Meervleermuis
| Meervleermuis IUCN-status: Gevoelig[1] (2008) |
|||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | |||||||||||||
|
|||||||||||||
| Soort | |||||||||||||
| Myotis dasycneme (Boie, 1825) |
|||||||||||||
|
|||||||||||||
De meervleermuis (Myotis dasycneme) is een vleermuis uit de familie der gladneuzen (Vespertilionidae).
Inhoud |
[bewerken] Beschrijving
De meervleermuis is een middelgrote vleermuis. Hij wordt 55 tot 67 millimeter lang, met en staart van 46 tot 51 millimeter. Hij heeft een spanwijdte van 20 tot 32 cm, en weegt 14 tot 20 gram. Hij heeft een lange dichte bruinige vacht. De bovenzijde is bruin tot grijsbruin met een zijdeglans, en de onderzijde is wittig tot gelig grijs. Er is een duidelijke grens tussen beide zijden. De oren en lange, brede vleugels zijn grijsbruin van kleur. De snuit is kort en roodachtig bruin.
[bewerken] Voedsel en gedrag
De meervleermuis is een echt nachtdier, die in de late avond en vroege ochtend tevoorschijn komt om te jagen. Ze jagen op vliegende insecten in de vlucht vlak boven open water. Ook vochtige weilanden en bosranden worden regelmatig bezocht, vooral in het voorjaar en tijdens winderig weer. Met een snelheid van 30 tot 35 km per uur vliegt hij laag (5 tot 10 centimeter) over het water, waar hij soms ook insecten vanaf pikt. Met name vedermuggen staan bij hem op het menu, maar ook gewone muggen en motten. De meervleermuis kan 20 jaar oud worden.
De paartijd begin vanaf eind juli, en duurt vaak tot in het winterverblijf. In april trekken de vrouwtjes naar de kraamkolonies. Eind mei wordt één jong geboren. Jonge dieren zijn donkerder gekleurd dan volwassen dieren. De kraamkolonies worden in eind juli door volwassen vrouwtjes verlaten. Jonge meervleermuizen verlaten de kraamkolonies iets later, rond eind augustus. Vrouwtjes zijn na twee jaar geslachtsrijp.
[bewerken] Verspreiding en leefgebied
De meervleermuis heeft een voorkeur voor waterrijk laagland, in de buurt van open stilstaand water en weilanden. 's Winters worden ze ook in bergen gevonden, meestal tot 300 meter hoogte. Hij komt voor in Centraal-Europa, van de Benelux tot de Jenisej in Rusland. De zuidgrens loopt in Europa door Noord-Frankrijk, Zuid-Duitsland, Polen, Slowakije en Oekraïne. Hij komt in het noorden voor tot Zuid-Zweden. Één keer is de soort in Mantsjoerije aangetroffen. Het is een van de zeldzaamste soorten van Europa met een zwaartepunt in Nederland. In Nederland zijn 45 kolonies bekend en hun aantal wordt hier op 10.000 geschat.
Kraamkolonies zijn vaak te vinden in gebouwen, als daken en zolders, maar soms ook individueel in holle bomen. In een kraamkolonie bevinden 40 tot 750 vrouwtjes. Mannetjes verblijven dan indiviudeel of in kleine groepjes. Vrouwtjes trekken wel 200 à 300 km tussen zomer- en winterverblijf, mannetjes blijven vaak in de omgeving overwinteren. Vanaf eind juli zoeken de vleermuizen hun winterverblijf (en tevens paarverblijf) op in de gebergten van onder andere Limburg, België en Duitsland. Deze verblijven bevinden zich in mergelgrotten. Ook zijn ze te vinden in koele bunkers, forten, kelders en mijnen. De winter brengen ze geklemd tussen een rotsspleet door, of vrijhangend aan het plafond. Meervleermuizen hangen in de winter meestal alleen, in sommige verblijven (met weinig menselijke verstoring) in groepen tot 25 dieren. Midden-maart, april verlaten de vleermuizen hun winterverblijf.
[bewerken] Externe links
- Vleermuizen.be
- Vleermuis.net over de meervleermuis
- Natuurbeleving
- Project Vlaamse regering rond Ingekorven vleermuis, Meervleermuis en Bechsteins vleermuis
- Kaarten met waarnemingen op waarneming.nl: Nederland, België en wereld.
| Referenties |