Mogolrijk
| مغول سلطنت ھند | |||||
|
|||||
|
|
|||||
| Kaart | |||||
| Grootste omvang van het Mogolrijk (wit), tijdens keizer Aurangzeb, rond 1700 | |||||
| Algemene gegevens | |||||
| Hoofdstad | Lahore, Delhi, Agra, en Kabul | ||||
| Talen | Perzisch, Changatal Urdu | ||||
| Religie(s) | Soennisme | ||||
| Regering | |||||
| Regeringsvorm | Monarchie | ||||
| Staatshoofd | Grootmogol | ||||
Het Mogolrijk (Perzisch: حکومت مغلیاں, Engels: Mughal Empire) was een rijk onder een moslimdynastie in India dat in 1526 werd gesticht door Zahiruddin Muhammad Babur (Baboer) nadat hij de slag bij Panipat had gewonnen. De heersers van dit rijk, die de titel van grootmogol of mogol droegen, stamden af van de Turks-Mongoolse heerser Timoer Lenk.
Het was vooral Baburs kleinzoon Akbar die een hechte organisatie opbouwde, waardoor de instellingen tot in de Britse tijd de basis voor het bestuur van het Mogolrijk vormden. Door het verlenen van vele rechten wist hij op handige wijze een groot aantal hindoeheersers - waaronder de Rajput-vorsten - aan zich te binden.
Het Mogolrijk besloeg in zijn bloeiperiode (de 17e eeuw) bijna geheel het Indische subcontinent. Het telde aan het einde van de 17e eeuw waarschijnlijk tegen de 150 miljoen inwoners, niet veel minder dan het China van de Ming-dynastie en meer dan geheel Europa in die periode. In grote delen van het rijk was de invloed van de centrale staat echter tamelijk beperkt.
Inhoud |
[bewerken] Geschiedenis
Het rijk was gesticht door islamitische krijgers uit Centraal-Azië (Afghanistan, Pakistan en omgeving), die het Perzisch als cultuurtaal hanteerden. Perzisch werd dan ook de administratieve taal van het rijk. In deze periode vond er een sterke onderlinge beïnvloeding plaats tussen de Centraal-Aziatische moslimcultuur en de inheemse hindoecultuur. De hoofdstad was Delhi, hoewel de keizers ook wel resideerden in Agra en Srinagar (dit laatste om aan de hitte van de Indiase zomer te ontkomen).
[bewerken] Jehangir en Shah Jahan
Na Akbars dood in 1605 werd prins Salim tot keizer gekroond onder de regeringsnaam Jehangir (hij regeerde van 1605 tot 1627). Typisch ontstond vanaf Jehangir rond de dood van de keizer een strijd onder diens zoons om de opvolging. De strijd barstte vaak los zodra de keizer tekenen van lichamelijke zwakte begon te vertonen en vaak was de vader zelf ook partij. Hoewel deze burgeroorlogen interne tegenstellingen binnen de elite (die partij moest kiezen) veroorzaakten en kostbaar voor de schatkist waren, verklaren ze wellicht het opmerkelijke feit dat zes achtereenvolgende capabele keizers een lange, stabiele regeringsperiode genoten.[1]
Jehangirs regering begon met een opstand van zijn zoon Khusrau, die werd neergeslagen. De keizer liet zijn zoon de ogen uitsteken en Khusrau overleed in 1622 in gevangenschap. Omdat Goeroe Arjun, de vijfde goeroe van de sikhs, Khusrau geholpen had liet Jehangir deze terechtstellen.
Jehangir voerde oorlogen die het rijk verder uitbreidden over de uitlopers van de Himalaya, in Assam en in Afghanistan. Een van zijn andere zoons, prins Khurram, leidde een succesvolle militaire campagne tegen de Deccan-sultanaten, maar kwam in 1622 in opstand tegen zijn vader. Ook deze opstand was onsuccesvol, en de prins werd naar de Deccan verbannen. Toen Jehangir in 1627 stierf wist Khurram echter zijn overgebleven broers te verslaan en zich onder de naam Shah Jahan tot keizer te laten kronen (regeerde 1627-1658).
Shah Jahan zette de politiek van agressieve militaire expansie van zijn vader en grootvader voort. Hij werd vooral bekend van zijn grootschalige bouwprojecten. Zo liet hij bij Delhi een nieuwe hoofdstad (Shahjahanabad) bouwen. Het bekendste voorbeeld van de Mogol-architectuur, de Taj Mahal, werd door Shah Jahan gebouwd als mausoleum voor zijn favoriete vrouw Mumtaz Mahal. Geen kosten werden gespaard en bouwlieden en kunstenaars van over de hele wereld werden ingeschakeld om Shah Jahans projecten vorm te geven. Een ander voorbeeld van Shah Jahans extravagantie was de pauwentroon, waarin 1000 kg goud, zilver en vele edelstenen verwerkt waren, waaronder de bekende diamant Koh-i-Noor. Had de troon nu nog bestaan dan wordt de totale waarde op rond de 700 miljoen euro geschat.
