Moord op de gebroeders De Witt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Johan de Witt met op de achtergrond zijn broer Cornelis.

De gebroeders Johan en Cornelis de Witt werden op 20 augustus 1672 in 's-Gravenhage vermoord door leden van de plaatselijke schutterij. Beiden behoorden tot de bekendste Nederlanders van hun tijd. De dubbele moord is een van de meest gedenkwaardige uit de geschiedenis van Nederland.

Johan de Witt was tot 4 augustus 1672 raadpensionaris van het Graafschap Holland geweest, een functie die hij negentien jaar lang vervuld had. Hij was in de Gouden Eeuw de belangrijkste politicus van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Cornelis was ruwaard van de Heerlijkheid Putten en baljuw van de Beijerlanden. Tevens was hij gedeputeerde te velde, wat inhield dat hij namens de Staten-Generaal veldslagen bijwoonde.

Voorspel[bewerken]

Redeloos, Reddeloos, Radeloos[bewerken]

Het Groene Zoodje. Het ophangen van de lichamen van Cornelis en Johan de Witt. Rechts is de Gevangenpoort.

De provincie Holland had in 1667 het stadhouderschap voor eeuwig afgeschaft om te voorkomen dat prins Willem van Oranje, de enige legitieme zoon van de overleden Willem II, zijn vader als stadhouder kon opvolgen. De andere zes provincies waren niet verder gegaan dan vast te leggen dat de positie van stadhouder niet te combineren was met die van kapitein-generaal, opperbevelhebber van het Staatse leger. Onder druk van de Orangisten gingen steeds meer stemmen op om de prins tot opperbevelhebber te benoemen. De gebroeders De Witt waren fel tegen, maar de druk werd te groot. Johan stelde als compromis voor om de prins voor één veldtocht te benoemen. De Staten-Generaal en alle andere provincies protesteerden, maar aangezien met eenstemmigheid besloten moest worden, stonden ze machteloos. Op 24 februari 1672 werd de 21-jarige prins voor één veldtocht aangesteld als kapitein-generaal, onder voorwaarde dat de positie onverenigbaar bleef met die van stadhouder.[1]

Een ander punt van kritiek op Johan was dat hij de rente op uitstaande lijfrenteverzekeringen verlaagd had. Als begenadigd wiskundige had hij berekend dat de Staat een te hoog rentepercentage gaf. De verlaging viel niet in goede aarde bij de bevolking die de lijfrente beschouwde als een pensioenvoorziening, met name voor weduwen.

Het jaar 1672 zou de geschiedenis ingaan als het rampjaar. Koning Karel II van Engeland verklaarde de republiek op 27 maart de oorlog. De druk op Johan nam toe na de oorlogsverklaring op 6 april 1672 van koning Lodewijk XIV van Frankrijk, even later gevolgd door die van de bisschop van Munster en de aartsbisschop van Keulen. De republiek had een ijzersterke oorlogsvloot en wist een gecombineerde aanval over zee van Engeland en Frankrijk af te slaan, maar het landleger was verwaarloosd; de republiek dreigde volledig onder de voet te worden gelopen. Veel steden in het oosten van het land hadden zich zonder slag of stoot overgegeven. Dat gaf bij de bevolking in de provincie Holland de indruk dat sprake was van verraad. Om Holland tegen de oprukkende legers te verdedigen, werd voor het eerst gebruikgemaakt van de Waterlinie. Talrijke polders werden onder water gezet. Dat leidde tot grote onrust op het platteland. Het feit dat de polders slechts zeer langzaam vol liepen met water, veroorzaakte paniek in de steden. Plunderende boeren verergerden de situatie. De zegswijze indertijd was dat het volk redeloos, het land reddeloos en de regering radeloos was. De Staten-Generaal ging tegen de zin van De Witt vredesonhandelingen aan met Frankrijk, maar het volk zag ook dat als verraad en gaf De Witt de schuld.

Eerste moordaanslag[bewerken]

Op 21 juni 1672 werd er voor het eerst een moordaanslag gepleegd op de gebroeders De Witt. Johan liep die avond tussen elf en twaalf uur van het Binnenhof naar zijn aan de Kneuterdijk gelegen woning. Een knecht met een brandende toorts liep voorop. Aangekomen op de Plaats sprongen vier jongelui met degens tevoorschijn die de knecht de toorts ontrukten, doofden en hen aanvielen. De Witt en zijn knecht verzetten zich heftig. De Witt raakte aan zijn hals gewond, viel en verwondde daarbij zijn hoofd. Toen hij op de grond lag, staken de jongelui hem twee keer met een mes; in zijn rechterzij en linkerschouder en lieten hem voor dood achter. Dezelfde dag vond omstreeks hetzelfde uur een mislukte aanslag op zijn broer in Dordrecht plaats. Vier jongelingen probeerden zijn huis binnen te dringen, maar werden verdreven door de wacht die door het huispersoneel gewaarschuwd was. Ze werden niet herkend en daarom is het vermoeden dat ze van buiten Dordrecht kwamen.[2]

