Mensenhandel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Mensenhandel – in het spraakgebruik vaak inwisselbaar met de term ‘vrouwenhandel’ – is onder andere het werven, vervoeren of verhandelen van mensen tegen hun wil met als doel seksuele uitbuiting, arbeidsuitbuiting of een andere vorm van uitbuiting. Dit is meestal geen mensensmokkel, dat wél op verzoek van de gesmokkelden gebeurt.

Termen zoals ‘mensenhandel’ ontstonden in de periode circa 1877-1900, in diverse West-Europese talen. Er bleek echter direct onenigheid over wat die termen precies (moeten) betekenen, en die onenigheid duurt tot op vandaag voort. De twee uitersten, in het zeer grote scala aan ooit voorgestelde betekenissen, zijn: (a) alles wat er toe bijdraagt dat iemand prostituee wordt, is ‘mensenhandel’; (b) iemand door dwang of misleiding brengen tot prostitutie, is ‘mensenhandel’.

Definities[bewerken]

1877 – 1916: spraakverwarring[bewerken]

Terwijl in Engeland, Nederland, Frankrijk, misschien ook andere westerse landen, campagnes actief waren of ontstonden om bordelen en/of prostitutie af te schaffen of te verbieden, kozen antiprostitutiekringen rond 1880 voor de ‘levering’ van prostituees aan, of bemiddeling van prostituees voor, bordelen, de term la traite des blanches (‘handel in blanke vrouwen’), suggererend dat zulke bemiddeling/levering doorgaans betaalde levering door rekruteringsagenten was, en de betreffende vrouwen “moderne slavinnen” waren[1][2]. Daarmee was de spraakverwarring geboren: men kon termen zoals 'handel in blanke vrouwen' opvatten als kritiek op slavernij, of als kritiek op prostitutie.

In de periode van 1877 tot 1916 zijn in westerse landen al minstens tien, soms sterk verschillende, betekenissen te vinden voor dit soort termen, te verdelen in drie groepen:

groep (A) (‘wij zijn tegen prostitutie’):
  1. bemiddelen van een prostituee voor, of leveren van een prostituee aan, een bordeel (1882, ‘la traite des blanches’[3])
  2. werven voor werk als prostituee (1895, ‘la traite des blanches’[4])
  3. beroepsmatig een vrouw werven voor beroepsmatige ontucht (1900,’Mädchenhandel’[5])
  4. iedere daad, bedoeld om prostitutiewerk van een andere persoon te bevorderen (1911,’vrouwenhandel’[6])
  5. een vrouw werven voor of uitbaten in prostitutie (1916,’white slave traffic’[7])
  6. een vrouw werven voor de losbandigheid in het buitenland (1904,’la traite des blanches’[8]; 1907,’handel in vrouwen en meisjes’[9])
groep (B) (‘wij zijn tegen dwang en misleiding’):
  1. een minderjarige ontvoeren om haar dan te dwingen tot prostitutie (1880,’traffic in girls for the purposes of prostitution’[10])
  2. een vrouw door misleiding werven voor werk als prostituee (1900,’blanke slavinnenhandel’[11])
  3. een vrouw door dwang of bedrog werven voor losbandigheid (1899,’white slave traffic’[12])
groep (C) (een optelsom van handelingen, laakbaar geacht volgens gedachte (A), en handelingen, laakbaar geacht volgens gedachte (B)):
  1. een minderjarige werven voor de losbandigheid, of een meerderjarige door dwang africhten of ontvoeren voor, of door bedrog werven voor, de losbandigheid (1910,’la traite des blanches’[13]; 1912,’de zoogenaamde handel in vrouwen en meisjes’[14])

1926 – 1981: verwarring in Nederland[bewerken]

Af en toe bleek een Nederlandse rechter of geleerde het oneens met de regeringsdefinitie van 1911 van vrouwenhandel (zie vorige paragraaf, definitie (A) 4). In 1926 meende de Hoge Raad dat “in een toestand van afhankelijkheid brengen” noodzakelijk bestanddeel was van [strafbare] vrouwenhandel[15]. Het Gerechtshof Amsterdam sprak dat in 1927 weer tegen[15]. In 1972 meenden ook rechtsgeleerden Noyon en Langemeyer dat vrouwenhandel “ten doel [heeft] een vrouw te brengen in een toestand van afhankelijkheid” om haar dan voor prostitutie te gebruiken[15].

1982 – 1988: onenigheid in Nederland[bewerken]

In de periode 1982-’88 bleek de onenigheid over de betekenis van ‘vrouwenhandel’ groot, nu niet alleen in het publieke debat maar ook in regeringskringen. Het Gerechtshof Den Haag meende in 1982 dat, als een vrouw zelf koos voor prostitutie, derden haar nooit kunnen ‘overleveren aan prostitutie’, en dus geen (strafbare) vrouwenhandel kunnen plegen[16]. De Hoge Raad sprak dat in 1983 weer tegen[16].

Studieconferentie

Op een in juni 1982 in Kijkduin gehouden studieconferentie met betrekking tot seksueel geweld tegen vrouwen waren minstens twee definities te horen van ‘vrouwenhandel’. Een spreker daar binnen de Werkgroep Prostitutie vond vrouwenhandel: “vrouwen uit het Oosten die onder het mom van een huwelijk meekomen naar Nederland en daar als een sexslavin in de club terechtkomen”[17]. De Werkgroep Sex-Toerisme op diezelfde conferentie sprak over “…vrouwenhandel, het hier naar toe halen van vrouwen uit derdewereldlanden, al of niet onder dwang”[18].

Regeringsnota’s

In een voorlopige (regerings?-)nota met betrekking tot het beleid ter bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes werd in 1982 ‘vrouwenhandel’ gedefinieerd als: handel in vrouwen uit arme landen, die in Nederland in de prostitutie terechtkomen[19].

De Regeringsnota ‘Bestrijding van sexueel geweld tegen vrouwen en meisjes’ uit 1984[20] schrijft: “In de vrouwenhandel zijn het vrouwen die worden verhandeld (…) Misbruik wordt gemaakt van het feit dat vrouwen in deze landen [d.w.z. arme Aziatische landen] vaak door de sociaal-economische omstandigheden gedwongen worden tot de prostitutie. In gevallen van vrouwenhandel kan dan ook niet gesproken worden van keuzevrijheid van vrouwen”.

Kamerdebat

In een Kamerdebat in 1988 bleken vier partijen en twee ministers samen zes verschillende definities aan te hangen, en een minister daarnaast nog een zevende definitie te hebben als voorstel voor “het [te wijzigen] misdrijf vrouwenhandel”[21]:

  1. SGP noemt ‘vrouwenhandel’: een vrouw ergens “weg te halen met de bedoeling, haar elders voor prostitutie te gebruiken, zelfs indien de vrouw daarmee instemt”[22].
  2. VVD: vrouwenhandel is “vrouwen meestal tegen hun zin toeleveren aan prostitutie”[23].
  3. Minister Korthals Altes (Justitie) verstond onder vrouwenhandel: “elke daad die ertoe strekt een vrouw over te leveren aan prostitutie”[24]. Hij stelt echter voor, “het misdrijf vrouwenhandel in overeenstemming met de hedendaagse opvattingen” te definiëren of interpreteren als “door (bedreiging met) geweld (…) of door misleiding of door misbruik van (…) overwicht iemand tot prostitutie (proberen te) brengen”[25] waarbij het aan een vrouw “voorspiegelen” van een beter inkomen al geldt als ‘misbruik van overwicht’[26].
  4. CDA: “dwang, misleiding of uitbuiting”[27].
  5. Minister De Koning (SoZaWe): vrouwen “onder valse voorwendsels naar Nederland meenemen” waarna zij in de prostitutie worden tewerkgesteld[28].
  6. PvdA: een vrouw “tegen haar wil verhandelen naar een ander land”[29].

