Marsi

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
1rightarrow blue.svg Voor de Germaanse volkstam, zie Marsi (Germaanse stam).
Volkeren in Latium (5e eeuw v.Chr.)

De Marsi (Oudgrieks: Μάρσοι) waren een oude volkstam van de Sabelli[1] op de grens met Latium, op een hoge vlakte tussen de Apennijnen, rondom het meer Fucinus, tussen de Liris en Aternus.

Hoofdstad[bewerken]

Hun hoofdstad Marruvium (het huidige San Benedetto dei Marsi) lag aan de oostelijke oever van het meer Fucinus.

Geschiedenis[bewerken]

Met de andere stammen van de Sabelli (Peligni, Vestini, Marrucini e.a.[2]) waren zij meestal samen met de Samnieten tegen de Romeinen in oorlog (Samnitische Oorlogen, vanaf 308 v.Chr.),[3] totdat zij in 304 v.Chr. tot een bondgenootschap met Rome werden gedwongen (socii).[4]

In 91 v.Chr. stelden zij zich echter weer aan het hoofd van het bondgenootschap tegen Rome, in de zogenaamde bondgenotenoorlog (bellum sociorum of Marsicum bellum).

Cultuur[bewerken]

De Marsi stonden bekend als zeer dapper. Zij waren ook beroemd om hun kennis van de genezende kracht van de planten en kruiden van hun bergen en stonden bekend als goede wondhelers.

Daarnaast stonden ze bekend als slangenbezweerders en ook als tovenaars (vandaar dat Marsa naenia ook wel "toverspreuk" betekent).[5] Vandaar dat men zei dat zij als tovenaars van (een zoon van) Circe afstammen en in hun kunst door Medea waren onderwezen.

Taal[bewerken]

Zij spraken een Oskisch-Umbrische taal, die tevens Marsi wordt genoemd.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Horatius, Epodae 17, 28.
  2. Livius, Ab Urbe condita VIII 29. Vgl. Livius, Ab Urbe condita VIII 6, Polybios, II 24.12.
  3. Livius, Ab Urbe condita IX 41.
  4. Livius, Ab Urbe condita IX 45.
  5. Horatius, Satires I 9, 29, Epodae 17, 28, &c.

Referenties[bewerken]

  • art. Marsi, Μάρσοι (1), in F. Lübker - trad. ed. J.D. Van Hoëvell, Classisch Woordenboek van Kunsten en Wetenschappen, Rotterdam, 1857, p. 584.
  • art. Marsi, Μάρσοι (1), in J.G. Schlimmer - Z.C. De Boer, Woordenboek der Grieksche en Romeinsche Oudheid, Haarlem, 19203, p. 392.