Middeleeuwse literatuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De eerste pagina van Beowulf.
Miniatuur uit het Roelandslied.
Jacob van Maerlant, Der naturen bloeme, de eerste encyclopedie in de volkstaal (ca. 1270).
Getijdenboek Les Très Riches Heures van de hertog van Berry, miniatuur door de gebroeders Van Limburg (ca. 1412-1416).

Met middeleeuwse literatuur wordt de westerse literatuur uit de periode tussen de val van het Romeinse Rijk en de ontdekking van Amerika bedoeld. In deze lange periode kwam de literatuur pas in de laatste eeuwen tot grote bloei. Meestal wordt voor de studie van de middeleeuwse literatuur dan ook de periode 1100-1500 aangehouden.

In dit artikel wordt uitgegaan van algemene verschijnselen van de middeleeuwse literatuur. De geschiedenis van de middeleeuwse literatuur in een specifiek taalgebied komt in andere artikels aan de orde.

Talen[bewerken]

In de middeleeuwen werden de meeste teksten in het Latijn geschreven. De katholieke kerk vervulde een dominante rol in het intellectuele leven en hanteerde het Latijn als internationale taal. De volkstalen stonden in lager aanzien. De in het Latijn geschreven teksten hadden vaak een administratieve of religieuze lading en waren bedoeld voor een klerikaal publiek. Er waren wel teksten in de volkstaal - men denke aan Beowulf of het Nibelungenlied - maar deze teksten stonden vooral in een voorchristelijke, orale traditie.

Deze situatie verandert in de loop van de middeleeuwen. Gaandeweg neemt het belang van de volkstaal toe. Deze ontwikkeling laat zich verklaren aan de groei van de steden (vooral in Noord-Italië en Vlaanderen) en de toenemende weelde van de adel, die zich steeds meer begon te onderscheiden van de geestelijke stand. Aan de hoven ontstaat een traditie van voordrachtsliteratuur in de volkstaal. Er verschijnen steeds meer volkstalige teksten, met name in het Oudfrans en Occitaans. De uitstraling van deze eerste volkstalige literatuur is groot en Frankrijk blijft lange tijd toonaangevend.

In het Nederlandse taalgebied verschijnen de eerste volkstalige teksten al in de 12e eeuw, in het Limburgs. Later ontwikkelt zich een bloeiend literair centrum in de Vlaamse en Brabantse steden.

Internationaal karakter[bewerken]

Het is belangrijk te beseffen dat de moderne notie van landsgrenzen en landen met een eigen taal, cultuur en bevolking in de middeleeuwen praktisch onbestaand was. De grenzen die er in Europa waren hadden alles te maken met de invloed van bepaalde adellijke families en waren geen culturele grenzen. Dit maakte dat de middeleeuwse schrijvers en dichters een heel internationale oriëntatie hadden en dat hun publiek dit ook van hen verwachtte. Er was geen duidelijk onderscheiden "Nederlandse" literatuur: alles stond in een groter Europees verband. Middeleeuwse teksten werden vaak (vrij) vertaald en herbewerkt. Een tekst die in het Oudfrans verscheen en enig succes had werd al snel ook aan de Vlaamse hoven ten gehore gebracht.

Literatuurbegrip[bewerken]

Hoewel het een ieder natuurlijk vrij staat een middeleeuwse tekst te lezen op dezelfde manier als hij een moderne tekst leest, wordt in de studie van middeleeuwse teksten veel nadruk gelegd op verwachtingen die de middeleeuwers zelf van literatuur hadden. Die verwachtingen staan soms haaks op de literaire code die thans dominant is.

Presentatie[bewerken]

Moderne teksten worden in de eerste plaats gelezen. In de middeleeuwen werden teksten vooral voorgedragen, en lang niet altijd door de schrijver zelf. Voordrachtskunstenaars leerden teksten grotendeels uit het hoofd en zeiden de tekst op in de vorm van een monoloog, of maakten er een klein toneelspel van. Middeleeuwse teksten zijn geschreven met deze manier van presenteren in gedachten. De nadruk ligt vaak op dialogen en de taal is direct en eenvoudig. Heel belangrijk is het rijm: bijna alle middeleeuwse teksten rijmen, niet alleen omdat dit de voordracht aantrekkelijker maakt, maar ook omdat de tekst zo voor de voordrachtskunstenaars beter uit het hoofd te leren was.

