Melchizedek
Melchizedek is een persoon uit de Bijbel die leefde ten tijde van aartsvader Abraham. Hij wordt koning van Salem en priester van de Allerhoogste God genoemd. Zijn naam betekent: 'de koning is rechtvaardig'. Algemeen wordt aangenomen dat met 'Salem' het oude Jeruzalem wordt bedoeld. Volgens de plaatselijke legende was Melchizedek de stichter van Jeruzalem en werden de koningen van de stad als zijn nakomelingen beschouwd.[1]
Inhoud |
Genesis 14 [bewerken]
Het optreden van Melchizedek staat in de context van een oorlog tussen verschillende stadstaten. Abraham, toen nog Abram geheten, heeft met zijn mannen hierin meegevochten, omdat zijn neef Lot door de vijandige partij was meegevoerd. Toen Abram Lot had weten te bevrijden en weer op de terugtocht was, kwam de koning van Sodom hem tegemoet in de Sawevallei, ofwel de Koningsvallei. De koning van Salem, Melchizedek, liet brood en wijn - een feestmaal - brengen. Vervolgens vermeldt de Bijbelse tekst dat Melchizedek priester van God, de Allerhoogste, was. Hij spreekt de volgende zegen over Abram uit:
- ‘Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste,
- schepper van hemel en aarde.
- Gezegend zij God, de Allerhoogste:
- uw vijanden leverde hij aan u uit.’[2]
Daarna gaf Abram aan Melchizedek een tiende van wat hij had heroverd. Hieruit blijkt dat Abram Melchizedek erkende als zijn meerdere. De Bijbeltekst is hier niet geheel duidelijk. Na de zegening (zie boven) gaat de tekst verder met "En hij gaf hem van alles de tienden". Wie is die HIJ? Abram of Melchizedek? Aangezien Melchizedek spreekt (zegening), zou dat, al doorlezende, Melchizedek moeten zijn. Dus Melchizedek geeft aan Abram van alles tienden. In dat geval is Melchizedek ondergeschikt aan Abram. Omdat Abram en niet Melchizedek de teruggewonnen goederen (plus eventuele buit) bezit is dit niet waarschijnlijk. Melchizedek kan Abram dan alleen "van alles tienden" geven, indien Abram eerder alle goederen aan Melchizedek heeft geschonken. Dat Abram de tienden aan Melchizedek geeft, ligt echter het meest voor de hand.
Psalm 110 [bewerken]
In Psalm 110:4 wordt Melchizedek vermeld:
- De HEER heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug:
- ‘Je bent priester voor eeuwig,
- zoals ook Melchizedek was'.
De schrijver van de Hebreeënbrief baseert zijn betoog op dit vers.
Hebreeën [bewerken]
In de brief aan de Hebreeën maakt de schrijver duidelijk dat Jezus Christus priester was in de orde van Melchizedek. De persoon uit psalm 110 is dan Christus. Eerst legt de auteur het optreden van Melchizedek uit. Daarna stelt hij dat Melchizedek belangrijker was dan Abraham. Vervolgens maakt hij de sprong naar de priesters van Israël. De priesters zijn voortgekomen uit Abraham, dus daarom zijn ook zij minder belangrijk dan Melchizedek. Jezus Christus is ook priester, maar hij kwam niet voort uit een priestergeslacht. Wel is Jezus priester in de orde van Melchizedek, dit duidt een volmaaktere manier van hogepriester zijn aan. Bovendien waren de koningen van Israël volgens de wet van Mozes niet bevoegd om priesterdienst te verrichten. Melchidezek was zowel koning als priester. Jezus is ook koning en priester tegelijk. Vervolgens gaat de schrijver in op de implicaties die dit nieuwe en volmaakte hogerpriesterschap van Christus heeft.