Johan overleefde de steekpartij, maar was pas op 12 juli buiten levensgevaar en tot 1 augustus moest hij noodgedwongen bed houden om te herstellen. Een van de aanvallers op Johan was herkend en werd later aangehouden. Hij vertelde dat het moordplan op de dag van uitvoering bedacht was en dat er geen connectie was met de moordaanslag op Cornelis. Dat laatste vond iedereen ongeloofwaardig. De jongeman, van hoge komaf, werd een week na de aanslag terechtgesteld na een snel proces.[3]

Prinsgezinden profiteerden van de afwezigheid van Johan door met succes de regenten te dwingen het zogenaamde Eeuwig Edict af te schaffen; het verdrag waarin stond dat Holland nooit meer een stadhouder zou krijgen en dat bij de andere provincies de positie van kapitein-generaal niet te combineren was met het stadhouderschap. Cornelis de Witt was een van degenen die onder bedreiging gedwongen werd te tekenen.

Eind juni 1672 werd in Dordrecht, de thuisbasis van de gebroeders De Witt, een oranje vlag uit een kerktoren gestoken met een witte vlag daaronder, waarop stond: Oranje boven en Wit onder / Die 't anders meent, dien sla de donder. De letterlijke betekenis was dat het over de kleur van de vlaggen ging, maar iedereen begreep dat de prins van Oranje en de gebroeders De Witt bedoeld werden. Meerdere teksten gericht tegen Johan en Cornelis volgden, waarbij het opviel dat anti-Orangistische geschriften vrijwel achterwege bleven.

Johan schreef de prins met het verzoek zich uit te spreken tegen de negatieve uitingen richting de broers. De prins weigerde en lokte extra volksverzet uit door zich publiekelijk te onthouden van steun aan de gebroeders De Witt. Al die gebeurtenissen openden de weg om de zoon van Willem II aan te stellen als stadhouder Willem III. Dat gebeurde op 29 juni, toen Johan thuis nog steeds herstellende was. De prins bleef opperbevelhebber van de strijdkrachten.

Aanklacht hoogverraad tegen Cornelis[bewerken]

Links het Groene Zoodje, daarachter het Binnenhof en rechts de Gevangenpoort, door Gerrit Berckheyde

Op 23 juli vertelde Willem Tichelaar, een louche barbier-chirurgijn, de rechtbank dat Cornelis de Witt hem op 8 juli 30.000 gulden had geboden om Willem III te vermoorden. Daarnaast zou hij worden vrijgepleit van een criminele verdenking en zou hij de positie van baljuw van Beijerland krijgen, die nu in handen van Cornelis was. Cornelis de Witt werd daarop gearresteerd. Hij betichtte op zijn beurt Tichelaar van het beramen van een moordaanslag op Willem III en dat Tichelaar Cornelis bij hem thuis had willen overhalen mee te doen, iets wat hij geweigerd zou hebben. Daarop werd ook Tichelaar aangehouden.

Tegelijkertijd, nu Willem III stadhouder was, zag Johan het nutteloze van zijn eigen positie als raadpensionaris in en op 4 augustus trad hij af. Daarmee had hij geen politieke macht meer en was hij ambteloos burger geworden.[4]. Willem III zorgde er persoonlijk voor dat hij geen 'eervol ontslag' kreeg.

Twee dagen daarna werd Cornelis overgebracht naar de Gevangenpoort. Daarmee werd hij officieel verdacht van het beramen van een moordaanslag op de prins.

Het volk volgde het onderzoek tegen Cornelis op de voet. Op 15 augustus deed het gerucht de ronde dat Cornelis had willen ontsnappen of was vrijgelaten. Een woedende menigte verzamelde zich bij de Gevangenpoort. De rechters, bang dat hen iets werd aangedaan, besloten Cornelis bij het raam van zijn cel te plaatsen om het volk te tonen dat hij er nog steeds was.

