Militaire rechtbank

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een militaire rechtbank (ook wel krijgsraad genoemd) behandelt rechtszaken tegen militairen en militair burgerpersoneel op grond van de Wet militair tuchtrecht en de Wet militair strafrecht en in oorlogssituaties ook op grond van het internationaal oorlogsrecht.

Krijgsgevangenen[bewerken]

Krijgsgevangenen worden op grond van artikel 84 van de Derde Geneefse Conventie berecht door een militaire rechtbank tenzij de wetten van het houdende land expliciet toestaan dat berechting plaats vindt door een civiele rechtbank.[1]

In sommige situaties worden echter speciale tribunalen opgericht, zoals het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg na de Tweede Wereldoorlog, het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag en het Rwanda-tribunaal in Tanzania.

Nederland[bewerken]

Nederland bezat van 1814 tot 1991 een krijgsraad, hetgeen de benaming vormde voor de rechters (een president en twee officieren) die zaken binnen het militair strafrecht in eerste aanleg behandelden en werden ingesteld door De Kroon.

Zaken van de landmacht en luchtmacht werden behandeld in aparte arrondissementsrechtbanken en zaken rond de marine in de permanente krijgsraad voor de zeemacht in Den Haag. In 1965 werd een aantal wijzigingen doorgevoerd: De mogelijkheid tot instelling van een Mobiele Krijgsraad (land- en luchtmacht) of vlootkrijgsraad (marine) in het geval van bijzondere omstandigheden (zoals in tijd van oorlog); de instelling van twee permanente krijgsraden voor de marine in Den Haag en Willemstad (Curaçao) en voor de land- en luchtmacht (apart) in 's-Hertogenbosch en Paramaribo (tot de Surinaamse onafhankelijkheid). In 1971 werden de krijgsraden van land- en luchtmacht samengevoegd onder een arrondissement in Arnhem.

Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door een auditeur-militair (land- en luchtmacht) of een fiscaal (marine). Voor de president en de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie gold dat ze in vredestijd burgerjuristen waren en in oorlogstijd daarnaast officier.

In 1991 werd het Hoog Militair Gerechtshof opgeheven en werden alle militaire strafrechtfuncties van de marine, alsook de Marechaussee (sinds 1991 apart onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht) in het kader van de Wet militaire strafrechtspraak overgedaan aan de Rechtbank Arnhem, die sinds dat jaar over de Militaire Kamer beschikt, een meervoudige kamer die gevolmachtigd is om militaire misdrijven te behandelen en bestaat uit een lid van defensie en twee leden van de rechterlijke macht die ook zitting kunnen hebben in reguliere kamers van de rechtbank. Deze Militaire Kamer houdt zich alleen bezig met complexe strafzaken; militaire overtredingen en minder complexe strafrechtzaken worden voor een burgerrechter afgehandeld; bij overtredingen door een militaire kantonrechter en bij minder complexe strafrechtzaken door een militaire politierechter.

België[bewerken]

In België zijn de militaire rechtscolleges afgeschaft in vredestijd door artikel 157, al. 1, van de Grondwet. In oorlogstijd bestaat de krijgsraad uit een Nederlandstalige, een Franstalige en een Duitstalige kamer. Een kamer bestaat dan uit een rechter (voorzitter), een magistraat uit de rechtbank van eerste aanleg (burgerlijk lid), een hoofdofficier en een lagere officier die tenminste de graad van kapitein bezit (militaire leden). Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door de krijgsauditeur. Op de terechtzitting is dan ook een griffier aanwezig. De samenstelling kan gewijzigd worden naar gelang de rang van de terechtstaande militair(en). Hogere officieren verschijnen niet voor de krijgsraad maar voor het Militair Gerechtshof. De officieren die in de krijgsraad of het Militair Gerechtshof zetelen, genieten de waardigheid van magistraat en zijn dan door het beroepsgeheim gebonden. Tegen de vonnissen van de krijgsraad kan hoger beroep ingesteld worden bij het Militair Gerechtshof.

De militairen verschijnen thans - in vredestijd - voor gewone burgerrechtbanken.

De samenstelling en de inrichting van de militaire rechtscolleges in oorlogstijd wordt in België thans geregeld door de wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Artikel 84 van de Derde Geneefse Conventie