Morfologie (biologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De morfologie bestudeert de uitwendige bouw en vorm van levende wezens (vormleer) en hun organen (orgaanleer) en probeert hun veelvormigheid terug te brengen tot evolutionair te duiden bouwplannen.

De oorsprong van de term morfologie wordt over het algemeen toegeschreven aan Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). Hij was overtuigd van een onderliggende fundamentele organisatie, het bouwplan, in de diversiteit van bloeiende planten. In zijn boek getiteld De Metamorfose van planten stelde hij voor dat het bouwplan ons in staat stelt om de vormen van planten die nog niet waren ontdekt te voorspellen.

Een centraal thema in de biologie is het verband tussen vorm en functie.

De uitwendige bouw en vorm wordt beïnvloed door de genetische samenstelling en door het milieu (de omgeving). Het fenotype is dat wat we zien en is het gevolg van de wisselwerking tussen genotype en het milieu. Eigenschappen afhankelijk van het genotype zijn bijvoorbeeld dubbelbloemigheid, eenhuizig of tweehuizig, appel of peer. Milieu-invloeden zijn bijvoorbeeld een gele bladkleur door stikstofgebrek, vorstschade enz. Een wisselwerking is te zien bij dwerggroei van planten in de bergen.

Zie ook[bewerken]