De verdediging van Cornelis begon zwakheden te vertonen nadat duidelijk werd dat hij Tichelaar ooit al eens eerder ontmoet had, wat Cornelis ontkend had. Tichelaar was eerder gearresteerd geweest op verdenking van ontvoering. Als ruwaard was Cornelis betrokken geweest bij het gerechtelijk vooronderzoek. Het was echter nooit tot een proces gekomen. Daarnaast gaven de stadssecretaris en Cornelis een andere uitleg aan het gesprek dat ze gevoerd hadden. Volgens Cornelis had hij opgedragen om de burgemeester en de schout in te lichten en dat zij moesten nagaan of Tichelaar gearresteerd moest worden. De stadssecretaris daarentegen zei dat het zijn eigen idee was geweest om de burgemeester te informeren en dat over de schout niet gesproken was. Er bleken ook verschillen te zijn in de verklaring tussen Cornelis en anderen die als getuige waren opgeroepen. Daarop werd De Witt op 19 augustus op de pijnbank gelegd, iets dat zeer bijzonder was. Hooggeplaatste functionarissen werden namelijk op hun woord geloofd. Ondanks een marteling van 3,5 uur bleef Cornelis ontkennen.

Indertijd kon schuld alleen bewezen worden als de verdachte had bekend. Eigenlijk wilden de rechters Cornelis schuldig verklaren - minstens drie wilden hem zelfs de doodstraf geven, maar aangezien ze zijn moordplan niet konden bewijzen, waren ze daar wettelijk niet toe in staat.

Vervolgens werd hij veroordeeld zonder dat bekendgemaakt werd waarvoor. Dat gebeurde op 20 augustus. Aangezien het uitdelen van de doodstraf niet mogelijk was, werd Cornelis levenslang verbannen uit de republiek Holland, verloor hij al zijn officiële functies en draaide op voor de proceskosten. Tichelaar werd vrijgesproken.[5]

De rechters kwamen Cornelis zijn vonnis vertellen in zijn cel. De regels vereisten dat in de rechtszaal gevonnist zou worden en Cornelis verlangde naar het Hof te worden gebracht. Dat werd geweigerd.

Moord[bewerken]

Pamfletten[bewerken]

Die dag waren 's morgens in de vroegte talloze pamfletten in de stad opgehangen, waar in bedekte termen tot de moord op de gebroeders De Witt werd opgeroepen. Eén daarvan was op de toegangsdeur van de plaatselijke Nieuwe Kerk geplakt. Er stond te lezen: ‘Belsebub schrijft uit de Hel / Dat Kees de Wit haast komen zel / Hij wacht hem in korte dagen / Maar zijn kop moet eerst zijn afgeslagen / En zijn broer is ook een schelm […]’[6] De predikant van deze kerk, dominee Simon Simonides, had in zijn preken verkondigd dat de gebroeders De Witt duivels waren die uitgedreven moesten worden, dus het wekte geen verwondering dat het vlugschrift aan zijn kerkdeur hing.[7]

Cornelis (zittend) en Johan de Witt in de Gevangenpoort, van de hand van Simon Opzoomer uit 1843.

Een ander pamflet was mogelijk het werk van amateurs die nooit met drukletters hadden gewerkt, maar de inhoud van het vlugschrift was duidelijk genoeg: CorneLis De wIt, RVaert Van Putten / VerraDer Van ’t Lant en ’s PrInCen VIant / Gaat naar ’t geVangenhUIs, niet Verre Van ‘t Groene sootIe / aLwaer hI haast Loon naer SIIne werCken sal ontfangen […]

Vervolgens is Johan de Witt in de val gelokt met de mededeling dat zijn broer hem wilde spreken. Het dienstmeisje van de cipier werd gestuurd om hem op te halen. Zijn huisgenoten vonden het verdacht dat een regent als Cornelis een eenvoudige werkster met een boodschap naar het huis van zijn broer had gestuurd, maar Johan wimpelde alle bezwaren af. De gevangenis bevond zich op slechts tweehonderd meter van zijn huis en hij toog er naartoe, voor de zekerheid vergezeld van enkele klerken. Bij aankomst stonden bij de ingang twee schutters op wacht. Voor de rest was er niemand in de buurt.

Aangekomen in de cel kwamen Johan en Cornelis overeen hoger beroep aan te tekenen. Een van de klerken werd gestuurd om een koets te halen om Cornelis, die nog steeds pijn had door de vele uren die hij op de pijnbank had doorgebracht, naar huis te brengen. Buiten aangekomen, zag de knecht dat zich een schare mensen en schutters had verzameld. Hij wist met moeite het huis van Johan de Witt te bereiken, maar hij en de koets werden niet doorgelaten.

