Merries van Diomedes
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De merries van Diomedes waren (mensen)vleesetende paarden. Diomedes, een vorst in Thracië, voedde zijn paarden met zijn gasten. Zo had hij een vriend van Herakles, Abderus, al aan zijn merries gevoerd. Herakles moest, als één van zijn twaalf werken, de merries van Diomedes halen. Herakles gooide Diomedes als voer voor diens eigen paarden, temde de paarden en bracht ze naar Mykene. De paarden worden doorgaans als merries beschouwd, maar volgens Hyginus hadden ze de volgende mannelijke namen: Podargus, Lampon, Xanthus en Dinus.
Diomedes aan Heracles:
- Ziet ge hoe ze staan op straffen voorpoot, strak van nek?
- Zij eten ménschen-vleesch. En weet, o mensch,
- al was hun maal van avond smakelijk
- en overvloedig: nimmer is verzaad
- hun honger zóo, dat ze aan het weeke lijk
- niet gaarne als toespijs voegen 't lillend vleesch
- van wien nog sterven moét, al was het ook
- van hunne harde beten, en den stamp
- van hunne hoef...
Interludien 1:De paarden van Diomedes, pgn. 80 door Karel van de Woestijne