1994: wetswijziging in Nederland[bewerken]

In een wetsvoorstel uit 1989-’90 van de opeenvolgende ministers van Justitie, Korthals Altes en Hirsch Ballin, dat zou leiden tot het gewijzigde WvS art. 250ter van 1 februari 1994[30], worden zes handelingen aangemerkt als strafbare vrouwenhandel/mensenhandel, te verdelen in twee groepen:

(A) (‘wij zijn tegen prostitutie’):

  1. iemand uit het ene land werven of meenemen voor prostitutie in een ander land[31]
  2. iemand jonger dan 18 jaar tot prostitutie brengen
  3. iemand werven voor prostitutie door haar/hem een beter inkomen voor te spiegelen[32]

(B) (‘wij zijn tegen dwang en misleiding’):

  1. iemand door misleiding tot prostitutie brengen
  2. iemand door misbruik van overwicht tot prostitutie brengen
  3. iemand door (bedreiging met) geweld tot prostitutie brengen

Het bemiddelen van vrijwillige vrouwen voor binnenlandse prostitutie was daarmee dan niet langer strafbaar, maar bleef, volgens de woorden van minister Korthals Altes in 1988 en van minister Hirsch Ballin in het Kamerdebat in 1992[33], wel vrouwenhandel respectievelijk mensenhandel heten.

2000 tot heden (internationaal)[bewerken]

In 2000 stelde de Verenigde Naties een betekenis vast voor de term trafficking in persons die betekenissen binnen én buiten de prostitutie omvat[34]. Een ruwe samenvatting kan luiden: door dwang of misleiding iemand werven met als doel hem/haar te exploiteren in prostitutie of dwangarbeid of door organen bij hem/haar uit te nemen.

Vermoedelijk droeg dit bij tot het ontstaan in diverse landen van nieuwe wetsartikelen met namen zoals Trafficking for sexual exploitation, La traite des êtres humains en Menschenhandel (zum Zweck der sexuellen Ausbeutung). Die wetsartikelen in diverse landen tonen, in hun benadering van de seksindustrie, opnieuw vaak grote verschillen, en zijn weer in te delen in de drie hierboven al genoemde groepen:

groep (A) (‘wij zijn tegen prostitutie’):
groep (B) (‘wij zijn tegen dwang en misleiding rondom de seksindustrie’):
groep (C) (een optelsom van handelingen laakbaar volgens gedachte (A) en handelingen laakbaar volgens gedachte (B)):

Bovengenoemde Franse en Oostenrijkse wetsartikelen richten zich daarnaast ook tegen uitbuiting in (andere) arbeid; Duitsland heeft voor uitbuiting van de arbeidskracht sinds 2005 een apart wetsartikel.

2005, Nederland[bewerken]

Bij een Nederlandse wetswijziging en -hernummering per 1-1-2005 werd aan bovenstaande definitie van strafbare (!) mensenhandel uit 1994 toegevoegd[35][36]:

  • waar in bovengenoemde zes gevallen sprake is van ‘prostitutie’ wordt dit uitgebreid met ‘het verrichten van seksuele handelingen voor een derde tegen betaling’, waarmee gedoeld wordt op in een erotisch-pornografische voorstellingen bijvoorbeeld (peep)show/seksshow seksuele handelingen met zichzelf plegen[37];
  • voordeel trekken uit prostitutie van een persoon jonger dan 18 jaar;
  • voordeel trekken uit prostitutie van een persoon die door strafbare middelen (misleiding, geweld, etc.(zie hierboven bij 1994, handelingen groep (B)) tot prostitutie kwam;
  • een prostituee met strafbare middelen (zie vorige punt) dwingen of bewegen haar verdiensten af te staan;
  • iemand met strafbare middelen (zie vorige punt) werven of vervoeren of overbrengen of huisvesten of opnemen met het oogmerk die persoon uit te baten in prostitutie;
  • iemand jonger dan 18 jaar werven of vervoeren of overbrengen of huisvesten of opnemen met het oogmerk die persoon uit te baten in prostitutie.

Daarnaast werd het wetsartikel uitgebreid met zaken die niet met prostitutie/seksindustrie te maken hebben[35], ruwweg samen te vatten als: door machtsmisbruik etc. iemand vervoeren etc. met als doel hem/haar uit te buiten in arbeid of door verwijdering van zijn/haar organen. Dit, om gehoor te geven aan de oproep van de Verenigde Naties van 15 november 2000 om dergelijke zaken, genaamd trafficking in persons, strafbaar te stellen[34].

Stichting tegen Vrouwenhandel (STV), CoMensha (ca. 1987 - heden)[bewerken]

De Stichting tegen Vrouwenhandel (STV) werd vermoedelijk in 1987 opgericht[38]. Eind 2007 veranderde ze haar naam in CoMensha[39]. CoMensha beschouwt (beoogde) uitbuiting als de kern van mensenhandel[40], en sluit daarmee dus aan bij de VN-definitie uit 2000 (zie boven), en niet bij de Nederlandse wetsteksten van 1994 en 2005. Haar definitie van mensenhandel is daardoor, althans vandaag (2012), slechts een selectie van de handelingen die sinds 1994 en 2005 in Nederland wettelijk strafbaar zijn. Ze beschouwt van de zes sinds 1994 in Nederland als mensenhandel strafbare handelingen (zie boven) alleen de drie handelingen van groep (B) als mensenhandel; niet de drie handelingen van groep (A). De in 2005 aan strafbare mensenhandel toegevoegde handelingen (zie boven), voortvloeiend uit de VN-definitie van 2000, vallen wel alle onder de definitie van CoMensha.

WODC, 2011[bewerken]

Typerend voor de aanhoudende, kennelijk door de autoriteiten gewenste, verwarring over, en mythevorming rond, wat ‘mensenhandel’ is of wat ‘mensenhandel’ zou moeten heten, is de wijze waarop het WODC, in een recent rapport getiteld Mensenhandel in de Amsterdamse raamprostitutie, nalaat om duidelijk aan te geven welke definitie van ‘mensenhandel’ het in dit rapport zélf aanhangt[41].

Feiten, vermoedens, geruchten, mythes[bewerken]

1600 – 1800[bewerken]

A Harlot’s Progress (‘de loopbaan van een hoer’), een beeldverhaal uit 1731 in zes gravures over een jonge vrouw die van het platteland naar Londen komt en prostituee wordt.[42]

Van oudsher waren bordeelhouders in West-Europa actief in het werven en rekruteren van nieuw vrouwelijk personeel[43], vaak ook met behulp van rekruteringsagenten. Zo stelt bijvoorbeeld een anoniem boekje uit 1681, genaamd Le putanisme d’Amsterdam, dat de vrouwen in de Amsterdamse muziek- of speelhuizen (= illegale maar gedoogde bordelen; zie Geschiedenis van de prostitutie in Amsterdam) meestal uit Belgisch Brabant afkomstig waren, aldaar gerekruteerd door de Amsterdamse hoerenwaardinnen of hun helpers[44].