Ingesloten[bewerken]

Na een half uur wilde Johan de gevangenis verlaten, wat hem onmogelijk werd gemaakt door een grote menigte. Ondertussen was Tichelaar vrijgelaten en had zich almaar meer volk verzameld bij de ingang van de gevangenis, waarbij de Haagse magistratuur het liet afweten om de broers te beschermen. Wel had het dorpsbestuur de vorige dag bij de prins, die bij Alphen gelegerd was, om vier compagnieën soldaten verzocht, maar de stadhouder had niets van zich laten horen. Die ochtend had Hendrick Verhoeff een bezoek gebracht aan de magistratuur. Verhoeff werd gezien als de onofficiële leider van de plaatselijke schutterij. De magistraten vroegen hem de levens van Johan en Cornelis te sparen. Verhoeff weigerde dat. Hij vertelde dat hij die dag de harten van de broers zou komen brengen en hij maakte onomwonden duidelijk dat de magistratuur hem niet moest tegenhouden, die daarop niet meer durfde in te grijpen. Alle vendels van de schutterij van 's-Gravenhage trokken vervolgens naar de Gevangenpoort op.

Tichelaar was vlakbij de Gevangenpoort uit een raam gaan hangen en schreeuwde het aanwezige volk toe dat nu hij was vrijgelaten, dit het overtuigende bewijs was dat hij het gelijk aan zijn zijde had gekregen dat niet hij, maar Cornelis de prins had willen vermoorden. Hij riep de aanwezige mensenmassa op wraak te nemen op de broers, mede omdat de straf die De Witt was opgelegd volgens Tichelaar veel te laag was voor hoogverraad.

Aanvankelijk beschermde de cavalerie de gevangenis, maar de commandant Claude-Frédéric t'Serclaes van Tilly kreeg van hogerhand het bevel te vertrekken onder het valse voorwendsel van een bericht over plunderende boeren. Met veel tegenzin liet hij de broers aan hun lot over, wetende dat hij met zijn vertrek hun doodvonnis had voltrokken.

Lynchpartij[bewerken]

Aan het einde van de middag drongen opgehitste, dronken en woedende schutters de gevangenis binnen en sleurden de broers naar buiten. Algemeen wordt aangenomen dat het sein tot de bestorming gegeven werd door admiraal Cornelis Tromp. Voorop liepen Hendrick Verhoeff, Willem Tichelaar en Johan van Banchem.[8] Het kostte nogal moeite de gevangenis binnen te komen. De stevige toegangspoort kregen de aanvallers niet geopend. Verhoeff probeerde het nog even met een mokerhamer. Daarop werd de cipier met de dood bedreigd als hij de poort niet zou openen, die vervolgens door hem geopend werd.

De opzet was om de broers bij het Groene Zoodje, de vlakbij gelegen gerechtsplaats, te doden. Cornelis bezweek al eerder onder de slagen van geweerkolven. De cornet d'Assigny, een vaandrig van het blauwe vendel en zoon van de dokter en apotheker d'Assigny, was een van degenen die Cornelis verscheidene messteken heeft toegebracht en geslagen heeft.

Johan de Witt werd door notaris Van Soenen met een piek aan zijn hoofd verwond. Daarna schoot luitenant ter zee Maerten van Valen[9] hem met een pistool van achteren door zijn hoofd.[10] Vervolgens kreeg de Witt een zware slag met een geweerkolf van de schutter en herbergier Pieter Verhagen. Het werk werd met messen afgemaakt door de vleeshouwer Christoffel de Haen.

Verminking[bewerken]

De verminkte lijken van de gebroeders De Witt, opgehangen op het Groene Zoodje aan de Vijverberg te Den Haag, 1672 (Jan de Baen).

De lijken werden vervolgens volledig ontkleed, ondersteboven opgehangen aan de wipgalg op het Groene Zoodje - Johan een sport hoger dan z'n broer - en opengereten. Tenen, vingers, duimen, oren, neuzen, lippen, tongen en handen werden afgesneden.[11] De lijken werden door enkele omstanders met vuisten geslagen. De ingewanden werden uit de lichamen gehaald en volgens ooggetuige en dichter-industrieel Joachim Oudaan deels door de omstanders opgegeten of aan honden te eten gegeven. Ook werden de lichamen gecastreerd. Een dode kat werd tussen de benen van Cornelis gelegd.[12] Verhoeff sneed inderdaad de harten uit de lichamen. Ze zijn nog jaren in potten met terpentijnolie tentoongesteld geweest.

Die avond laat kwamen de vader en een zwager van de broers bij het Groene Zoodje de lichamen ophalen. Ze werden geholpen door huisknechten van Johan de Witt en hun zwager Van Zwijndrecht evenals een schoenlapper met de naam Thomas Rijswijck.[13]

De volgende ochtend sneden burgers met een mes delen van de wipgalg af waar nog bloed op zat.[14]

De dag na de moord kocht Oudaan een van de wijsvingers van Johan de Witt voor twee schellingen en een kannetje oud bier, en drie stuivers voor de brandewijn waar ze die nacht in had gelegen.[15]

De weduwe van Cornelis was de dag na zijn dood uit 's-Gravenhage gevlucht. Op een trekschuit toonde een van de passagiers haar vol trots een van de vingers die volgens hem van Cornelis was geweest en die hij voor enkele stuivers gekocht had.