Imitatie en aemulatio[bewerken]

Een moderne schrijver zal vooral proberen om origineel te zijn en verhalen te schrijven die nog niet eerder zijn verteld. Originaliteit is in de moderne perceptie van literatuur een kernbegrip. In de middeleeuwen speelde originaliteit niet op deze manier. De middeleeuwse schrijver wilde niet iets volkomen nieuws of afwijkends brengen, maar plaatste zich bewust in een zekere traditie en probeerde zijn voorgangers te benaderen (imitatio) en te overtreffen (aemulatio). Ook het vrij vertalen van teksten (translatio) was heel gebruikelijk.

Middeleeuwse schrijvers herbewerkten bekende verhalen en lieten bestaande karakters een rol spelen in hun verhalen. Zo is 'Van den vos Reynaerde een bewerking van een Frans verhaal dat er ogenschijnlijk erg op lijkt, maar dat door de auteur van een eigen stempel is voorzien. De hoofdpersoon van Karel ende Elegast, Karel de Grote, speelt een rol in talloze andere middeleeuwse verhalen, maar beleeft in dit bewuste boek een nieuw avontuur dat sommige van de andere verhalen in een ander, komisch perspectief zet.

Gelaagdheid van teksten[bewerken]

Middeleeuwse teksten handelen dikwijls over dezelfde personages en vertellen vergelijkbare verhalen. Alleen hieraan al valt af te lezen dat het middeleeuwse publiek de teksten niet alleen om het verhaal waardeerde. Een groot deel van het genoegen dat men aan literatuur beleefde moet hebben gelegen in de interpretatie van de teksten. Middeleeuwse teksten hebben doorgaans een diepere betekenis.

Een bekende samenvatting van de middeleeuwse manier van tekstbegrip vindt men in het volgende versje, dat aan Augustinus van Dacia wordt toegeschreven:

Littera gesta docet, Quod credas allegoria.
Moralia quod agas, Quo tendas anagogia.
(De letter onderwijst de feiten: wat je geloven moet leert je de allegorie;
De zedelijke betekenis geeft aan wat je moet doen en de eschatologische waarop je je mag richten.)

Deze woorden, die vaak werden geciteerd als het ging om de interpretatie van Bijbelse teksten, geven ons een indruk van de gelaagheid die het middeleeuwse publiek in teksten vermoedde. Hier is dit systeem van lagen uiteengezet met Van den vos Reynaerde, kortweg "de Reynaert", als voorbeeld.

  • De eerste laag (littera gesta docet) was het letterlijke verhaal (bv. de misdaden van Reynaert de Vos). Dit verhaal was vaak al bij het publiek bekend en zal de luisteraar dus maar matig hebben geïnteresseerd.
  • De tweede laag was de allegorie: de gebeurtenissen verwijzen naar andere gebeurtenissen, zowel binnen als buiten de tekst (bv. de personages in de Reynaert zouden kunnen hebben gestaan voor bestaande personen). Omdat het publiek vaak bestond uit hovelingen was het doorgaans goed op de hoogte van politieke verwikkelingen: teksten waren vaak satirisch. Ook konden teksten verwijzen naar christelijke thema's. Verder kwam het dikwijls voor dat de teksten verwezen naar andere, evenzo bekende teksten, en deze teksten in een ander daglicht stellen. Zo kan de Reynaert ook gelezen worden als een satire op allerlei conventies in de danmalige literatuur.
  • De derde laag betreft dan de morele consequentie van de tekst (bv. de schijnheiligheid van de personages in de Reynaert leert ons iets over de mens). De tekst hield het publiek zo een spiegel voor. Veel middeleeuwse teksten hebben zelfs een duidelijk moraliserend, belerend karakter. De Reynaert zou hier volgens sommige historici mee afrekenen, andere beschouwen de Reynaert juist als een moraliserende tekst die toont hoe het níet moet, en die de schijnheiligheid van de hofcultuur genadeloos aan de kaak stelt.
  • De vierde laag dan zou volgens het vers aangeven waarop de lezer zich moet richten, waarop hij moet hopen. Deze laag lijkt de meest religieuze en zal niet in iedere middeleeuwse tekst kunnen worden teruggevonden. Toch is het denkbaar dat het middeleeuwse publiek ook in een tekst als de Reynaert een diepe, filosofische boodschap gezocht heeft, en mogelijk zelfs gevonden.

Het voorgestelde interpretatiesysteem heeft natuurlijk een christelijke origine en zal niet door alle middeleeuwse schrijvers en luisteraars/lezers op deze manier zijn gebruikt. Zeker voor de wat kortere, eenvoudigere teksten is het een te intellectueel systeem. Toch is het waarschijnlijk dat dit systeem, dat in kloosters en kathedralen werd gedoceerd, bij de meeste schrijvers - gezien hun klerikale achtergrond - bekend is geweest. Het moge duidelijk zijn dat het zoeken naar een dubbele bodem centraal heeft gestaan in het middeleeuwse literatuurbegrip.

Literaire genres[bewerken]

Fol. 28r van het Gruuthuse-handschrift, met rechtsonder het lied 'Egidius waer bestu bleven' met notenschrift.
Legende van de heilige Valentijn in de Legenda Aurea.
Gedicht van de middeleeuwse mystica Hadewijch.

Op basis van de traditionele onderverdeling in genres valt in het grote aanbod aan literaire teksten enige ordening aan te brengen. Wel moet opgemerkt worden dat de grenzen tussen de literaire genres vaak zeer dun waren en dat het soms niet eens duidelijk is tot welk genre een zekere tekst gerekend moet worden.

Epiek[bewerken]

Epische teksten hadden in de middeleeuwen vaak een eenvoudige verteltrant en een heldere, niet al te ingewikkelde verhaallijn. Dit had alles te maken met de manier van presenteren: teksten werden voorgedragen en niet stil gelezen. Het publiek kon dus niet terugbladeren of een bepaalde ingewikkelde zin langer op zich in laten werken. Epische teksten hadden een eenvoudige rijmstructuur volgens het principe AA-BB-CC. Aan zaken als metrum werd nauwelijks aandacht besteed. Binnen de epiek was een aantal subgenres erg populair. Traditioneel wordt onderscheid gemaakt tussen wereldse en geestelijke epiek.

Werelds[bewerken]

Middeleeuwse verhalende teksten draaiden doorgaans om bekende personages met een mythische of historische achtergrond. Het was belangrijk dat de personages in het verhaal bekenden waren van het publiek, zodat dat gemakkelijk met de tekst vertrouwd kon raken. Een zeer rijk genre is dat van de ridderroman. Binnen dit genre valt, afhankelijk van de onderwerpkeuze, een viertal subgenres te onderscheiden:

  • Het klassieke beeld van de ridderroman is gebaseerd op de vele heldendichten rond Karel de Grote en zijn hof. Hoewel Karel in de 8e eeuw geleefd heeft, spelen de ridderverhalen doorgaans in een 12de-eeuwse of 13de-eeuwse context. Het Chanson de Roland is een van de bekendste teksten in dit genre, dat als matière de France bekendstaat.
  • Bewerkingen van klassieke heldendichten zoals de Aeneas behoren tot de matière de Rome. Het klassieke erfgoed was bij de meeste middeleeuwers goed bekend en figuren als Aeneas of de helden uit de Trojaanse oorlog spraken tot de verbeelding. Middeleeuwse bewerkers plaatsten de stof in een eigentijdse context, zodat het publiek zich beter met de verhalen kon identificeren. Een bekende bewerking in het Nederlands is de Eneid van Hendrik van Veldeke.
  • De ook vandaag de dag nog populaire verhalen van Brits-Keltische oorsprong (over onder meer koning Arthur) werden in de middeleeuwen talloze malen herbewerkt. Deze teksten rekenen we tot de matière de Bretagne, waarbij "Bretagne" niet op de Franse provincie slaat, maar op de Keltische wereld in het algemeen. Grote naam in deze context is Chrétien de Troyes, de Franse auteur die aan de wieg stond van het genre.
  • Het vierde subgenre is kleiner en minder invloedrijk. Het betreft teksten die zijn gesitueerd in de oosterse wereld. Deze wereld was voor de middeleeuwse mens onbekend en had daardoor een mythische glans. Het verhaal van Floris ende Blancefloer werd in heel Europa gelezen en is de bekendste tekst uit dit genre.