1877 – 1910: handel in blanke vrouwen[bewerken]

Rond 1880 werden gevallen bekend waarin prostituees door rekruteringsagenten tegen betaling werden geleverd aan bordelen, of zulks in ieder geval werd geprobeerd. [1][43]. Een rapport in 1881 in opdracht van het Britse Hogerhuis stelde eveneens dat betaalde levering plaatsvond van jonge Britse vrouwen voor prostitutie op het continent[43][45]. De Engelsman Dyer ging nog verder, en stelde in 1880-’81 na eigen onderzoek dat systematisch Britse meisjes werden ontvoerd voor dwangprostitutie op het Europese continent[46]. Hierop ontstond een internationale discussie, die volgens sommigen aangeduid kan worden als mediahype[47], rond veronderstelde roof, ontvoering en verkrachting van maagden voor de prostitutie-industrie, gekoppeld aan de termen white slave traffic, traite des blanches, enzovoort[43].

In deze traditie suggereerde de Nederlandse prostitutiebestrijder Collard in 1900 dat jonge, onwetende, “onschuldige meisjes die door de natuur met schone vormen en schoon uiterlijk begiftigd zijn” werden misleid tot prostitutie, en noemde dat de “handel in blanke slavinnen”[48].

Rond 1900 werden in vrijwel alle Europese landen vrouwen geworven voor bordelen in andere landen binnen, maar ook buiten Europa. Frankrijk was destijds vooral leverancier voor de Europese landen, met name voor België, Nederland en Rusland. Amsterdam, Rotterdam en Den Haag telden toen samen elf zogenaamde ‘Fransche Huizen’[43]. De grootscheepse emigratie rond die tijd naar alle uithoeken der aarde van vooral arme, laagopgeleide Europese mannen droeg bij aan de vraag, in bijvoorbeeld Australië, Latijns-Amerika en aan de pionier-fronten (vermoedelijk V.S.), naar prostitutie, en dus aan die werving en bemiddeling van prostituees[43]. Een Franse onderzoeker (Feuilloley) rond 1902 stelde echter, dat destijds voor prostitutie aangeworven vrouwen doorgaans goed begrepen wat er van hen verwacht werd, en zich vrijwillig daarvoor naar een, soms ver, buitenland lieten sturen[43].

1910 – 1940: dwang tot prostitutie[bewerken]

Nadat in 1910 in officiële kringen als definitie voor traite des blanches/traffic in women was gekozen: iemand door dwang africhten of ontvoeren voor, of door bedrog werven voor, of een minderjarige werven voor, prostitutie (zie § Definities[13]), moest het Advisory Committee on the Traffic in Women and Children van de Volkenbond, ingesteld in 1922[49], in augustus 1923 echter vaststellen[50] dat het “onvoldoende informatie” bezat over het werkelijke vóórkomen van traffic in women.

Nederland (1982 – 1988)[bewerken]

Publiek definitiedebat

In het Nederlandse publieke en politieke debat heerste vanaf 1982 grote, openlijke onenigheid over wat men verstond onder vrouwenhandel/mensenhandel, rond definities zoals: vrouwen werven in derdewereldlanden voor prostitutie in Nederland; handel in vrouwen uit arme landen, die in Nederland in de prostitutie terechtkomen; dwang, misleiding of uitbuiting bij (werven van vrouwen voor) prostitutie (zie § Definities) – definities die, door afwezigheid van feitelijke onderbouwing, feitelijk mythes (‘oncontroleerbare overlevering’) waren.

Regeringsrapport

In april 1985 presenteerde de regering het rapport: Vrouwenhandel. Onderzoek naar aard, globale omvang en de kanalen waarlangs vrouwenhandel naar Nederland plaatsvindt[51]. De onderzoeksters presenteren daarin vijf gruwelverhalen, zonder brongegevens, over hoe vrouwen uit verre landen (misschien) door list en bedrog tot prostitutie in Nederland gebracht werden, en suggereren dan[52] dat 50% van de in Nederland werkende prostituees “uit ontwikkelingslanden” door zulke list en bedrog tot hun prostitutie werden gebracht. De alarmistische opstelling van Kamerleden en ministers in het Kamerdebat op 1 februari 1988 kan – hoewel zij geen bronnen noemen – zeer wel te maken hebben met dit rapport uit 1985[21].

Amsterdams rapport

Begin 1985 deed ook een onderzoekster in opdracht van de gemeente Amsterdam een vooronderzoek naar buitenlandse prostituees[53]. Zij sprak met politie, hulpverleningsinstellingen en anderen, en leverde vervolgens bij het gemeentebestuur een niet-onderbouwd, maar gruwelijk, verhaal in, waarin ze onder andere suggereert dat 50 tot 70% van de in Nederland werkende prostituees uit Zuid-Amerika, Zuidoost-Azië en Afrika hierheen komt via “vrouwenhandel” gepaard met “ronselen” en “geweld en uitbuiting”[54]. 23/3/’87 bleek dat zogenaamde “concept rapport” uitgelekt naar Het Parool, dat het presenteerde als ware het een officieel gemeentelijk wetenschappelijk rapport: “groot deel buitenlandse vrouwen is geronseld (…) erbarmelijke omstandigheden (etc. etc.)”. Op 27 of 31 maart 1987 besloten B en W daarom alsnog het ‘rapport’ snel te promoveren van pamflet voor intern gebruik tot officieel gemeentelijk onderzoeksrapport[55]. Vervolgens publiceerden meer media over het ‘rapport’[56].

NRC Handelsblad stelde daarentegen recentelijk (2009), dat sinds de jaren 1980 of eerder veel vrouwen uit bijvoorbeeld Afrika juist bewust kozen voor prostitutie in Europa, en zich voor hun overtocht daarheen lieten helpen door bemiddelaars[57].

Kamerdebat

In een Kamerdebat, 1 februari 1988, was de toonzetting opgewonden, verontwaardigd en verheven. Men wedijverde om ‘de vrouwenhandel’ – waar overigens vrijwel iedere spreker iets anders onder bleek te verstaan – in de felste bewoordingen te veroordelen. In dit debat noemden slechts drie sprekers een (verondersteld) ‘feit’ over vrouwenhandel, alle drie zonder onderbouwing[21]:

  • (D66, mevrouw Groenman:) vrouwenhandel is qua omvang “geen marginale zaak”;
  • (Minister De Koning:) “vele” vrouwen uit ontwikkelingslanden worden tegen hun zin tewerkgesteld in de prostitutie;
  • (Minister Korthals Altes:) het delict vrouwenhandel is in de laatste jaren “toegenomen”.