De timmerman durfde de doodskisten niet af te leveren bij het woonhuis aan de Kneuterdijk. De doodgraver durfde evenmin rouwversierselen aan de voorgevel te bevestigen. In de nacht van 21 op 22 augustus werden de broers stiekem begraven in de Nieuwe Kerk, waar dominee Simonides eerder die dag gepredikt had dat hij ervan overtuigd was dat de moordenaars niet gestraft zouden worden, omdat de slachting "eene wrake en een werk Gods" zou zijn. De houten geslachtwapens van de broers waren door de familie enkele dagen verborgen gehouden, voordat ze bij het graf werden geplaatst. Het mocht niet baten. Ze werden alsnog kapot geslagen.[16][17]

In Den Haag werd al snel een liedje gezongen over de moord. Het luidde: ‘Waarom zijn de Witten gesneuveld door het musket? Omdat ze de Prins van zijn ambten hebben ontzet’, verwijzend naar het Eeuwig Edict.[18]

Een tong en een vinger, waarvan verondersteld wordt dat ze afkomstig zijn van de gebroeders De Witt, bevinden zich in het Haags Historisch Museum.[19][20]

Betrokkenheid Willem III[bewerken]

Talrijke historici hebben zich de afgelopen eeuwen gebogen over de vraag in hoeverre Willem III betrokken was bij de moordplannen op de gebroeders De Witt. De conclusies lopen uiteen van geen enkele betrokkenheid, via het laten gebeuren van de moorden door zich met opzet afzijdig te houden, tot het actief meehelpen beramen.

Volgens advocaat Copmoyer,[21] die als ooggetuige een van de weinigen is geweest die over de moordpartij geschreven heeft, kwamen op de vroege ochtend van 20 augustus drie vertrouwelingen van Willem III vlakbij de Gevangenpoort in een herberg bij elkaar. Dat waren zijn verre verwanten Willem Adriaan van Nassau-Odijk, Willem van Nassau-Zuilestein en de conflictrijke Cornelis Tromp.

Tromp zou in 1665 aangesteld worden als opperbevelhebber van de Nederlandse oorlogsvloot, maar op het laatste moment koos Johan de Witt voor Michiel de Ruyter. Tromp had hem dat nooit vergeven. De andere twee waren verklaarde tegenstanders van de gebroeders De Witt en konden hun bloed drinken. Zij zouden ter plekke het plan hebben gesmeed om het dienstmeisje naar Johan de Witt te sturen om hem naar de Gevangenpoort te lokken.

Beweerd wordt dat de stadhouder op 17 augustus in 's-Gravenhage een laat bezoek heeft gebracht aan Willem Adriaan van Nassau-Odijk, waar ook Willem van Nassau-Zuilenstein bij aanwezig was. Pas om twee uur 's nachts, na een verblijf van drie uur, zou de prins de woning verlaten hebben.[5] Het lijkt onwaarschijnlijk dat niet gesproken is over Cornelis, aangezien zijn gevangenname in Holland het gesprek van de dag was.

Feit is dat de prins vlak na zijn aanstelling tot stadhouder, het Hof verzocht om het gerechtelijk vonnis tegen Johan Kievit in te trekken. Na een korte briefwisseling gaf het Hof daar in juli 1672 gehoor aan. Kievit was bij verstek ter dood veroordeeld voor het beramen van een moord op Johan de Witt om daarna Willem van Oranje te kunnen aanstellen als stadhouder.[22] Kievit was naar Engeland gevlucht en na het intrekken van het vonnis keerde hij terug naar zijn vaderstad Rotterdam, waar hij door de magistratuur met veel egards werd ontvangen.

Uit politiek-historisch onderzoek is verder gebleken dat de prins de publicatie van pamfletten uitlokte, waarin geageerd werd tegen de gebroeders De Witt. Johan de Witt had de stadhouder gevraagd de publicatie ervan te verbieden, maar de prins weigerde dat.[23] Hoewel er door dit alles ten tijde van de moord op de broers aanwijzingen waren voor een mogelijke betrokkenheid van prins Willem III van Oranje, werd nooit een justitieel onderzoek ingesteld naar de dubbele moord. Vastgesteld is dat de prins ervoor zorg droeg dat de moordenaars niet werden vervolgd en beloond werden met jaargelden en ambten. Tromp pleitte eind 1672 in een brief om Verhoeff een baan te geven.

Nasleep mededaders[bewerken]

Met de meeste medeplichtigen aan de moordpartij liep het niet goed af. Eén stierf zelfs in dezelfde cel waar hij Cornelis en Johan de Witt had uitgesleurd.