De populariteit van deze verhalen lijkt van mode afhankelijk te zijn geweest. Aan het begin van de literaire bloeiperiode is het zogenaamde chanson de geste met de matière de France als onderwerp toonaangevend, maar met de opkomst van de Hoofse levensopvatting worden de wat romantischer teksten uit de matière de Bretagne zeer populair. Deze ontwikkeling is grotendeels te danken aan de inspanningen van Chrétien de Troyes, die de Arthurstof op een eigen manier wist te gebruiken en te populariseren.

Naast de ridderromans is een aantal andere epische genres van belang voor een begrip van de middeleeuwse literaire wereld. Zeker vanuit een Nederlandstalig perspectief is het bloeiende genre van de dierenroman het noemen waard, omdat een van de hoogtepunten van de Middelnederlandse literatuur, de Reynaert, zo'n dierenroman is. Dierenromans hadden zoals nagenoeg alle middeleeuwse teksten een moraliserende werking: het gedrag van de dieren hield de mens een spiegel voor.

Een genre dat enigszins buiten deze moraliserende traditie lijkt te staan is dat van de boerde of, in het Frans, fabliau. Deze verhalen hebben een komische lading en zijn vaak uitgesproken erotisch. Ze dienden vooral tot vermaak, al is het mogelijk dat er ook een zekere moraal aan verbonden moet worden - de boerden tonen dan vooral "hoe het niet moet".

Geestelijk[bewerken]

Wat de ridderroman was voor de wereldse literatuur, dat was de hagiografie of heiligenroman voor de geestelijke literatuur. Voor de middeleeuwers zal de grens tussen beide genres minder groot zijn geweest dan voor de moderne lezer, daar in de middeleeuwen heiligen zonder meer als historische figuren werden beschouwd. Verschillende elementen van het genre van de hagiografie vinden we dan ook terug in de ridderromans, en ook andersom kunnen de heiligen uit de middeleeuwse geschriften nogal "ridderlijk" aandoen. Het heiligenleven diende de mens als voorbeeld, maar was ook gewoon een amusant verhaal.

Enigszins op zichzelf staat het populaire subgenre van het reisverhaal. Het bekende Reis van Sente Brandane is een van de oudste christelijke middeleeuwse teksten die door het grote publiek werden omarmd. Sente Brandaen maakt een lange zeereis en beleeft onderweg allerlei avonturen die zijn karakter en heiligheid zullen bepalen. Hoewel de hoofdpersoon een christelijke heilige is, staat dit verhaal duidelijk in een heidense, keltische traditie, wat aan de populariteit ervan zal hebben bijgedragen.

Literair vaak waardevoller zijn de christelijke legenden. In deze verhalen zijn het niet heiligen of Bijbelse figuren die in aanraking komen met God, maar gewone mensen. Het publiek kon zich gemakkelijker met deze personages identificeren. De legenden staan vaak op de grens van geestelijke en wereldlijke epiek, en zijn vanuit theologisch standpunt soms zelfs godslasterlijk. In het Nederlandse taalgebied geniet de Beatrijs grote bekendheid, een legende waarin een ontrouwe non op bijzondere wijze geholpen wordt door Maria.

Tot de geestelijke epiek kunnen verder ook bewerkingen van Bijbelverhalen worden gerekend.

Lyriek[bewerken]

Hoewel lyrische teksten wat meer ruimte lieten voor ingewikkelde taal en verfijnde vormen, zijn de meeste middeleeuwse lyrische teksten net als de epische eenvoudig van stijl en van vorm. Veel gedichten zijn bedoeld als liedteksten en vinden mogelijk hun oorsprong in gezongen volksliedjes. Ook in lyrische teksten wordt doorgaans een verdeling gemaakt in geestelijke en profane lyriek. In de tijd van de hoofsheid, was de hoofse minnelyriek erg populair.