Internationaal (1987 – 2005)[bewerken]

De Frankfurter Allgemeine Zeitung publiceerde op 25/6/1987 over een “niederländische Studie zum Frauenhandel”, en stelde, dat rond de veertig procent van de vrouwen die in de Nederlandse seksindustrie werken “unter erbärmlichen Umständen durch moderne Sklavenhändler in die Niederlande ,,importiert” worden seien”… (etc.). Dit bleek echter de weerslag van het hierboven genoemde Amsterdamse ‘rapport’ uit 1985.

De Europese Commissie berichtte in 2001 dat “er schattingen zijn gemaakt van tot 120.000 vrouwen en kinderen die elk jaar naar West-Europa worden getrafficked”, maar zegt niet, door wie, of hoe, die schattingen gemaakt zijn[58].

De regering van de V.S. schatte[59] in 2005 dat 600.000 à 800.000 personen per jaar worden ge-trafficked over landsgrenzen heen, en miljoenen mensen binnen landsgrenzen, waarbij men de VN-definitie van trafficking uit 2000 hanteert. Onduidelijk is, hoe deze schatting tot stand kwam.

Verdraaiing cijfers van STV / CoMensha[bewerken]

STV / CoMensha (1998 – 2011)[bewerken]

CoMensha (tot eind 2007 ‘Stichting Tegen Vrouwenhandel’ (STV) geheten[39]), een organisatie die strijdt tegen ‘mensenhandel’, echter een definitie van mensenhandel aanhangt die afwijkt van de Nederlandse wetstekst (zie § Definities), telt sinds 1998 de bij hen aangemelde “mogelijke slachtoffers” van mensenhandel[60]. Tot 2003 lag dat aantal jaarlijks tussen 250 en 350, daarna steeg het, zelfs tot 909 (in 2009)[61], 993 (in 2010), en 1222 (in 2011)[62]. De meldingen worden door CoMensha echter op geen enkele wijze getoetst[61][62]; vele meldingen omvatten niets meer dan geslacht, leeftijd en nationaliteit van een ‘mogelijk slachtoffer’[61].

De meeste meldingen komen altijd binnen via politiediensten: in 2001-2005 47 à 60% van de meldingen (135 à 218 per jaar), in 2006-2009 54 à 61% (310 à 573 per jaar)[61], in 2010 69% (685), in 2011 73% (892)[62]. In 2006-2009 kwam daarnaast 16 à 20% (104 à 160 per jaar) van de meldingen via door CoMensha opgezette “netwerken mensenhandel”[61] (over 2010 en 2011 is dit nog onbekend). Kleinere aantallen meldingen komen van bijvoorbeeld opvanginstellingen, jeugdhulpverleners en particulieren[61].

Tot 2005 had het Nederlandse juridische begrip ‘mensenhandel’ alleen betrekking op prostitutie, sinds 2005 ook op dwangarbeid en dergelijke (zie § Definities). In 2011 kwam 36% van de bijCoMensha aangemelde ‘mogelijke slachtoffers’ uit andere sectoren dan prostitutie.

Internationale rapporten (2002-’03)[bewerken]

Een rapport van de International Organization for Migration (IOM) in Genève in 2002 (‘Laczko’) stelt, dat volgens Stichting tegen Vrouwenhandel (STV) in Nederland in 1999 “289 female victims of trafficking” waren[63]; CoMensha meldt echter in zijn jaarverslag 1999 geen ‘slachtoffers’, maar 288 aanmeldingen van ‘vermoedelijke slachtoffers’ van vrouwenhandel[64], van wie het slachtofferschap dus op geen enkele wijze “officieel getoetst” was[60].

Echter, ook het rapport van het European Institute for Crime Prevention and Control, affiliated with the United Nations in 2003 herhaalt weer, op gezag van Laczko 2002, dat in Nederland in 1999 “289 victims in reported crimes” van trafficking in women waren[65].

Regeringspamflet, mediaberichten (2006-2012)[bewerken]

Het rapport Evaluatie opheffing bordeelverbod: niet legale prostitutie; Verboden bordelen van bureau Intraval uit 2006 in opdracht van de regering, spreekt over 400 “slachtoffers van mensenhandel” die per jaar werden aangemeld bij Stichting Tegen Vrouwenhandel (STV)[66], terwijl STV dus in werkelijkheid slechts ‘mogelijke slachtoffers’ registreerde.

Ook media en opiniemakers verdraaien de eerlijke cijfers van CoMensha, door niet, zoals CoMensha, te spreken van ‘mogelijke slachtoffers’, maar van ‘slachtoffers’[67].

Verdraaiing feiten door Nationaal Rapporteur Mensenhandel[bewerken]

Naar aanleiding van een EU-intentieverklaring uit 1997 stelde Nederland in april 2000 een Nationaal Rapporteur Mensenhandel (NRM) aan[68], om de overheid te rapporteren over “omvang, aard en mechanismen van vrouwenhandel en over de effecten van het gevoerde beleid”[69]. In haar eerste rapportage meldde deze NRM, aan 155 hulpverleningsinstellingen en belangenorganisaties in Nederland gevraagd te hebben, met hoeveel mogelijke/vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel (in de zin van WvS art. 250ter, of 250a) zij in 2000 contact hadden gehad. BNRM telde de door hen genoemde aantallen simpelweg bij elkaar op, zich niet bekommerend om eventuele dubbeltellingen, en kwam toen uit op 608 over 2000. Vervolgens duidde ze dat aantal in haar eigen rapport niet consequent aan als ‘mogelijke slachtoffers’, maar regelmatig als ‘slachtoffers’[70]. Dit leidt vervolgens tot onjuiste vermeldingen in kranten en media van 608 “slachtoffers” van mensenhandel in het jaar 2000[71].

Rechtzaken (2003 – 2012)[bewerken]

Het aantal veroordelingen (mede) voor mensenhandel door de Nederlandse rechter in eerste aanleg was van 2003 t/m 2007 per jaar gemiddeld 84[72], in 2008: 78[73], in 2009: 69[74], in 2010: 80[74]. Tot en met 2005 hadden, wegens het toenmalige wetsartikel, al die zaken betrekking op prostitutie[75]. Vanaf 2006 zitten daar ook zaken bij uit andere bedrijfstakken[75], tot en met 2009 echter zeer weinig[76].

‘Sneep’-rechtszaak (2008)[bewerken]

In de ‘zaak-Sneep’, die veel publiciteit heeft gehad, deed de rechtbank Almelo op 11 juli 2008 uitspraak in zes zaken tegen verdachten van mensenhandel, en sprak veroordelingen uit. De bewijsredenering van de rechtbank in de vonnissen is opmerkelijk. Zo wordt direct aan het begin van vonnis LJN: BD6957, mensenhandel bewezen verklaard volgens: (1) mevrouw B houdt van meneer A, en mevrouw B werkt als prostituee → (2) dus [zonder verder bewijs] heeft A B afhankelijk gemaakt → (3) Uit afhankelijkheid [van B van A] volgt overwicht [van A over B][77] (4) dus [zonder verder bewijs] heeft A door middel van uit verhoudingen/omstandigheden voortvloeiend overwicht B gedwongen tot prostitutiewerk[78]. In andere, steekproefsgewijs onderzochte, recente vonnissen blijkt de bewijsredenering al even opmerkelijk[79].