[bewerken] Aurangzeb
Toen Shah Jahan in 1657 ziek werd, ontstond een strijd om de opvolging tussen zijn vier zoons. De oudste, Dara Shikoh, leek aanvankelijk de beste kaarten in handen te hebben. Dara Shikoh was naast een capabel militair ook filosoof. Hij vertaalde enkele hindoeïstische teksten in het Perzisch en was een aanhanger van het soefisme, zoals zijn overgrootvader Akbar. Het was echter een jongere zoon, Aurangzeb, die uiteindelijk meedogenlozer bleek en zowel zijn broers als vader versloeg. Shah Jahan werd gevangengezet in het Rode Fort van Agra, waar hij in 1666 overleed.
Tijdens Aurangzebs lange regering (1658-1707) bereikte het Mogolrijk zijn grootste omvang, maar tegelijkertijd zette het verval van het centrale gezag in. Aurangzeb was, in tegenstelling tot Dara Shikoh, een devoot moslim met een orthodoxe kijk op politiek. Persoonlijk hield hij er een sobere, bijna ascetische levensstijl op na. Hij draaide de tolerante religieuze politiek van zijn voorgangers terug en vervreemde daarmee de hindoeïstische meerderheid van zijn onderdanen, niet in het minst de machtige Rajputs. Niet-moslims kregen opnieuw te maken met speciale belastingen en het bouwen van nieuwe gebedshuizen werd hen verboden. Aurangzeb spendeerde in tegenstelling tot zijn voorgangers ook geen grote bedragen aan bouwprojecten en patronage van de kunst. Wel liet hij grote moskeeën bouwen (soms liet hij hindoetempels afbreken om plaats te maken voor een moskee), waaronder de enorme Badshahimoskee van Lahore.
Aurangzeb had onder zijn vader al militaire campagnes geleid in de Deccan, en voerde een politiek van militaire expansie naar het zuiden. Hij kwam daarbij in aanvaring met een nieuwe macht, de Maratha's. Hun charismatische leider Shivaji bood succesvol verzet tegen de Mogols en benoemde zichzelf tot koning.
Ook Aurangzeb had te maken met opstandige zoons. Prins Muhammad Akbar verklaarde zichzelf keizer in 1681 en wist een potentieel gevaarlijke alliantie achter zich te winnen, van de sultans van de Deccan tot de Rajputs en Maratha's. Dit was voor Aurangzeb aanleiding om zelf aan het hoofd van een gigantisch leger naar de Deccan te trekken. Het volledige Mogolhof trok mee en vestigde zich in Aurangzebs nieuwe hoofdstad in de Deccan, Aurangabad. De laatste decennia van zijn regering was hij continu op campagne. Daarbij werden de sultanaten van Bijapur (1685) en Golconda (1687, daarna hernoemd tot Haiderabad) onderworpen. Een definitieve zege tegen de Maratha's bleef echter uit, hoewel Aurangzeb Shambuji, de zoon en opvolger van Shivaji, gevangen wist te nemen en op gruwelijke wijze ter dood liet brengen.
[bewerken] Redenen voor verval
Revisionistische historici wezen vaak op Aurangzebs intolerante religieuze politiek als reden voor het verval van het Mogolrijk. Hoewel Aurangzeb hiermee zeker interne vijanden gemaakt heeft, was de opkomst van een nieuwe middenklasse van lokale machthebbers en beambten een veel belangrijkere factor voor het afnemen van het centrale gezag.[2] Deze klasse handelde steeds meer in het eigen belang in plaats van dat van het rijk.
