen, voorzitter van het Generaal van Heutszfonds, de vereniging voor kinderen van gesneuvelde militairen (met name in Nederlands-Indië) beneden de rang van officier en was gedurende 15 jaar lid en voorzitter van de Commissie voor de gewapende dienst der Nederlanden. Rost van Tonningen overleed op 7 januari 1927 en werd gecremeerd op Westerveld.

Familie[bewerken]

Rost van Tonningen was de eerste zoon van officier Nicolaas Albertus Rost van Tonningen, die zijn loopbaan beëindigde als gezaghebber van Sint Eustatius en van Anna Brouwer. Hij was getrouwd met Jkvr. Meinouda Sara Johanna van den Bosch (1868-1946), een achterkleindochter van gouverneur-generaal van Nederlands-Indië Johannes graaf van den Bosch. Het echtpaar had drie zonen, waarvan de jongste, Meinoud (1894-1945), een bekend voorman van de NSB was en in de Tweede Wereldoorlog president werd van De Nederlandsche Bank. De oudste zoon, Nico (1889-1979), was vanaf 1930 werkzaam bij de marine, waar hij als laatste de rang van viceadmiraal bekleedde. Vanaf 1948 tot zijn pensionering in 1962 was hij werkzaam als hoog functionaris in dienst van koningin Juliana, eerst als adjudant en uiteindelijk als grootmeester. De middelste zoon, Wim (1891-1970), was net als zijn jongste broer lid van de NSB. Vanwege dat lidmaatschap werd hij in 1938 ontslagen bij Shell, hoewel Henri Deterding in Duitsland de NSDAP financieel steunde. In de oorlog was Wim directeur van de koninklijke oliemaatschappij Astra Romana in Roemenië en verantwoordelijk voor een belangrijke bron van brandstof voor de Asmogendheden in Europa.

Voorganger:
J.C. van der Wijck
Commandant van het KNIL
1907 - 1909
Opvolger:
P.C. van der Willigen
Bronnen, noten en/of referenties
  • 1927. M.B. Rost van Tonningen overleden, Het Vaderland. (09-01-1927)
  • 1927. Generaal Rost van Tonningen overleden; Segli-Lombok-Bali. Het Vaderland. (10-01-1927)
  • 1927. Crematie generaal Rost van Tonningen. Het Vaderland. (12-01-1927)
  • Informatie over Atjeh-officieren
  • Helm, F.J.A.M. van der (2012) M.B. Rost van Tonningen (1852-1927: het familieleven van de Lombokgeneraal, 's-Gravenhage, Kirjaboek ISBN 978-94-6008-140-8