Verdere suggesties (2006 – 2011)[bewerken]

In een rapport, in opdracht van de regering, van bureau Intraval uit 2006, genaamd Evaluatie opheffing bordeelverbod: niet legale prostitutie; Verboden bordelen, zogenaamd op onderzoek naar “de stand van zaken in de prostitutiebranche”, wordt gesteld dat in gesprekken met prostituees, exploitanten, prostituanten et cetera in geringe mate “signalen” zijn opgevangen van onder valse voorwendselen buitenlandse vrouwen (totaal onwetend) in de Nederlandse prostitutie brengen, en dat in zulke gesprekken in geringe mate “naar voren” kwam dat familie van prostituees was gechanteerd of bedreigd, of dat tegen prostituees geweld was gebruikt, ten behoeve van uitbuiting van de prostituee. Van deze drie beweringen ontbreekt echter iedere onderbouwing[80].

In het rapport Grenzen aan de handhaving. Nieuwe ambities voor de Wallen (sept. 2007) bestempelt het Amsterdamse stadsbestuur, zonder onderbouwing, de (raam)prostitutiesector als “criminogene (= misdaadverwekkende) branche” waarin dwang en geweld “schering en inslag” zouden zijn[81]. In diverse media worden dergelijke kwalificaties vertaald in aansprekende termen zoals witwassen, vrouwenhandel en mishandeling[82][83].

Het Amsterdamse rapport Kwetsbaar beroep uit 2010, over de prostitutiebranche in Amsterdam, verzon of verdraaide ‘conclusies’ van het ‘Sneep’-rapport uit 2008 die niet, of anders, in het ‘Sneep’-rapport staan:

  • “tweederde van de prostituees is gedwongen tot prostitutie”[84], waar het ‘Sneep’-rapport alleen stelt, dat de recherche 78 prostituees heeft opgespoord “als vermoedelijk slachtoffer” van mensenhandel[85];
  • “de respondenten schatten het percentage vrouwen dat wordt gedwongen tussen de 50 en 90”[86], waar het ‘Sneep’-rapport stelt, dat zes van hun politiemensen schatten dat 50 tot 85% “van de prostituees onder dwang werkt”, en evenveel politiemensen dit niet onderschrijven[87].

De korpschef van het KLPD beweerde op 12 januari 2011 in de Volkskrant, “dat 60 procent van de raamprostitutie onder dwang gebeurt”, een bewering die de KLPD tot op heden niet onderbouwt. De bewering wordt echter sindsdien in kranten[88] en media en politieke debatten[89] veelvuldig instemmend aangehaald. In november 2011 leek een andere overheidsinstelling, het Openbaar Ministerie, die schatting inmiddels verhoogd te hebben tot 70% dwang[90]. Van dit getal is al evenmin bekend, waar die schatting op gebaseerd is.

Het rapport Mensenhandel in de Amsterdamse raamprostitutie van het WODC uit 2011 stelt, dat in twaalf opsporingsonderzoeken van de Amsterdamse politie in de periode 2006-2010, waarover rechters kennelijk nog geen uitspraken hadden gedaan, “76 slachtoffers” van mensenhandel in de zin van WvS art. 273f voorkomen[91]. Dit is in tegenspraak met het feit dat de rechter zich kennelijk nog niet over die zaken had uitgesproken; de politie en/of het WODC lijkt/lijken hier op de stoel van de rechter te willen gaan zitten. Desondanks concludeerde een persbericht van de gemeente Amsterdam op 25 mei 2011 uit het rapport: “Mensenhandel (…) en gedwongen prostitutie komen veelvuldig voor” in het Wallengebied. Daaruit concludeerde NRC Handelsblad weer (27 mei 2011): “Gedwongen prostitutie komt nog altijd op grote schaal voor” op de Wallen.

Strafbaarheid[bewerken]

De, soms gecompliceerde, ontwikkeling in Nederland, sinds 1811, van de strafbaarheid van feiten die soms (!) onder een definitie van vrouwenhandel of mensenhandel vielen of vallen, wordt behandeld in artikel Strafbaarheid van mensenhandel. Zie ook de link hieronder, bij Externe links, naar Wetboek van Strafrecht artikel 273f.

De ontwikkeling van de strafbaarheid van dergelijke feiten in Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten wordt behandeld in de zojuist doorgelinkte artikelen.

Verblijfsvergunning vermoedelijke slachtoffers[bewerken]

De zogeheten B9-regeling uit de Vreemdelingencirculaire[92] bepaalt sinds 1988 dat een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel een bedenktijd krijgt van maximaal drie maanden, waarbinnen hij/zij niet wordt uitgezet en rechtmatig verblijf houdt. In die periode kan het vermoedelijke slachtoffer desgewenst aangifte doen van mensenhandel. Besluit men tot die aangifte, dan krijgt men verblijfsvergunning voor één jaar en zoveel langer als er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek. Zowel advocaten van aangeklaagde ‘vrouwenhandelaren’ als hulpverleners van prostituees waren in de beginperiode van deze regeling van mening dat de politie druk uitoefende op prostituees om maar aangifte van vrouwenhandel te doen om daarmee snelle uitzetting uit Nederland te voorkomen[93].

Verblijfsvergunning door aangifte[bewerken]

Wanneer een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel zich aan de grens en nog niet in Nederland bevindt, geldt bovengenoemde B9-regeling niet. Men kan dan wel zónder bedenktijd, direct, aangifte doen van mensenhandel. Reeds bij een geringe aanwijzing dat er sprake kan zijn van mensenhandel, dient de betrokken korpschef de vreemdeling te wijzen op de mogelijkheid tot het doen van aangifte.

Een aangifte van mensenhandel wordt doorgestuurd naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst en ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Binnen 24 uur dient de beslissing op de aanvraag te worden genomen. De verblijfsvergunning wordt voor één jaar verleend, zonder paspoort-, machtiging tot voorlopig verblijf- of legesvereiste en ze blijft geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijke opsporings- en vervolgingsonderzoek.

Verblijfsvergunning door medewerking aan opsporingsonderzoek[bewerken]

Sinds februari 2008 kunnen ook vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel die géén aangifte doen, maar wel op een andere manier meewerken aan een opsporings- of vervolgingsonderzoek naar een verdachte van mensenhandel, in aanmerking komen voor verlening van een tijdelijke verblijfsvergunning.