Een andere factor was het wegvallen van de militaire suprematie van de Mogols ten opzichte van hun directe tegenstanders.[2] De tactiek van lichte cavalerie gecombineerd met mobiele artillerie waarmee ze hun rijk veroverd hadden werd in de 17e eeuw overgenomen door andere machthebbers in het gebied. De Mogols, aan de andere kant, veranderden hun manier van oorlogsvoering door steeds grotere, logge legers in te zetten. Hoewel onoverwinnelijk op het slagveld, waren deze legers makkelijk te omzeilen door licht bewapende, snelle eenheden. Exemplarisch was de oorlog met de Maratha's, die als het ware een guerilla-oorlog avant la lettre tegen Aurangzeb en diens opvolgers voerden. De enorme strijdmacht van de Mogols lag vaak maanden op dezelfde plek tijdens belegeringen van forten. De Maratha's plunderden ondertussen met snelle uitvallen de bevoorrading van de Mogols. De Maratha's slaagden er bovendien in over de gehele Deccan een soort schaduwadministratie op te zetten, die belasting inde in ruil voor het uitblijven van plunderingen. Door de militaire en administratieve successen van de Maratha's namen de moraal en loyaliteit van de lokale vertegenwoordigers van het Mogolgezag verder af.
In de loop van de 18e eeuw verwierven diverse nizams (onderkoningen) (bijvoorbeeld die van Bengalen en Haiderabad) een vrijwel onafhankelijke positie.
[bewerken] Latere Mogols
Aurangzeb stierf in 1707. Hij was, dankzij zijn sobere leefwijze, 89 jaar oud geworden. Er ontbrandde opnieuw een burgeroorlog tussen zijn nakomelingen, die uiteindelijk beslecht werd in het voordeel van Shah Bahadur. Zelf ook al 63 jaar oud was deze niet in staat het tij te keren, bovendien stierf hij na slechts vijf jaar. Er volgde een serie snelle machtswisselingen, waarbij de werkelijke macht in handen was van twee beambten met hoge posities aan het hof, de broers Syed Hassan Ali Khan Barha en Syed Hussain Ali Khan Barha. Om hun machtspositie te handhaven sloten de broers onder andere een verbond met de Maratha's, waarbij vrijwel de gehele Deccan werd overgedragen. In 1719 wist de nieuwe marionet, Muhammad Shah, zich echter van de broers te ontdoen.
Muhammad Shah regeerde van 1719 tot 1748 maar gaf zich vooral over aan feesten. Ondertussen ging de neergang van zijn macht door. De machthebbers van de Punjab, Bengalen en Haiderabad trokken zich vrijwel niets meer aan van de Mogolkeizer. Aan de Maratha's werd steeds meer gebied verloren en in 1737 stootten de laatsten door tot in het centrum van het rijk om Delhi te plunderen. Het ernstig verzwakte Mogolrijk was ook een makkelijk doelwit voor een inval uit het noordwesten. In 1739 veroverde de Afghaanse krijgsheer Nadir Shah de Punjab en Sindh. Nadat Delhi ingenomen was werd een slachting onder de bevolking aangericht. Muhammad Shah smeekte Nadir Shah om genade, een wens die in vervulling ging in ruil voor de rijkdommen van de Mogols. Overladen met buit, waaronder de pauwentroon, keerde Nadir Shah terug naar Perzië.
Het Mogolrijk was nog maar een schaduw van zijn vroegere glorie toen de laatste resten ervan (hoofdzakelijk in Uttar Pradesh) in 1857 door de Engelsen werden veroverd en de laatste Mogolkeizer werd afgezet.
[bewerken] Lijst van Mogolkeizers
- Zahiruddin Baboer, 1526-1530
- Nasiruddin Humayun, 1530-1540
- Jalaluddin Akbar, Akbar de Grote, 1556-1605
- Nuruddin Jahangir, 1605-1627
- Ghiyasuddin Shah Jahan, 1627-1658
- Aurangzeb Alamgir I, 1658-1707
- Bahadur Shah I (Shah Alam I), 1707-1712
- Jahandar Shah, 1712-1713
- Furrukhsiyar, 1713-1719
- Rafi Ul-Darjat Shah Jahan II, 1719
- Rafi Ud-Daulat, 1719
- Nikusiyar, 1719
- Mohammed Ibrahim, 1720
- Mohammed Shah, 1719-1720 en 1720-1748
- Ahmad Shah Bahadur, 1748-1754
- Alamgir II, 1754-1779
- Shah Alam II, 1779-1806
- Akbar Shah II, 1806-1837
- Bahadur Shah II of Bahadur Shah Zafar, 1837-1857
[bewerken] Trivia
- Tegen de historische achtergrond van het Mogolrijk maakte de Indiase regisseur Ashutosh Gowariker de in 2008 uitgebrachte fictiefilm Jodhaa-Akbar, over de liefde tussen Akbar en Rajput-prinses Jodhaa. De film was een groot succes, maar leidde vanwege de wijze van portretteren van de Rajputs tot protesten, vertoningsverboden en een rechtszaak voor het Hooggerechtshof van India.
VoetnotenLiteratuur
|
| Zie de categorie Mughal Empire van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |