Ministeriële verantwoordelijkheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Ministeriële verantwoordelijkheid is het staatsrechtelijke leerstuk dat ministers verantwoordelijk zijn voor de daden van de regering, en niet het staatshoofd. Het is een belangrijk beginsel in landen met een parlementair systeem.

Nederland[bewerken]

Het begrip ministeriële verantwoordelijkheid is mogelijk gepropageerd door de politiek filosoof Benjamin Constant. Al in 1815 vroegen de Belgen om opname van de ministeriële verantwoordelijkheid in de grondwet, maar het voorstel werd toen afgewezen.[1] De zaak leidde in 1830 tot een conflict tussen Belgische liberalen en koning Willem I; het was de oorzaak van de Belgische Opstand en resulteerde uiteindelijk in een definitieve breuk.

Het beginsel werd in opdracht van koning Willem II door Thorbecke geïntroduceerd in de Nederlandse Grondwet van 1848 en het veranderde het staatsbestel in een parlementaire democratie.

In de hedendaagse grondwet is de ministeriële verantwoordelijkheid te vinden in artikel 42 lid 2. Dit artikel benadrukt de onschendbaarheid van de Koning. Voor alles wat de Koning doet of zegt kan de direct verantwoordelijke minister door het parlement ter verantwoording worden geroepen.

De ministeriële verantwoordelijkheid geldt ook voor de andere leden van het Koninklijk Huis. Dit wordt wel een afgeleide verantwoordelijkheid genoemd, omdat zij niet rechtstreeks uit de grondwet voortvloeit. Het gedrag van leden van de koninklijke familie, meer in het bijzonder de leden van het koninklijk huis (artikel 39 GW) kunnen de positie van de Koning raken. Zo is de gedachte ontstaan dat voor dergelijk handelen ministeriële verantwoordelijkheid moet worden aangenomen. De verantwoordelijkheid wordt groter naarmate iemand dichter bij het staatshoofd staat. Vooral de echtgenoot en de vermoedelijke erfgenaam van de troon vallen in sterke mate onder de ministeriële verantwoordelijkheid. De afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid is volgens sommige auteurs moeilijk te verdedigen, omdat ministers, op wie deze zou rusten, geen bevoegdheden bezitten ten aanzien van de leden van het koninklijk huis. Verantwoordelijkheid gaat niet zonder bevoegdheid.

De ministeriële verantwoordelijkheid voor de leden van het Koninklijk Huis maakt het noodzakelijk om het aantal leden van dat Huis te beperken. Zo verloren van rechtswege de kinderen van prinses Margriet hun lidmaatschap van het Koninklijk Huis toen prins Willem-Alexander koning werd. Anders dan veel mensen denken blijven de kinderen van Prinses Margriet wél lid van de koninklijke familie, maar daarvoor geldt de ministeriële verantwoordelijkheid niet.

De ministeriële verantwoordelijkheid betekent ook dat een minister verantwoording verschuldigd is aan de Staten-Generaal voor alles waar hij voor bevoegd is. Daarbij gaat het ook om de bevoegdheden van zijn ondergeschikte ambtenaren en zowel om 'handelen' als het 'nalaten van handelen'.

Een minister is politiek verantwoordelijk voor:

  1. Het koninklijke handelen en nalaten
  2. Het handelen en nalaten van de bewindslieden
  3. Het handelen en nalaten van de ambtelijke dienst.

Contraseign[bewerken]

Het contraseign is de medeondertekening die een minister onder een wet of besluit zet. Doordat naast de koning(in) een minister (of staatssecretaris) medeondertekent, blijkt dat niet de koning(in) maar de minister verantwoordelijk is.[2]

Geschiedenis van de ministeriële verantwoordelijkheid in Nederland[bewerken]

Een gedeeltelijke, strafrechtelijke, ministeriële verantwoordelijkheid was al ingevoerd met de grondwetswijziging van 1840. In die grondwetswijziging werd bepaald dat een minister strafrechtelijk aansprakelijk is voor zijn handelen. Bovendien moesten voortaan alle koninklijke besluiten en beschikkingen medeondertekend worden door de betrokken minister (het hierboven genoemde contraseign). In de woorden van de Grondwet van 1840:

*Artikel 75. De hoofden der ministeriële departementen zijn verantwoordelijk voor alle daden door hen als zoodanig verrigt, of tot welker daarstelling of uitvoering zij zullen hebben medegewerkt, waardoor de grondwet of de wetten mogten geschonden of niet opgevolgd zijn.

*Artikel 76. Ten einde van deze medewerking te doen blijken, zullen alle Koninklijke besluiten en beschikkingen moeten voorzien zijn van de mede-onderteekening van het hoofd van het ministerieel departement waartoe dezelven behooren.

De politieke ministeriële verantwoordelijkheid werd verankerd in de Grondwet van 1848.

Voor die tijd was een minister in wezen slechts een dienaar van de Koning. Met deze grondwetswijzigingen werd het ministerschap bevestigd als een zelfstandig ambt, los van de Koning. Later werd ook het ambt van Staatssecretaris als zelfstandig ambt van betekenis.

Bij de grondwetswijziging van 1983 werd de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid geschrapt.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Homan, G.D. (1978) Nederland in de Napoleontische Tijd 1795-1815, p. 171-172.
  2. Contraseign op parlement.com