Mark Brandenburg
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
|
||||
|
|
||||
| Kaart | ||||
| Algemene gegevens | ||||
| Hoofdstad | Berlijn | |||
| Regering | ||||
| Regeringsvorm | Monarchie | |||
| Dynastie | Ascaniërs, Wittelsbach, Luxemburg, Hohenzollern | |||
| Staatshoofd | Markgraaf, keurvorst | |||
Brandenburg was een markgraafschap (Mark Brandenburg) en keurvorstendom (Keur-Brandenburg, Keur-Mark) in het oosten van het Heilige Roomse Rijk. De keurvorsten van Brandenburg kwamen in 1618 in het bezit van het hertogdom Pruisen. Na de verheffing tot koninkrijk van dit land in 1701 werd Brandenburg meestal als deel van Pruisen beschouwd, hoewel het formeel tot 1806 als zelfstandige staat bleef voortbestaan.
Inhoud |
[bewerk] Geschiedenis
[bewerk] Middeleeuwen
De oorspronkelijke bewoners van Brandenburg, Germaanse stammen als de Sueben, maakten in de tijd van de volksverhuizingen plaats voor Slaven. De Duitse verovering van het gebied werd in de tiende eeuw begonnen door koning Hendrik de Vogelaar, die de stad Branibor (Brandenburg an der Havel) veroverde, en voltooid door zijn zoon keizer Otto de Grote. Deze laatste begon met de kerstening van de overwonnenen en stichtte de bisdommen Havelberg (945) en Brandenburg (949). Het gebied werd verheven tot een markgraafschap Noord-Saksen (de latere Altmark), waarvan een deel, de Noordmark, door een opstand van de Slavische Wenden in 983 echter verloren ging.
In 1134 kreeg Albrecht de Beer, uit het Huis der Ascaniërs, de Noordmark in leen. Hij verwierf delen van de Prignitz en het Havelland en noemde zich, nadat hij zijn residentie naar Brandenburg had verplaatst, als eerste markgraaf van Brandenburg. Hij maakte werk van de kerstening en liet Nederlandse, Westfaalse en Frankische immigranten het gebied koloniseren. Onder zijn opvolgers ontstonden steden als Köpenick, Spandau, Cölln, Berlijn en Frankfurt an der Oder en werd de Slavische bevolking talig en cultureel geassimileerd. De Ascaniërs verwierven in de dertiende eeuw de Uckermark, de Neumark, Lebus en de Lausitz.
Na het uitsterven van de Brandenburgse Ascaniërs in 1320 beleende keizer Lodewijk de Beier, uit het Huis Wittelsbach, zijn zoon Lodewijk de Oude met het markgraafschap. De Wittelsbachers verwaarloosden het land en lieten de Lausitz verloren gaan aan Bohemen. Keizer Karel IV, die in 1356 in de Gouden Bul de Brandenburgse status van keurvorstendom bevestigde, verwierf Brandenburg door geweld en intrige en stond het in 1373 af aan zijn zoon Wenceslaus van Luxemburg. Zijn broer en opvolger Sigismund verpandde het in 1388 aan Jobst van Moravië en benoemde na diens dood in 1411 burggraaf Frederik VI van Neurenberg, uit het Huis Hohenzollern, tot erfelijk stadhouder.
[bewerk] Onder de Hohenzollerns
Frederik VI werd, na in 1415 te zijn benoemd, in 1417 formeel met Brandenburg beleend. Als keurvorst heette hij Frederik I. Zijn zoon Frederik II de IJzeren brak de macht van de steden en kreeg de Neumark, die Sigismund in 1402 aan de Duitse Orde had verkocht, weer in zijn bezit. Zijn broer en opvolger Albrecht III Achilles bepaalde met de Dispositio Achillea (1473) de ondeelbaarheid van Brandenburg (primogenituur) en splitste de Frankische vorstendommen Ansbach en Bayreuth af. Keurvorst Joachim II Hector voerde in 1539 het lutheranisme in. Hij werd bij de troonsbestijging van hertog Albrecht Frederik in 1568 mede beleend met Pruisen. Zijn achterkleinzoon Johan Sigismund verkreeg in het Gulik-Kleefse Successieconflict het hertogdom Kleef en de graafschappen Mark, Ravensberg en Ravenstein. Na de dood van Albrecht Frederiks in 1618 ontving hij Pruisen als leen van Polen.
Keurvorst George Willem (1619-1640) raakte door conflicterende belangen verwikkeld in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), waarin Brandenburg grootschalige verwoestingen te verduren kreeg. Zijn zoon Frederik Willem (1640-1688), de Grote Keurvorst, centraliseerde het bestuur, voerde economische hervormingen door, beperkte de onder zijn voorgangers sterk gegroeide macht van adel en steden, bouwde een efficiënt en sterk leger op en werd de belangrijkste protestantse Duitse vorst. Bij de Vrede van Westfalen (1648) verkreeg hij Achter-Pommeren, de geseculariseerde bisdommen Kammin, Minden en Halberstadt en de voogdij over het aartsbisdom Magdeburg. Onder Frederik Willem begon Brandenburg zelfs met de opbouw van een bescheiden koloniaal imperium: het verwierf Groß-Friedrichsburg en Arguin in Afrika en het eiland Sint-Thomas in het Caribisch gebied.
[bewerk] Als deel van Pruisen en Duitsland
Pruisen was sinds het Verdrag van Oliva (1660) volledig soeverein en in 1701 kreeg Frederik Willems zoon Frederik III (1688-1713) na jarenlang onderhandelen van keizer Leopold I het recht de titel koning in Pruisen te voeren. Sindsdien werd de Hohenzollernse eenheidsstaat kortweg "Pruisen" genoemd, al was niet het eigenlijke (dunbevolkte) Pruisen maar Brandenburg met verreweg de grootste bevolkingsconcentraties de kern van het rijk. Van een zelfstandige geschiedenis van Brandenburg was evenwel geen sprake meer. Tot 1946 was er wel een provincie Brandenburg, waartoe tot 1920 ook de Pruisische hoofdstad Berlijn behoorde.
Brandenburg verloor in 1945 alle gebieden ten oosten van de Oder-Neissegrens aan Polen. Na de opheffing van Pruisen in 1947 werd binnen de DDR de deelstaat Brandenburg opgericht, die echter in 1952 opging in de districten Cottbus, Frankfurt (Oder) en Potsdam. Na de Duitse Hereniging werd de deelstaat heropgericht.