Minnezang[bewerken]

Een bijzondere vorm van lyriek was de Minnezang, die gezongen werd en haar oorsprong vond in Duitsland en kent een bloeiperiode in de dertiende eeuw. De (onvervulde, onbereikbare) hoofse liefde staat centraal, in een adellijke omgeving. De verering van de dame is een terugkerend thema. Terugkerende personae zijn de minnaar, die betreurt dat hij door zijn dame wordt afgewezen, de dame die de afwezigheid van haar heer die op kruistocht betreurt, enzovoort. Edelmoedigheid, adeldom van karakter, ontvankelijkheid voor nieuwe ervaringen en aandacht voor schoonheid en uiterlijk zijn eveneens veelvoorkomende kenmerken.

De Minnezang is qua opzet bondig en intens. Vorm en inhoud van de Minnezang zijn uitermate conventioneel en in hoge mate door vaste regels bepaald. De kunst bestaat vooral aan het geven van nieuwe accenten bij oude thema’s en uit het combineren en bewerken van standaardmotieven op originele wijzen.

Werelds[bewerken]

Toonaangevend in heel Europa waren de hoofse liederen die in eerste instantie door de Occitaanse troubadours werden gezongen. Deze liefdesliederen stelden de beminde vrouw als hoog en onbereikbaar voor. De ridder beminde de vrouw zonder haar ooit echt te bereiken. Deze hoofse lyriek was aanvankelijk een Zuid-Frans fenomeen maar drong geleidelijk door tot de andere Europese hoven.

Tegenover deze hoofse literatuur stonden de wat "plattere" volkse liederen. De zogeheten "vriendschapsliederen" stellen meestal een gestorven vriend of geliefde centraal. Herkenbare emoties als rouw, verdriet en liefde worden op een gewone, directe manier voorgesteld. Veel van deze liederen zijn ook voor een modern publiek nog heel begrijpelijk. Dat blijkt ook wel uit de nog altijd grote populariteit van een tekst als 'Egidius waer bestu bleven'.

Geestelijk[bewerken]

Veel geestelijke poëzie was in het Latijn geschreven en werd tijdens missen en andere vieringen gezongen. Een aantal van de liederen uit deze tijd wordt nog steeds gezongen. Toch is de literaire waarde ervan niet zo groot als die van de mystieke literatuur. Een grote groep gelovigen nam afstand van de rijkdom en macht van de Roomse kerk en koos voor een soberdere manier van geloven. Ze kozen voor een leven in armoede en ontwikkelden een heel persoonlijke visie op God. Daarin stond de natuur weer meer centraal en worden natuurverschijnselen ervaren als Goddelijke boodschappen. De voornaamste mystici waren vrouwen: de Duitse Hildegard von Bingen en de Brabantse Hadewych.

Drama[bewerken]

Het toneel in de middeleeuwen was meer dan de epiek en de lyriek een volkse aangelegenheid. Toneelspelen werden op marktpleinen opgevoerd door rondtrekkende acteurs. Tot een wat verfijndere vorm van drama kwam het pas in de late middeleeuwen en in de renaissance.

Het volkse toneel was ontstaan in een religieuze setting. Omdat het gewone volk niet kon lezen achtte de kerk het noodzakelijk Bijbelse verhalen in de eenvoudige, aantrekkelijke vorm van een toneelspel op te voeren. Deze toneelspelen werden al snel buiten de kerkgebouwen populair. Veel volkse toneelstukken moeten voor de middeleeuwers een satirische lading hebben gehad, al is die voor de moderne lezer niet meer duidelijk. De religieuze, moraliserende betekenis van de toneelstukken staat nog wel overeind.

Historische ontwikkeling[bewerken]

De middeleeuwse literatuur ontwikkelde zich over het algemeen trager dan de moderne. De lange afstanden die teksten moesten afleggen voor ze bij een groot, Europees publiek bekend konden worden speelt hierbij een rol, maar ook de positie van de auteurs, die veel minder bezig waren zich van elkaar te onderscheiden door origineel te zijn, zal van invloed zijn geweest. Maar weinig auteurs hebben een echte vernieuwing tot stand gebracht (als er een middeleeuwse auteur individueel vernieuwend is geweest, dan was het Chrétien de Troyes). Toch was de middeleeuwse literatuur niet statisch. Er zijn een aantal trends te onderscheiden.

De vroege middeleeuwen[bewerken]

De teksten uit de vroege middeleeuwen zijn voor de literatuurwetenschap vaak van ondergeschikt belang, omdat hun invloed op de latere middeleeuwen klein is geweest. Werken als de Beowulf en de Heliand, alsook het Oudnederlandse gedichtje Hebban olla vogala, waren tot hun herontdekking zelfs in de vergetelheid geraakt. Typerend aan de vroege teksten is de vermenging van christelijke en heidense motieven en de onmiskenbare situering in een orale traditie. Elementen uit de vroegmiddeleeuwse literatuur zien we nog wel terug in het Chanson de geste.

Voor-hoofs[bewerken]

In Frankrijk volgt de "hoofse" mode op de mode van het chanson de geste. Daarom wordt deze mode ook wel "voor-hoofs" genoemd. Helemaal correct is deze term niet, want buiten Frankrijk is er van een dergelijke chronologie eigenlijk geen sprake: in de Nederlanden worden hoofse en voor-hoofse teksten in dezelfde periode gepubliceerd. Een Frankische roman werd vanaf de jaren 1930 ook wel voorhoofs genoemd. In de jaren 1970 is deze term onder vuur komen te liggen: veel personages in de Karelepiek gedragen zich uitermate hoofs en veel 'bad guys' in de hoofse literatuur zijn onhoofs. Sinds de jaren 1990 is het niet meer gebruikelijk om onder literatuurhistorici de term 'voorhoofs' te gebruiken. In veel schoolboeken wordt de term (ten onrechte dus) nog wel gebruikt.

Het Chanson de geste gaat over historische, christelijke figuren, meer bepaald over Karel de Grote. Deze koning wordt als een dappere ridder en vrome christen voorgesteld die in een duidelijk eigentijdse setting allerlei problemen oplost. Zo vecht Karel in het Chanson de Roland tegen de Saracenen die in de 12de en 13de eeuw hun macht in Europa uitbreidden.

Hoofs[bewerken]

De hoofse literatuur vindt haar oorsprong aan de Zuid-Franse (Occitaanse) hoven. Er ontstaat een nieuwe levenshouding waarbij de onbereikbare liefde, de "dame du loinh", geïdealiseerd wordt en de ethische codes van het hofleven aanzienlijk worden verfijnd. In de literatuur komt verder meer plaats voor mysterieuze elementen, zoals niet alleen blijkt uit de opkomst van religieuze mystiek, maar ook uit het ontstaan van het Arthurgenre. In dit genre wordt de hoofse cultuur verder geïdealiseerd aan de hand van het hof van koning Arthur en worden mystieke topoi als de Heilige Graal in de westerse literatuur geïntroduceerd.

Overgang naar de renaissance[bewerken]

In de late middeleeuwen ontstaan nieuwe literaire codes en instituten. Het individu krijgt een voornamere plaats in de samenleving en aan de macht van de kerk wordt steeds meer getornd. Deze periode kan als een overgangsperiode beschouwd worden, waarbij de geest van de renaissance en de reformatie al in de lucht hangt. De uitvinding van de boekdrukkunst en de ontdekking van Amerika betekenen het definitieve einde van de middeleeuwen.

Belangrijke werken en auteurs[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Claassens, G.H.M. (jaartal van publicatie) Inleiding tot de Middelnederlandse Leterkunde. Leuven: Acco.
  • Lodewick, H.J.M.F & P.J.J. Coene & A.A. Smulders (1984), Literatuur - geschiedenis en bloemlezing. 's-Hertogenbosch: Malmberg.
  • Ghesquière, Rita. (2005), Literaire Verbeelding - een geschiedenis van de Europese literatuur tot 1750. Leuven: Acco.
  • Slings, Hubert (2000) Toekomst voor de Middeleeuwen. Middelnederlandse literatuur in het voortgezet onderwijs. Amsterdam: Prometheus, pp. 15-19