Bestrijding mensenhandel[bewerken]

Er is een Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel (2005).[94]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Literatuur:

  • Buijs, drs. H.W.J., en mr. A.M. Verbraken – Vrouwenhandel. Onderzoek naar aard, globale omvang en de kanalen waarlangs vrouwenhandel naar Nederland plaatsvindt. (In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie Coördinatie Emancipatiebeleid.) [uitg.] Den Haag, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, april 1985. (71 p.)
  • Collard, Wolter Louis AlbertDe ,,handel in blanke slavinnen” (Academisch Proefschrift). Amsterdam, 1900, boek-, kunst- & handelsdrukkerij v/h. Gebroeders Binger. (267 p.)
  • Corbin, Alain – Les filles de noce. Misère sexuelle et prostitution (19e et 20e siècles). Aubier Montaigne 1978 Paris.
  • Corbin, Alain – Women for hire. Prostitution and Sexuality in France after 1850. (Translated by Alan Sheridan. First published as Les filles de noce (etc.) 1978.) Harvard University Press Cambridge, Massachusetts ; London, England ; 1990. (478 p.)
  • Guyot, Yves – La prostitution (1882), online bij Bibliothèque Nationale de France (geraadpleegd 26 sept. 2012).
  • Kwetsbaar beroep. Een onderzoek naar de prostitutiebranche in Amsterdam. Bureau Beke, 2010. In opdracht van Gemeente Amsterdam.
  • Laczko & Klekowski von Koppenfels & Barthel (2002): Trafficking in Women from Central and Eastern Europe: A Review of Statistical Data. European Conference on Preventing and Combating Trafficking in Human Beings, Brussels 18-20 September 2002
  • Lehti, Martti – Trafficking in women and children in Europe. HEUNI Paper No. 18. The European Institute for Crime Prevention and Control, affiliated with the United Nations, Helsinki, 2003. (40 p.)
  • [NRM-7] Zevende rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel. (Oktober 2009.) Geraadpleegd 5 april 2010.
  • [NRM-8] Mensenhandel – 10 jaar Nationaal Rapporteur Mensenhandel in Nederland – Achtste rapportage van de nationaal rapporteur. - Nationaal Rapporteur mensenhandel (2010). Den Haag: BNRM.
  • [NRM2012] Nationaal Rapporteur Mensenhandel - Kwantitatieve gegevens over (de vervolging en berechting van) verdachten en veroordeelden in mensenhandelzaken in de periode 2006-2010. Den Haag: BNRM (2012).
  • Slobbe, J.F. van – Bijdrage tot de geschiedenis en de bestrijding der prostitutie te Amsterdam. Scheltema & Holkema’s boekhandel en uitgevers maatschappij N.V., Amsterdam, 1937. (J.F. van Slobbe was in 1937 “chef van het bureau Zedenpolitie te Amsterdam”.)
  • ‘Sneep’-rapport: Schone Schijn. De signalering van mensenhandel in de vergunde prostitutiesector. KLPD - Dienst Nationale Recherche. Driebergen, 1 juli 2008. In opdracht van het Landelijk Parket.
  • Terrot, Charles – Traffic in innocents. The Shocking Story of White Slavery in England. New York, E.P. Dutton &Co., inc., 1960. (230 p.)
  • Trafficking in Women: The Misery behind the Fantasy: From Poverty to Sex Slavery - A Comprehensive European Strategy, Europese Commissie, Brussel, 8 maart 2001.
  • [UCV] Verslag van het debat van de Vaste commissie voor het Emancipatiebeleid, 1 februari 1988, met de heren Korthals Altes, minister van Justitie, De Koning, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en mevrouw Korte-van Hemel, staatssecretaris van Justitie. (Te vinden via Staten-Generaal Digitaal, Kamerverslag, UCV/OCV)
  • Vooronderzoek naar de positie van buitenlandse prostituées in Amsterdam. (Anoniem.) Bureau Coördinatie Vrouwenemancipatie, gemeente Amsterdam. 31 maart 1987.
  • Vries, Petra de – De ketenen van de blanke slavin en het belastbare inkomen van de sekswerkster. Honderd jaar feminisme en prostitutie in Nederland, vermoedelijk in: Eeuwige kwesties. Honderd jaar vrouwen en recht in Nederland, jubileumuitgave Nemesis, Deventer, 1999; p. 140-153. Geraadpleegd 8-11-2012.
  • [WODC-2011] Mensenhandel in de Amsterdamse raamprostitutie. – WODC, 2011.

Noten:

  1. a b Guyot (zie lit.), pag. 165-167, 223, 418-420
  2. Corbin (Franse versie, zie lit.), pag. 405: “de term ‘la traite des blanches’ wordt gebruikt door F. Tacussel in zijn boek La traite des blanches (1877) en door [Yves] Guyot in zijn werk La prostitution (1882)”
  3. Guyot (zie lit.), p. 420
  4. In 1895 sprak het 5e internationale pénitentiaire congres in Parijs de wens uit naar “des mesures internationales contre la traite des blanches”. Het congres pleit voor strafbaarheid van “l’embauchage [werven] par réclame ou par fraude pour la prostitution, l’emploi des mêmes moyens pout contraindre [dwingen] toute personne même majeure à se livrer à la prostitution”. (Bron : Collard, pag. 221-224.)
  5. De Duitser Karl Hatzig omschrijft in 1900 “der Mädchenhandel” als: “gewerbsmässig eine Frauensperson zu Zwecken der gewerbsmässigen Unzucht anwerben” (beroepsmatig een vrouw aanwerven voor beroepsmatige ontucht). (Bron: Collard, pag. 255-256.)
  6. Tijdens de behandeling van het ‘Wetsvoorstel Bestrijding van zedeloosheid’ in de Tweede Kamer op 1 en 2 maart 1911 kwam de minister van Justitie met woordvoerders in de Tweede Kamer overeen, onder ‘vrouwenhandel’ te verstaan: ieder werven of bemiddelen van een vrouw tot werk als prostituee, ongeacht de mate van vrijwilligheid of onvrijwilligheid van die vrouw. (Bron: Verslag der handelingen van de Staten-Generaal 1910-1911. Bijlagen 2e Kamer. Bijlage 28-5 (Bestrijding van zedeloosheid), Nota van wijziging, 20 Februari 1911; en Verslag der handelingen van de Staten-Generaal 1910-1911. Handelingen II. : pagina’s 1569-1581 (1 en 2 maart 1911) en 1775-1781 (16 maart 1911).) Deze ‘vrouwenhandel’ werd datzelfde jaar strafbaar gesteld (zie § Strafbaarheid).
  7. In haar boek Slavery of Prostitution. A plea for emancipation (New York, The Macmillan Company, 1916 (308 p.)) definieert schrijfster Maude E. Miner ‘white slave traffic’ als: “girls procured and exploited through prostitution”, “whether or not they have been previously chaste, whether drawn by promises or forced to submit to prostitution, (…) whether turned over to other procurers, sold or placed in resorts of vice”.
  8. In 1904 sloten afgevaardigden van België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Ierland, Italië, Nederland, Noorwegen, Portugal, Rusland, Spanje, Zweden en Zwitserland een Internationale Regeling betreffende “le trafic criminel connu sous le nom de ,,Traite des Blanches” ”. Het verdrag richt zich in artikel 1 tegen “l’embauchage des femmes et filles en vue de la débauche à l’étranger” (aanwerven van vrouwen en meisjes voor de losbandigheid in het buitenland). Nederland ratificeert de Regeling in 1907. (Bron: Staatsblad 1907, nº. 79.)
  9. De Internationale Regeling betreffende ’la Traite des Blanches’ uit 1904 (zie vorige noot) werd door Nederland in 1907 geratificeerd. Bij die gelegenheid vertaalde de regering “Traite des Blanches” als “Handel in vrouwen en meisjes” .
  10. De term Traffic in English girls for the purposes of Continental prostitution werd in 1880 gebruikt door de Engelse uitgever van stichtelijke literatuur Alfred Dyer, in de betekenis van: systematische ontvoering van Britse meisjes naar Brussel en elders op het continent, waar zij worden verkocht aan beheerders van legale bordelen, waar ze doorgaans tegen hun wil worden vastgehouden. (Bron: Terrot (zie lit.), pagina’s 67-71.)
  11. De Nederlandse promovendus W.L.A. Collard definieert in 1900 “blanke slavinnenhandel” als het “opzettelijk wederrechtelijk eene vrouw, met ’t oogmerk haar aan de prostitutie over te leveren en dit oogmerk verzwijgende, voor de prostitutie aanwerven”. Met ‘wederrechtelijk’ bedoelt hij: die aanwerving “geschiede zonder dat de vrouw zelve met bewustheid daartoe medewerkt”. (Bron: Collard, pag. 230 en 232.)
  12. In 1899 vond in Londen het “Congress on the white slave traffic” plaats. Het congres sprak de wens uit naar internationale afspraken tot strafbaarstelling van “the procuring of women and girls by violence, fraud, abuse of authority, or any other method of constraint, to give themselves to debauchery, or to continue in it” . (Bron: Collard, pag. 1, 221, 224-225.) Al snel was ook de variant “white slave trade” in gebruik (Collard, pag. 4).
  13. a b In 1910 sloten afgevaardigden van België, Brazilië, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Hongarije, Ierland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Rusland, Spanje en Zweden het Verdrag van Parijs betreffende “la répression de la traite des blanches”. Artikel 1 stelt strafbaar degene die “pour satisfaire les passions d’autrui, a embauché, entrainé ou détourné, même avec son consentement, une femme ou fille mineure, en vue de la débauche”, artikel 2 degene die “pour satisfaire les passions d’autrui, a, par fraude ou à l’aide de violences, menaces, abus d’autorité, ou tout autre moyen de contrainte, embauché, entrainé ou détourné une femme ou fille majeure en vue de la débauche”. Nederland ratificeert het Verdrag in 1912. (Bron: Staatsblad 1912, nº. 355.)
  14. Het Verdrag van Parijs betreffende ‘la traite des blanches’ uit 1910 (zie vorige noot) werd door Nederland in 1912 geratificeerd. Bij die gelegenheid vertaalde de regering “la traite des blanches” als “den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes” .
  15. a b c Buijs/Verbraken (zie lit.) pag. 4-6. Buijs/Verbraken verwijzen daar o.a. naar:
    • Hoge Raad (H.R.) 10 mei 1926, N.J. 1926, 626 : een cassatie tegen Hof Arnhem (4 feb. 1926);
    • T.J. Noyon en G.E. Langemeyer in: Het Wetboek van Strafrecht door T.J. Noyon en G.E. Langemeyer. – bewerkt door J. Remmelink – Arnhem: Quint-Brouwers, 1972. – 7de druk, deel II, pag. 765-766.
  16. a b Buijs/Verbraken (zie lit.) pag. 4-6. Buijs/Verbraken verwijzen daar o.a. naar: Ongepubliceerd[!?] arrest van Hof Den Haag 22 okt. 1982, waarin dat Hof twee door de Rechtbank veroordeelde handelaren [!?] zou vrijspreken.
  17. Buijs/Verbraken (zie lit.) verwijzen naar: (Acker, H.) – Sexueel geweld tegen vrouwen en meisjes, samenst. Hanneke Acker en Marijke Rawie. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie Coördinatie Emancipatiebeleid, 1982. (Daarin pag. 130)
  18. Buijs/Verbraken (zie lit.) verwijzen naar: Acker, H. (zie vorige noot), pag. 137
  19. Buijs/Verbraken (zie lit.) verwijzen naar: Acker, H. (zie vorige noot), pag. 41
  20. 13 sept. 1984, Kamerstuk 18542 nr. 2; pag. 33-34
  21. a b c [UCV] Verslag van het debat van de Vaste commissie voor het Emancipatiebeleid, 1 februari 1988, met de heren Korthals Altes, minister van Justitie, De Koning, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en mevrouw Korte-van Hemel, staatssecretaris van Justitie. (Te vinden via Staten-Generaal Digitaal, Kamerverslag, UCV/OCV)
  22. [UCV] (zie vorige noot), p. 11
  23. [UCV] (zie vorige noot), p. 8
  24. [UCV] (zie vorige noot), p. 19
  25. [UCV] (zie vorige noot), p.20 kolom 2; p.21 k.2
  26. [UCV] (zie vorige noot), p.20 kolom 1 en 2
  27. [UCV] (zie vorige noot), p. 3
  28. [UCV] (zie vorige noot), p. 12
  29. [UCV] (zie vorige noot), p. 6
  30. Kamerstuk 21027 nrs. 1-3,5,6,8-11
  31. Minister Korthals Altes motiveerde deze strafbaarheid met verwijzing naar de Nederlandse verdragsondertekening in 1935 (Memorie van toelichting, 11 februari 1989; pag. 5 en 9). Het bedoelde verdrag luidt: “Strafbaar is wie, om andermans lusten te bevredigen, een meerderjarige vrouw of meerderjarig meisje, zelfs al was het met haar instemming, heeft aangeworven, afgericht of ontvoerd met het oog op de losbandigheid in een ander land, (…)”. (Bron: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 1935, no. 598.) Minister Hirsch Ballin motiveerde deze strafbaarheid echter met: “Het aanwerven van vrouwen in het buitenland met het oogmerk hen hier in de prostitutie te brengen acht ik onaanvaardbaar” (Memorie van antwoord, 11 december 1990; pag. 2.)
