Marmergrondel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Marmergrondel
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2008)
Proterorhinus semilunaris, the Netherlands - 20051030.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Actinopterygii (Straalvinnigen)
Orde: Perciformes (Baarsachtigen)
Familie: Gobiidae (Grondels)
Geslacht: Proterorhinus
Soort
Proterorhinus semilunaris
(Heckel, 1837)
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vissen

De marmergrondel (Proterorhinus semilunaris) is de meest recente toevoeging van de in de Benelux voorkomende vissen. Stepien & Tumeo (2006) stellen dat er twee ondersoorten van P. marmoratus bestaan. Één variant die voorkomt in zout water (P. marmoratus, en een zoetwatervariant, P. semilunaris. P. semilunaris komt alleen in zoet water voor, maar aannemelijk is dat hij, gezien de afstamming van P. marmoratus, een hoge zouttolerantie heeft.

Deze vis, die oorspronkelijk uit het gebied rond de Kaspische en Zwarte Zee komt, is via de Donau zelfstandig steeds hoger Europa binnengezwommen en via het Main-Donaukanaal in het stroomgebied van de Rijn terechtgekomen. In de Gelderse Poort zijn in 2002 meerdere marmergrondels gevangen, waardoor duidelijk is dat hij zich in Nederland gevestigd heeft.

De marmergrondel heeft zich vanuit zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied rond de Kaspische en Zwarte Zee via de Donau steeds verder uitgebreid naar West-Europa. In 1985 werd de soort voor het eerst waargenomen in de bovenloop van de Donau, in het Duitse Beieren. Via het Main-Donaukanaal, dat in 1992 verder is uitgegraven, kwam de soort in 1998 aan in de Main, een zijrivier van de Rijn. In 2000 was de grondel tot Bonn gevorderd en in het voorjaar van 2002 bleek de soort in Nederland gearriveerd.

Nu wordt deze route vaak ten onrechte genoemd als reden voor het voorkomen van andere Oost-Europese vissoorten in het stroomgebied van de Rijn, zoals roofblei (Aspius aspius), blauwneus (Vimba vimba) en donaubrasem (Abramis sapa). Van deze soorten is overigens in de Nederlandse Rijntakken alleen de roofblei vrij talrijk. De blauwneus en de donaubrasem worden hier sporadisch gezien. Al deze soorten zijn via het uitzetten van partijen vis uit het voormalige Oostblok ten behoeve van de sportvisserij doelbewust (roofblei), dan wel onbedoeld (blauwneus, donaubrasem) geïntroduceerd in zogenaamde 'Baggerseen' in het Duitse stroomgebied van de Rijn. Van hieruit hebben de soorten zich verder verspreid, daarbij geholpen door de extreme hoogwaterpieken in 1993 en vooral 1995. Alleen voor de marmergrondel staat vast dat deze het stroomgebied van de Rijn vanuit het Main-Donaukanaal heeft gekoloniseerd.

Aangezien de soort zich ook thuis voelt in brakke en zoute wateren, zou de opmars van de marmergrondel wel eens veel verder kunnen reiken. Een doorsteek naar de Noordzee-kustwateren lijkt nu eenvoudig te maken. Het feit dat er, verdeeld over drie monsters, direct al vijf exemplaren zijn gevangen geeft aan dat de soort in de Waal bij Nijmegen al niet zeldzaam meer is. In 2005 werden 8 exemplaren gevangen aan het begin van het Valleikanaal in Utrecht en in 2006 hadden ze zich al weer verder stroomafwaarts in het Valleikanaal gevestigd. Ook op andere plekken niet ver van de grote rivieren zijn marmergrondels aangetroffen (uiterwaarden Pannerden).

In België is de soort voor het eerst aangetroffen in 2009, in de Maas in Wallonië. In 2010 werd de vis ook in Vlaanderen aangetroffen, in de Zuid-Willemsvaart.[2]

Ecologische betekenis[bewerken]

De marmergrondel is thuis in brak en zout water, het is dus de vraag waar de opmars van dit visje zal stoppen. Voor de marmergrondels zou schuilgelegenheid essentieel zijn (Gerstmeier & Romig, 2000). In het aquarium zie je ze inderdaad veel wegkruipen in schuilgelegenheden. De dekking hoeft in ieder geval niet per se een stenige oever te zijn.

In Canada wordt de soort tussen de waterplanten aangetroffen (Vanderploeg et al., 2002). In het Valleikanaal neemt ze op de plaatsen waar ze werden gevangen genoegen met de dekking die daar onder andere wordt geboden door riet, sponzen en lege mosselschelpen. Van hieruit liggen ze op de loer om hun prooien te verschalken. Dit kunnen zowel kleine ongewervelden als kleine visjes zijn (Gerstmeier & Romig, 2000). Eén van de exemplaren die is gevangen in het Valleikanaal bleek zich te goed hebben gedaan aan met name mosselkreeftjes en sponsgaasvlieglarven, netvleugeligen waarvan de larven op sponzen leven. Anno 2007 zijn marmergrondels al zeer algemeen in het Valleikanaal en de Linge en niet gebonden aan snel stromend water of stuwen zoals de rivierdonderpad, maar vaak aanwezig in begroeiing langs stilstaande wateren.

De voortplanting vindt plaats in het voorjaar, waarbij enkele honderden eieren in een schuilgelegenheid worden gelegd. In het tweede levensjaar nemen de dieren al deel aan de voortplanting. Veel is niet bekend over de voortplanting, wel dat zowel het mannetje als het vrouwtje van de marmergondel gebruikmaken van geluiden van een lage frequentie (70–130 Hz) (Pinchuk et al., 2004).

Naam in andere talen[bewerken]

  • Engels: tubenose goby
  • Duits: Marmorierte Grundel
  • Pools: Babka marmurkowata
Bronnen, noten en/of referenties