Meersporenopname

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de geluidsopnametechniek is de meersporentechniek ontwikkeld om betere controle te hebben bij de opmaak van het geluidsbeeld ten behoeve van de definitieve registratie.

De Sonosax Stelladat II dat-recorder. Deze kan twee of vier sporen tegelijk opnemen of afspelen.

Een magneetband loopt bij meersporenopname langs een meervoudige opname-/weergavekop, vanzelfsprekend evenveel koppen als er sporen worden verlangd. Een 64-sporentechniek is niet uitzonderlijk (er is wel eens 256 en meer sporenrecorder op de markt geweest, deze had slechts een enkele kop die met een mechanisme in hoogte werd versteld. Zeer geschikt voor een juke-box maar niet voor de hier bedoelde techniek).

Alle sporen op de band kunnen apart worden geregeld, terwijl op een enkelspoorband de opname van alle instrumenten in een orkest tegelijkertijd werd vastgelegd. Doordat ook per spoor kan worden opgenomen kan in feite op een leeg spoor muziek worden toegevoegd bij de bestaande opnamen. Op deze wijze zijn er nogal wat one-man-bands van musici die alle instrumenten uit het orkest zelf kunnen bespelen.

In veel moderne geluidsstudio's wordt gebruikgemaakt van digitale opnameapparatuur. Hierbij is de harde schijf het opslagmedium in plaats van een sporenbandrecorder. Veel professionele muzikanten echter geven toch de voorkeur aan analoge opnames, omdat deze warmer klinken. Veel hiphop en house-artiesten die hun muziek digitaal opnemen mixen deze mede om die reden achteraf af op een bandrecorder.

Bij de amateur-stereobandopnamen wordt met twee sporen gewerkt. Deze kunnen (meestal) niet apart worden geschakeld.

Geschiedenis[bewerken]

Een van de eerste mensen die actief bandrecorderopnames maakte en daarmee muziek verzamelde was Alan Lomax. Hij trok er samen met zijn vader John Lomax op uit om overal in Amerika opnames te maken van primitieve muziek. Deze muziek werd opgenomen met een draagbare eensporenbandrecorder.

Nadat de stereobandrecorder was uitgevonden, begonnen opnametechnici aparte sporen op te nemen. Op een tweesporenrecorder vaak eerst de muziek en daaraan toegevoegd op het tweede spoor de zangpartijen.

De uitvinding van deze manier van opnemen kan worden toegeschreven aan Les Paul, die kort na de Tweede Wereldoorlog een op de Duitsers buitgemaakte stereo magneet-bandrecorder van een bevriende kolonel kreeg. Hij modificeerde deze recorder zo dat hij de opname koppen los van elkaar kon gebruiken en zodoende eerst op kanaal-1 en daarna op kanaal-2 kon opnemen terwijl kanaal-1 werd afgeluisterd.

Vanwege de beperking die deze techniek met zich meebracht, werd de tweesporenrecorder uitgebreid tot een viersporenrecorder (omstreeks de jaren 50 van de vorige eeuw). Veel countrymuziek en rock 'n roll werd met dergelijke apparatuur vastgelegd. Hierbij werd in de meeste gevallen de volgende sporenvolgorde aangehouden:

  1. ritmesectie (bas en drums)
  2. gitaar en/of piano of een ander akkoord-instrument
  3. arrangementen (violen, blazers) en/of (gitaar)solo's
  4. zang

In veel gevallen werden de achtergrondzangpartijen tegelijkertijd met de leadvocalen ingezongen. Deze werkwijze is te zien in de film O Brother, Where Art Thou? met George Clooney.

Midden jaren zestig kreeg de meersporenrecorder grote bekendheid doordat The Beatles er gebruik van maakte. Na de twee-, drie- en viersporenrecorder werden de 8-, 16- en uiteindelijk de 24-sporenrecorder ingezet. Tot aan het digitale tijdperk werden de meersporenrecorders in de professionele opnamestudio's gebruikt. In de grotere studio's was het mogelijk om 2 of meer recorders synchroon te laten werken. Hierdoor was het mogelijk om met twee 24-sporenrecorders een 46-sporige productie te maken. De eerste kanalen van deze beide recorders werden dan gebruikt om een (digitale) wordclock timestamp in te plaatsen. De mixen werden hierdoor wel zo complex dat men soms met 5 technici aan de mengtafel zaten bij de afmix. Automatisering van de mengtafel bestond namelijk tot begin jaren-80 nog niet.

Zie ook[bewerken]