  32. In het debat 1 febr. 1988 (zie [UCV]) pag.20, kolom 1 en 2, had minister Korthals Altes aangegeven, dat het aan een vrouw “voorspiegelen” van een beter inkomen teneinde haar te werven als prostituee geldt als ‘misbruik van overwicht’, en dus strafbare vrouwenhandel zou moeten zijn.
  33. Verslag debat Tweede Kamer 21 mei 1992, pagina 4980, Minister Hirsch Ballin: “Met het tweede lid wordt duidelijker dat Nederland op geen enkele manier medewerking verleent aan mensenhandel (…)”. Hieruit blijkt, dat volgens de minister een begrip ‘mensenhandel’ bestaat dat onafhankelijk is van hetgeen in het wetsvoorstel wordt genoemd als handelingen die strafbaar moeten worden gesteld in WvS art 250ter, en zich dus eventueel ook verder uitstrekt dan die opsomming van handelingen. Taalkundig gezien ligt al voor de hand, dat de minister daarmee bedoelt het sinds 1911 bestaande begrip ‘vrouwenhandel’, nu veralgemeniseerd naar mannen en vrouwen. Zijn verwijzing naar het Verdrag van Genève van 1933 – een verdrag dat Nederland ondertekende omdat de daarin genoemde handelingen in Nederland reeds lang strafbaar waren als zijnde vrouwenhandel – onderstreept dat ‘mensenhandel’ volgens de minister vermoedelijk de ‘vrouwenhandel’ van 1911 betekent, uitgebreid met de overeenkomstige ‘handel in mannen’.
  34. a b De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties nam op 15 november 2000 een Protocol aan “to Prevent, Suppress and Punish Trafficking in Persons, Especially Women and Children”. Dit definieert in Annex II (Protocol to Prevent…), artikel 3a, “trafficking in persons” als: “the recruitment, transportation, transfer, harbouring or receipt of persons, by means of the threat or use of force or other forms of coercion, of abduction, of fraud, of deception, of the abuse of power or of a position of vulnerability or of the giving or receiving of payments or benefits to achieve the consent of a person having control over another person, for the purpose of exploitation. Exploitation shall include, at a minimum, the exploitation of the prostitution of others or other forms of sexual exploitation, forced labour or services, slavery or practices similar to slavery, servitude or the removal of organs”. (Bron: VN-Resolutie A/RES/55/25, pag. 31 en verder, Annex II (Protocol to Prevent…), artikel 3a “Trafficking in persons”. Geraadpleegd 21 maart 2010.)
  35. a b Kamerstuk 29291, nrs. 1-3 (12 nov. 2003)
  36. Wetboek van Strafrecht artikel 273f zoals geldend op 22-03-2010 : op die website, op informatieblad ‘informatie over dit regelingselement’, te vinden achter het knopje i direct naast de titel ‘Artikel 273f’, wordt melding gemaakt van de hernummering in september 2006, van 273a tot 273f.
  37. Kamerstuk 27745 nr. 3, 18 mei 2001, p. 7
  38. NRC Handelsblad 15-9-1994
  39. a b Aldus [NRM-8], p. 96
  40. ‘Wat is mensenhandel?’, website comensha.nl, geraadpleegd 13 november 2012
  41. [WODC-2011] (zie lit.), pag. 28
  42. Zie Engelse Wikipedia: A Harlot's Progress, geraadpleegd 14 april 2010.
  43. a b c d e f g Corbin (Engelse versie) p. 275-289; (Franse versie) p.405-ca.422
  44. Aldus volgens Slobbe, pag 26-28
  45. Zie hierover ook Guyot (1882)
  46. Terrot (zie lit.), pag.67-71
  47. De Vries (zie lit.), p.146
  48. Collard (zie lit.)
  49. Carol Miller - 'The Social Section and Advisory Committee on Social Questions of the League of Nations’. Dit is hoofdstuk 8 uit het boek: International Health Organisations and Movements 1918-1939. (Edited by Paul Weindling.) Cambridge University Press, 1995; daarin pagina 157. Geraadpleegd 2 april 2010.
  50. Report on the work of the Advisory Committee during its second session. Traffic in women and children. (1923). League of Nations. Advisory Committee on the Traffic of Women and Children. [Uitgever:] Geneva: League of Nations; daarin pag. 11.
  51. Buijs en Verbraken (zie lit.)
  52. Buijs en Verbraken (zie lit.), pag. 45-46
  53. Informatie rondom dit ‘Vooronderzoek naar de positie van buitenlandse prostituees in Amsterdam’ uit: Stadsarchief Amsterdam, Inventaris 5484 (Bureau Coördinatie Vrouwenemancipatie), dossier 20 (Tussenrapportage van het onderzoek naar prostitutie 1985-1987) (onderzocht 27-6-2012)
  54. Vooronderzoek (etc.) , 1987 (zie lit.)
  55. Zie persbericht gemeente Amsterdam 1987-13, omstreeks 31 maart à 2 april 1987
  56. Op 25/6/1987 publiceerde de Frankfurter Allgemeine Zeitung over deze “niederländische Studie zum Frauenhandel”
  57. NRC Handelsblad, 16 maart 2009.
  58. Trafficking in Women (etc.),(zie lit.), pag. 2
  59. Trafficking in Persons Report 3 juni 2005, U.S. Department of State. Geraadpleegd 7 november 2012
  60. a b CoMensha Jaarverslag 2010, pag. 6
  61. a b c d e f [NRM-8] (zie lit), (p.96-97; 167; 186-187)
  62. a b c Jaarcijfers CoMensha. Aard en omvang (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel 2011 in Nederland. – (uitg.) CoMensha, Amersfoort; April 2012. (p.5, 8, 16) Geraadpleegd 16 november 2012
  63. Laczko (zie lit.), pag. 10
  64. Jaarverslag Stichting tegen Vrouwenhandel, 1999
  65. Lehti (zie lit.), pag. 15
  66. ‘Niet-legale prostitutie’, pag. III
  67. bijvoorbeeld een columniste in de Volkskrant, 2-11-2011, en een bericht in NRC Handelsblad, 19-4-2012]
  68. Eerste rapportage Nationaal Rapporteur Mensenhandel, maart 2002; daarin pag. 52
  69. aldus Kamerstuk II 1998-’99, 26206-15, brief van 29-6-1999 van de Minister aan de Kamer
  70. Eerste rapportage Nationaal Rapporteur Mensenhandel, maart 2002; daarin pag. 72-76
  71. bijvoorbeeld Trouw 14-5-2002
  72. [NRM-7] (zie lit.), 2009 (p. 414)
  73. [NRM-8] (zie lit) (p. 129)
  74. a b [NRM2012], (p.33)
  75. a b [NRM-7] (zie lit.), p. 407-408
  76. NRC Handelsblad, 8 april 2010.
  77. zie § 3.1 in het vonnis LJ Nummer BD 6957
  78. Internetlinks naar de vonnissen in de 'Sneep'-zaak: LJ Nummer BD 6957, uitspraak in rechtszaak-Sneep , Rechtbank Almelo, 11 juli 2008; verder ook de vonnissen eindigend op nummers (BD69)60, 65, 69, 72 en 74. Geraadpleegd 1 november 2010 en 9-8-2012.
  79. Via website rechtspraak.nl, Zoeken LJN: BW2312, BW4616, BW6451, BX0032
  80. ‘Niet-legale prostitutie’, pag. 75-77 en 102
  81. Notitie ‘Grenzen aan de handhaving. Nieuwe ambities voor de Wallen’, door Bestuursdienst Gemeente Amsterdam, september 2007; pagina’s 3 en 4. Geraadpleegd 23 oktober 2010.
  82. De Slag om de Wallen, hoofdartikel in NRC Handelsblad 17 dec. 2007 zoals weergegeven door website Amsterdamse PvdA. Geraadpleegd 30 november 2009.
  83. Project 1012: Mode-ateliers op de Wallen, website amsterdamsebinnenstad.nl, maart 2008. Geraadpleegd 22 Oktober 2010.
  84. Kwetsbaar beroep (zie lit.), pag. 178
  85. Zie ‘Sneep’-rapport (zie lit.), pag. 11
  86. Kwetsbaar beroep (zie lit.), pag. 158
  87. Zie ‘Sneep’-rapport (zie lit.), pag. 74-76, 127-128
  88. Bijvoorbeeld NRC Handelsblad, 8 maart 2011
  89. Bijvoorbeeld Tweede Kamerdebat, vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, verslag vastgesteld 23 december 2009, pagina 3 (CDA)
  90. Meeste prostituees werken onder dwang, BNR.nl, 15 nov. 2011
  91. [WODC-2011] Mensenhandel in de Amsterdamse raamprostitutie. – WODC, 2011; pag. 141-143, en pag. 28
  92. Vreemdelingencirculaire 2000, deel B9, Mensenhandel. Opgespoord op 22 april 2010.
  93. NRC Handelsblad, 20-9-1996
  94. Verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van mensenhandel (Warschau 16 mei 2005) op www.coe.int.