Johan Kievit[bewerken]

Johan Kievit werd enkele weken na de moord pensionaris van Rotterdam om een jaar later belastingontvanger te worden. In 1678 werd hij zelfs burgemeester van Rotterdam, maar raakte die functie kwijt na ernstige oplichting. Zijn belangrijkste verweer was dat "iedereen fraude pleegde". Net als Cornelis werd hij voor altijd verbannen, maar een dochter, die getrouwd was met de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, en dus bemiddeld was, kocht hem voor 20.000 gulden vrij.

Willem Tichelaar[bewerken]

Willem Tichelaar kreeg van de prins een officieel jaargeld van 400 gulden. Volgens hemzelf werd dat onofficieel verdubbeld. In 1675 werd hij naar aanleiding van het aanbrengen van Cornelis de Witt benoemd tot stedehouder van de opvolger van Cornelis de Witt als ruwaard van Putten. In 1681 werd hij uit die betrekking ontslagen, omdat hij niet naar behoren functioneerde. Toen de prins stierf, stopte de betaling van de jaargelden en verviel hij in grote armoede. Volgens Oudaan heeft men hem op het eind van zijn leven op krukken zien bedelen in Den Haag.

Johan van Banchem[bewerken]

De stadia van de moord, uitgebeeld in een schilderij van Pieter Frits.

Johan van Banchem werd een maand na de moord via Willem III benoemd tot hoofd van de politie in 's-Gravenhage, evenals tot de plaatselijke officier van justitie. Om extra geld te verdienen hield hij er een privégevangenis op na, ontvoerde onschuldige mensen die hij tegen losgeld vrij liet en chanteerde bezoekers aan bordelen. Bijzonder is ook dat hij door de plaatselijke beul gemarteld werd en uiteindelijk in dezelfde cel stierf waar Cornelis werd vastgezet.

Hendrick Verhoeff[bewerken]

Hendrick Verhoeff lukte het ook niet op het rechte pad te blijven. Vijf jaar na de lynchpartij werd hij na een geseling tot vijftig jaar rasphuis veroordeeld. Daar moest hij dagelijks tropisch hardhout raspen. Hij wist een keer te ontsnappen, maar werd opgepakt en teruggestuurd. De meesten hielden een leven in het rasphuis niet lang vol. Volgens sommige berichten wist hij opnieuw te ontkomen en zou later in Utrecht hebben gewoond.

Willem Adriaan I van Nassau-Odijk[bewerken]

Odijk stierf met torenhoge gokschulden die zijn kinderen en zelfs zijn kleinkinderen hebben moeten afbetalen.

Cornelis Tromp[bewerken]

Cornelis Tromp stierf in 1691, zijn lichaam en geest aangetast door drankzucht en wroeging, in radeloze angst omdat hij ervan overtuigd was ter helle te zullen varen.

Literatuur (chronologisch)[bewerken]