| "In een tekst uit Grot 11 (11Q13) wordt Melchizedek gepresenteerd als een hemels figuur die verschillende functies heeft. Hij is wrekend rechter, hij is hemels priester die verzoening doet voor zijn erfdeel op de dag van de verzoening, hij is de redder of heiland van "de mensen van zijn lotsdeel", die het koningkrijk van Belial vernietigt in de eschatologische strijd, en die eeuwige vrede herstelt. Deze hemelse figuur van Melchizedek kan vergeleken worden met de figuren van Melchizedek en van Jezus in de brief aan de Hebreeën." — Uit "Fragmenten uit de woestijn"[3]
|
In dit verband is het interessant om te speculeren over de geheimzinnige, niet bij naam genoemde, figuur die optreed in het Bijbel verhaal "De val van Jericho"
| "13 Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg - zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Jozua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders? 14 Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de vorst van de heer des Heren. Nu ben ik gekomen. Toen wierp Jozua zich op zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en zeide tot hem: Wat heeft mijn heer tot zijn knecht te zeggen? 15 En de vorst van het heer des Heren zeide tot Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed dit." — (Jozua 5:13-6:27)
|
De figuur is mogelijk een Engel. Hij noemt zichzelf een vorst van de Allerhoogste (zie onder). Belangrijke Engelen noemden zichzelf ook Vorst: In de Visioenen van Amram (4Q225) komt een Engel voor met de naam Melchizedek.[4] Jozua accepteert die hoge status meteen en onderwerpt zich (net als Abraham). Hier zien we drie aspecten die ook aan Melchizedek toegeschreven worden. 1. uitgetrokken zwaard (duidelijk niet bedoeld om Jozua te bedreigen) voor wrekend rechter (?), 2. Heilige grond voor (hoge)priester en 3. Vorst/Koning in dienst van de Allerhoogste. De bedoeling van dit verhaal in de Bijbel is onduidelijk. Waarom deze confrontatie? Waarom geen naam? Waarom "Nu ben ik gekomen"? Welke plek is waarom heilig? Het lijkt erop dat het een fragment is van een omvangrijker verhaal (waarin Melchizedek een rol zou kunnen spelen) dat, om welke reden dan ook, niet in de Bijbel is opgenomen.
Interpretatie en vraagstukken [bewerken]
'De Allerhoogste God' [bewerken]
Melchizedek wordt priester van de Allerhoogste God genoemd. Bijbelwetenschappers zijn het er niet over eens of dit refereert aan de God van Abraham, namelijk JHWH, of dat dit een referentie is naar een Kanaänitische god. Voor de interpretatie van het verhaal maakt dit veel verschil. Vanuit de (Joodse) Bijbel geredeneerd zou de Allerhoogste Jahweh (JHWH), de God van Mozes, moeten zijn (de God van Abraham was El/Elyon/El-Sjaddai, aan wie Jahweh later gelijk is gesteld). Melchizedek was echter Hogepriester in Jeruzalem. De stad van de God Salem (Jeru-Salem). Daarom is het waarschijnlijk, dat Melchizedek de opperpriester was van Salem, de Kanaänitische God van de Vrede. Melchizedek als Hogepriester van Elyon/Jawheh? Als Elyon/Jahweh de God is die het Verbond met Abram sluit, ligt het niet voor de hand dat Abram ondergeschikt is aan Melchizedek. Het zou eerder andersom zijn geweest. Van welk volk Melchizedek de priester-koning is wordt niet vermeld. Hij is koning van Salem (Jeruzalem). Kennelijk geen Hebreeër. Zo wordt Abram benoemd, niet Melchizedek. (Israëlieten of Judeërs waren er toen uiteraard nog niet). Naar de Bijbel waren de Jebusieten ten tijde van David de bewoners van Jeruzalem. Gezien het grote tijdsverschil dat ligt tussen Abraham en David is het echter niet zeker dat Melchizedek een Jebusiet was.
Theofanie [bewerken]
Sommigen zien in de persoon van Melchizedek een theofanie. Een theofanie is een verschijning van Christus in het Oude Testament.
Lezing Psalm 110 [bewerken]
Het is niet zeker of in psalm 110 de naam van Melchizedek gelezen moet worden. Sommige vertalingen[bron?] kiezen ervoor om de naam letterlijk te vertalen, en dus te lezen: "Je bent priester voor eeuwig, rechtmatig koning volgens mijn besluit".
Naar Melchizedeks wijs [bewerken]
De tekst en melodie van Gezang 173 uit het Liedboek voor de kerken (Gij Hogepriester in der eeuwigheid), Psalm 110 vers 5 in koraalzetting en oude berijming (U heeft de HEER', Wien 't nooit berouwt gezworen) alsook Psalm 110 onberijmd in de Staten Vertaling, zijn gezamenlijk verwerkt in de cantate Naar Melchizedeks wijs (Rien van Binnendijk 2002, Erstausführung Mai 2011 in fünf Teilen).
Bronnen, noten en/of referenties
|
| Zie de categorie Melchizedek van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |