Multiple sclerose

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Multiple sclerose
Een CD68 gekleurde microscopie-opname laat verschillende macrofagen (bruin) rond een laesie zien.
Een CD68 gekleurde microscopie-opname laat verschillende macrofagen (bruin) rond een laesie zien.
Synoniemen
Latijn Sclerosis multiplex[1][2][3][4]

Sclerosis disseminata[1][2][3][4]
Sclerosis focalis[2]
Sclerosis insularis[1][2][3]
Sclerosis multilocularis[2]
Sklerosis disseminata[5]
Sklerosis insularis[5]
Polysclerosis[3]
Encephalomyelitis disseminata[6]

Nederlands Multipele sclerose[7][4][8]
Coderingen
ICD-10 G35
ICD-9 340
OMIM 126200
DiseasesDB 8412
MedlinePlus 000737
eMedicine neuro/228oph/179 emerg/321 pmr/82 radio/461
MeSH D009103
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Multiple sclerose[9] of multipele sclerose[8] meestal afgekort tot MS,[4][8] is een aandoening van het centrale zenuwstelsel en waarschijnlijk een auto-immuunaandoening.[10]

De ziekte wordt getypeerd door de aantasting van de myelineschede van de zenuwvezels in een willekeurig aandoend patroon door afweercellen van het immuunsysteem. De myelineschede is een impulsgeleidende laag rondom de zenuwuitlopers, meer bepaald de axonen, zonder deze is de impulsgeleiding in de zenuw gestoord waardoor bij de patiënt neurologische stoornissen zoals krachtsvermindering kunnen ontstaan.

Voorkomen[bewerken]

DALY voor MS per 100.000 inwoners in 2004

Multiple sclerose komt vaak voor onder jongvolwassenen, bij vrouwen meer dan bij mannen. De frequentie waarin de ziekte voorkomt verschilt per land en bevolkingsgroep. In de Benelux is de prevalentie 1 op 1000, in Schotland haast 1 op 500. Over het algemeen ligt het aantal MS-patiënten tussen 2 en 150 per 100 000 inwoners.[11]

MS komt niet of nauwelijks voor in landen dichter bij de evenaar. Mensen uit noordelijke landen die als klein kind naar een warm land verhuizen hebben een lager risico de ziekte te krijgen dan hun leeftijdgenoten die zijn achtergebleven; verhuist men echter na de puberteit dan is dit verschil niet meer aantoonbaar.[bron?]

Beeld en vermoedelijke oorzaken[bewerken]

Multiple sclerose is waarschijnlijk een auto-immuunaandoening,[10] dat wil zeggen dat het immuunsysteem eigen weefsel beschadigt, in dit geval het myeline en de axonen van het centraal zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg). Er is nog veel onbekend over het precieze mechanisme. Vast staat dat macrofagen het myeline beschadigen, dat er in de loop der tijd verval optreedt van de oligodendrocyten (myeline producerende cellen) en van axonen. Tijdens een aanval van MS (Schub of relapse in de literatuur) treedt er een invasie op van lymfocyten in het brein vanuit kleine bloedvaten, vaak venulen. Er komt cytokineproductie op gang, geactiveerde microglia (astrocyten) presenteert een nog onbekend antigen, er volgt nog meer cytokineproductie en uiteindelijk vorming van macrofagen die het myeline beschadigen. In welk stadium axonenverlies optreedt wordt onderzocht, waarschijnlijk treedt dit al vrij vroeg op.

De precieze oorzaak van de ziekte is onbekend, maar algemeen wordt aangenomen dat MS ontstaat door een samenspel van genetische en omgevingsfactoren. Genetische en omgevingsfactoren zouden even belangrijk zijn bij het bepalen wie MS krijgt en wie niet.[10]

Sommigen denken dat het ontstaan van MS te maken kan hebben met een late abnormale reactie op een in de vroege jeugd opgelopen virusinfectie. Hiervoor zijn echter geen andere bewijzen gevonden.[12]

Ook zijn er aanhangers van de hypothese dat een hoge mate van hygiëne verantwoordelijk is voor de bevattelijkheid voor ziektes als MS.[13]

MS is niet erfelijk, maar een familielid van een patiënt heeft wel een iets hogere kans de ziekte ook te krijgen.[14] Verschillende studies tonen aan dat sommige genen - de susceptibility genes - een verhoogde gevoeligheid voor de ziekte veroorzaken. Recent zijn 29 nieuwe gentypes gevonden die geassocieerd zijn met een hoger risico op MS. Daardoor is de lijst met risicogenen sterk uitgebreid tot 52 genen. Veel van die genen spelen een sleutelrol in het immuunsysteem, met name het Major histocompatibility complex, dat een cruciale rol speelt in het cellulaire immuunsysteem (bij het aanbieden van antigeen aan T-cellen) en bij auto-immuniteit. De helft van de risicogenen wordt ook gevonden in ten minste één andere auto-immuunziekte. Twee van de gevonden genen zijn bij de vitamine D-stofwisseling betrokken.[10]

Veel voorkomende klachten[bewerken]

De klachten verschillen per persoon en vrijwel geen enkele patiënt heeft last van alle klachten. Deze zijn allemaal uitingen van neurologische uitval die ook door andere oorzaken kunnen optreden; de diagnose kan dan ook meestal niet gesteld worden door het vóórkomen van deze klachten, maar door het typische beloop, waarbij nu eens hier, dan eens daar een probleem ontstaat, en waarbij ook vaak herstel van de klachten kan optreden.