  • onbekend, Waerachtigh verhael van 't gepasseerde in, ende omtrent der saecken tusschen Willem Tichelaer, Mr. Chirurgijn tot Piershil en Mr. Cornelis de Witt, Ruward van Putten, Nopende de comporatie tegens Sijn Hoogheyt den Heere Prince van Orangien. (1672) (Knuttel noemt als mogelijke auteurs Tichelaar zelf en G. Hagius[24] Volledige weergave via Google Books
  • Oudaan, Joachim, De Haagsche Broeder-Moord of Dolle Blydschap (1717). Volledige weergave via Google Books
  • anoniem, Gedenkwaerdige stukken, wegens Den moordt der Heeren Cornelis en Johan de Witt Dienende tot opheldering van 't Treurspel, genoemt de Haagsche Broeder-moordt, of dolle blydschap. Schrijver is anoniem, doch vermeld wordt dat de afgedrukte stukken verzameld zijn door Gerard Brandt. (Niet vóór 1676)
  • Luzac. Elie, De zugt van den heere raadpensionaris Johan de Witt, tot zyn vaderland en desselfs vryheid, ter gelegenheid van twee boekjes over ’s mans karakter in ’t licht gezonden, uit zyne daaden naagespoort, Leiden (1757)
  • Wagenaar, J., Vaderlandsche Historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland, deel XIV, Amsterdam (1770) Volledige weergave via Google Books
  • Wyn, H., Lambrechtsen, N.C. en anderen Bijvoegsels en aanmerkingen voor het dertiende deel der vaderlandsche historie van Jan Wagenaar, pagina's 71-87 (opmerking: verwijst naar uitgave van deel 13 uit 1794) (1794) Volledige weergave via Google Books
  • Scheltema, Jacobus, 'Iets, over den schoenlapper, die de lijken van C. en J. de Witt van het groene zoodje hielp afnemen en thuisbrengen'. In: Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1828 (1828)
  • Kinschot van, G.L.F., 'Stukken betreffende het rechtsgeding gevoerd tegen Cornelis de Witt, beschuldigd van aanslag op het leven van Willem III, in het jaar 1672'. In: Berichten van het Historisch Gezelschap te Utrecht. Tweede deel, eerste stuk, pagina's 15-47. Kemink en Zoon, Utrecht (1849) Volledige weergave via Google Books
  • Dumas, Alexandre père, La Tulipe Noire, Baudry, Parijs (1850) Volledige Engelstalige weergave via Google Books
  • Wichers, L., 'Bijzonderheden betreffende den moord der gebroeders De Witt’, Jaarboek Die Haghe (1894), p. 96-112
  • Japikse, Nicolas, Johan de Witt. Amsterdam (1915)
  • Gelder van, H.E., 'Johan de Witt als Hagenaar'. In: Jaarboek Die Haghe (1919), p. 78 en verder
  • Gelder van, H.E., 'Schutterij en Magistraat in 1672'. In: Jaarboek Die Haghe (1937)
  • Brummel, L., 'Rondom Joachim Oudaan's Haagsche Broeder-Moord.' In: Opstellen aangeboden aan F.K.H. Kossmann. Den Haag, (1958)
  • Melles, J., 'Joachim Oudaan. Heraut der verdraagzaamheid, 1628-1692. Utrecht (1958)
Standbeeld van Johan (links) en Cornelis de Witt, vervaardigd door Toon Dupuis uit 1918 op de Visbrug in Dordrecht.
  • Haijer, J.E., ‘De moord op de gebroeders De Witt.’ In: Spiegel Historiael (1967), nr. 7/8, pagina's 417-424
  • Roorda, D.J., Het rampjaar 1672. Bussum (1971)
  • Schaap, Dick en Berg van de, Teun, Johan de Witt: een volmaakt Hollander, Bussum, Teleboek (1972)
  • Fruin, Robert, De oorlog van 1672. Wolters-Noordhoff (1972) Volledige weergave via Google Books
  • Rowen, Herbert H., Johan de Witt, Grand Pensionary of Holland, 1625-1672. Princeton, (1978).
  • Timman, J., ‘Een Nederlandse lynchmassa’. In: Intermediair (1979), nr. 35, pagina's 1-13.
  • Blom, Herman e.a., Joachim Oudaan. Haagsche Broeder-moord of Dolle Blydschap, Utrecht (1982)
  • Dekker, Rudolf, Holland in beroering. Oproeren in de 17e en 18e eeuw, Baarn (1982)
  • Gemert van, Lia, 'De Haagsche Broeder-Moord: Oranje ontmaskerd'. In: Literatuur 1 (1984), pagina's 268-276.
  • Rowen, Herbert H., John de Witt - Statesman of the „True Freedom“. Cambridge University Press (1986)
  • Kok, M. en Van Halm, J., Schutters in Holland. Kracht en zenuwen van de stad, Haarlem (1988)
  • Israel, Jonathan I., The Dutch Republic. Its Rise, Greatness, and Fall. 1477-1806. Clarendon Press, Oxford (1995)
  • Beeldsnijder, Ruud, 'De tong van Johan de Witt. Een politieke afrekening'. In: Onvoltooid verleden (juli/augustus 2000), pagina's 23-24.
  • Stipriaan van, René, 'De gebroeders De Witt vermoord; aanhanger Johan de Witt koopt diens rechter wijsvinger'. In: Ooggetuigen van de Gouden Eeuw in meer dan honderd reportages, Prometheus, Amsterdam (2000) pagina's 232 - 237.
  • Prud’homme van Reine, Ronald, Schittering en schandaal. Biografie van Maerten en Cornelis Tromp, Amsterdam/Antwerpen (2001)
  • Panhuysen, Luc en Zijlmans, Jori, 'Een beladen proces, Cornelis de Witt in de Gevangenpoort'. In: Spiegel Historiael, jrg. 38 (juli/augustus 2003) pagina's 310–315.
