Maurice Peeters
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Mauritius Prosper ("Maurice") Peeters (Antwerpen, 5 mei 1882 - Leidschendam, 6 december 1957) was een Nederlands wielrenner.
Peeters werd geboren in Antwerpen, maar groeide op in Den Haag. Hij begon pas op 34-jarige leeftijd met wielrennen. Hij was een renner vol bravoure, die niets moest hebben van tactiek of souplesse.
Zijn grootste successen haalde hij in 1920. Tijdens de Olympische Spelen in Antwerpen werd hij de eerste Nederlandse Olympisch kampioen bij het wielrennen. Op het onderdeel sprint versloeg hij in een turbulente finale twee Britten, die de hele wedstrijd samen tegen hem hadden gereden. Alhoewel Peeters in 1920 al 38 was had hij in de eindsprint genoeg kracht over om de zege te behalen. In hetzelfde jaar werd Maurice Peeters ook Wereldkampioen sprint en won hij de Grote Prijs van Parijs.
Vier jaar later, tijdens de Spelen van Parijs, haalde hij opnieuw een finale, ditmaal op het onderdeel Tandem, samen met Gerard Bosch van Drakestein. Tijdens de race werden zij ingehaald door een Frans koppel, dat in het passeren een enorme schreeuw gaf, waar Peeters zo van schrok dat de fiets begon te slingeren. Het Nederlandse duo werd uiteindelijk derde.
Na afloop begreep Bosch van Drakestein niet dat zijn kompaan zo laconiek reageerde op het verlies, tot hij in de kleedkamer een fles cognac zag staan. Peeters maakte er een gewoonte van voor een race een glaasje te nemen, sinds deze drank hem ooit van een voedselvergiftiging had afgeholpen. Ditmaal bleek de fles echter helemaal leeg te zijn gedronken...
| Olympisch kampioen | |
|---|---|
|
1896: Paul Masson 1900: Georges Taillandier 1920: Maurice Peeters 1924: Lucien Michard 1928: Roger Beaufrand 1932: Jacques van Egmond 1936: Toni Merkens 1948: Mario Ghella 1952: Enzo Sacchi 1956: Michel Rousseau 1960: Sante Gaiardoni 1964: Giovanni Pettenella 1968: Daniel Morelon 1972: Daniel Morelon 1976: Anton Tkac 1980: Lutz Hesslich 1984: Mark Brian Gorski 1988: Lutz Hesslich 1992: Jens Fiedler 1996: Jens Fiedler 2000: Marty Nothstein 2004: Ryan Bayley |
|