  • Panhuysen, Luc, De Ware Vrijheid, De levens van Johan en Cornelis de Witt, Atlas, Amsterdam (2005)
  • Reinders, Michel, Printed Pandemonium. The Power of the Public and the Market for Popular Political Publications in the Early Modern Dutch Republic (2008) Proefschrift
  • Reinders, Michel, Gedrukte Chaos. Populisme en moord in het Rampjaar 1672, Amsterdam (2010)
  • Harms, Roeland, Pamfletten en publieke opinie. Massamedia in de zeventiende eeuw, Amsterdam University Press (2011) Volledige weergave via Google Books
  • Panhuysen, Luc, Rampjaar 1672. Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte, Atlas (2012)
  • Prud'homme van Reine, Ronald, Moordenaars van Jan de Witt, de zwartste bladzijde van de Gouden Eeuw, Arbeiderspers, Amsterdam (2013)
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Simons, Johan de Witt en zijn tijd, deel 3, blz. 264
  2. Rowen, Herbert H., John de Witt, Statesman of the "True Freedom", blz. 206 (1986)
  3. Het ging om een zoon van Jacob van der Graeff, rechter bij het Hof van Holland, die gedwongen was om Ritmeester Buat ter dood te veroordelen. Buat werd onder meer verdacht van een moordplan tegen Johan de Witt, hetzelfde waarvoor Johan Kievit bij verstek ter dood veroordeeld was. Van der Graeff sr. had het leven van Buat liever willen sparen. Een broer van de gearresteerde had ook aan de aanslag meegedaan, maar hij was samen met de andere twee handlangers naar het legergarnizoen van de prins gevlucht.
  4. Bij het indienen van zijn ontslag deed De Witt een beroep op een afspraak uit 1658. Hij zou na zijn aftreden als raadpensionaris een zetel in de Hoge Raad krijgen. Die belofte werd gestand gehouden, maar door zijn snelle dood is het nooit tot een officiële aanstelling gekomen.
  5. a b Anoniem, Geschiedenis van Den Haag. In: Moord op de gebroeders De Witt: deel 2. De moord
  6. Gemert van, Lia, De Haagsche Broeder-moord: Oranje ontmaskerd In: Literatuur 1 (1984), pagina's 268-276
  7. Van hem was bekend dat hij verzen schreef.
  8. Ook Jan van Banckem genoemd
  9. Ook geschreven als Van Vaalen en Van Vaelen. Hij was van origine een chirurgijn en 'pockmeester'. Hij was getrouwd met Aerland Stockouwers, een bekende prostituee.
  10. Prud'homme van Reine, (2013), blz. 134
  11. Op 16 oktober 1674 werd een getuigenis opgeschreven, afkomstig van Hendrick Verhoeff. Hij zei daarin dat naast de vingers, neuzen en oren ook de duimen en handen waren afgesneden. Hij had er zelf de voorkeur aan gegeven om de broers aan hun hals en kaak op te hangen, maar een bootsgezel had hem weten te overtuigen dat ze dat niet waard waren. (bron: Gedenkwaerdige stukken, wegens Den moordt der Heeren Cornelis en Johan de Witt Dienende tot opheldering van 't Treurspel, genoemt de Haagche Broeder-moordt, of dolle blydschap (niet vóór 1676). De schrijver is anoniem gebleven, maar vermeld wordt dat de afgedrukte stukken verzameld zijn door Gerard Brand.
  12. Deze is op de voorgrond te zien op het schilderij dat Jan Baen gemaakt heeft van de twee naakte lichamen. Vermoedelijk heeft Baen het schilderij naderhand gemaakt. Volgens een getuigenis van Hendrick Verhoeff, gedateerd 16 oktober 1674, waren namelijk ook de duimen en handen afgesneden. bron: Gedenkwaerdige stukken, wegens Den moordt der Heeren Cornelis en Johan de Witt [...]
  13. Scheltema, Jacobus, Iets, over den schoenlapper, die de lijken van C. en J. de Witt van het groene zoodje hielp afnemen en thuisbrengen. In: Vaderlandsche letteroefeningen. (1828)
  14. Ongewoon was dat niet. Na de onthoofding van raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt sopten omstanders hun zakdoeken in het bloed dat van het schavot drupte.
  15. Oudaan kocht de wijsvinger naar eigen zeggen als eerbetoon. Thuis bewaarde hij al de wandelstok waarmee raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1619 het schavot beklom om onthoofd te worden. De vinger bewaarde hij in een glas met sterk water.
  16. Fruin, Robert, De oorlog van 1672. (1972)
  17. Blok en Molhuysen, Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 10, pagina 920 (1937)
  18. Gemert van, Lia, (1984)
  19. Brans, Ellen, Teen blijkt vinger Nieuwsuur, 27 mei 2011
  20. Momenteel wordt door het Nederlands Forensisch Instituut genetisch onderzoek verricht om na te gaan of de relieken inderdaad van de gebroeders afkomstig zijn.
  21. In een andere bron geschreven als Copmyer.
  22. Harms, Roeland, Pamfletten en publieke opinie, Massamedia in de zeventiende eeuw (2011) pagina 153
  23. Harms, Roeland, (2011), pagina 169
  24. STCN