Bekende klachten bij MS zijn:

Diagnose[bewerken]

Een open MRI-scan

De diagnose van MS is in veel gevallen lastig. De actuele criteria voor het stellen van een diagnose zijn de McDonald criteria[15] van 2010. Hierbij wordt gekeken naar het patroon van de klachten: deze dienen zich in minstens twee episoden te hebben voorgedaan (relapsing-remitting) of moeten gedurende minstens een half jaar progressief zijn geweest. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van een MRI scan, alsook van een lumbale punctie waarbij hersenvocht afgenomen wordt. Het tijdens de lumbaal punctie afgenomen hersenvocht wordt onderzocht op de voor MS typische oligoclonale banden in de liquor.

De MRI is het belangrijkste aanvullend onderzoek: indien het op grond van klachten en klinische verschijnselen niet mogelijk is om dissociatie in plaats en tijd aan te tonen, kan dit gebeuren met behulp van MRI. Bij 95% van de patiënten kunnen meerdere laesies (afwijkende plekken) worden aangetoond, meestal rond de ventrikels (periventriculair) en in het corpus callosum.[16] Ook laesies in de hersenstam, de kleine hersenen en het ruggenmerg kunnen goed worden aangetoond. De sensitiviteit voor het aantonen van laesies in de nervus opticus (oogzenuw) is duidelijk lager. Door het intraveneus toegediende contrastmiddel gadolinium kan een onderscheid gemaakt worden tussen recent ontstane, actieve laesies en oude, inactieve laesies. Ter plaatse van zich nieuw ontwikkelende laesies blijkt namelijk de bloed-hersenbarrière verbroken te zijn, hetgeen leidt tot een aankleuring door het contrastmiddel ter plekke. Waarschijnlijk treedt MS ook subklinisch 5 tot 10 keer zo vaak op als klinisch waarneembare ziekte-activiteit.[17]

Het al dan niet optreden van klinische verschijnselen wordt voornamelijk bepaald door de plaats en het volume van de laesies. Bij niet-typische MRI-afwijkingen kan liquordiagnostiek een rol spelen; dit wordt ook altijd aanbevolen bij een primair progressief ziekteverloop. Onderzoek van de liquor cerebrospinalis toont bij ongeveer 90% van de MS-patiënten afwijkingen. Het aantal cellen in de liquor is licht verhoogd, met name lymfocyten en plasmacellen. Tevens is het IgG verhoogd; door vergelijking van serum- en liquoralbumine en de serum- en liquor-IgG kan een index berekend worden als maat voor het binnen het CZS aangemaakt IgG. Deze index is bij MS verhoogd.

Voor de komst van de MRI-scan werd veel gebruikgemaakt van geëvoceerde potentialen. Vooral met de visuele vorm hiervan kunnen veel subklinische laesies, in dit geval van de oogzenuw, worden aangetoond. Bij ongeveer 90% van de patiënten kan zo een stoornis in de impulsgeleiding worden aangetoond.

Belangrijk voor de diagnose is dat de klachten en afwijkingen niet door een andere oorzaak kunnen worden verklaard: aanvullend onderzoek voor uitsluiting is van belang. Zenuwontstekingen door vitaminegebrek (m.n. B12) en infecties zoals Ziekte van Lyme moeten als oorzaak worden uitgesloten.

Beloop[bewerken]

Het beloop van de ziekte kan sterk variëren: over het beloop zijn verder alleen statistische uitspraken te doen die voor een individuele patiënt zeer weinig voorspellende waarde hebben. De gemiddelde levensverwachting is door het chronische beloop echter maar weinig verkort.[18] Een aanzienlijk percentage van de patiënten is ook na 20 jaar nog niet rolstoelafhankelijk; andere zijn na 5 jaar geheel op hulp van anderen aangewezen.

In 1996 heeft het "United States National Multiple Sclerosis Society" een standaard ontwikkeld, waarin 4 beloopsvormen beschreven worden:

  • relapsing remitting (RR)
  • secundair progressief (SP)
  • primair progressief (PP)
  • progressive relapsing (PR).

Daarnaast wordt vaak ook de milde, of "benigne", MS-vorm genoemd. Een enkele aanval die wel alle typische MS-symptomen heeft, maar die verder op zichzelf staat, wordt vaak aangeduid met CIS, oftewel clinically isolated syndrome.

Pathofysiologie[bewerken]

In de eerste fase van de ziekte zijn de klinische verschijnselen het gevolg van gehele of gedeeltelijke blokkade van de impulsgeleiding door demyelinisatie ter plaatse van de laesies. In latere fasen worden de klinische verschijnselen ook voor een groot deel veroorzaakt door het optreden van axonale beschadiging. De ziekte wordt gekarakteriseerd door het optreden van verschijnselen die enerzijds berusten op de aandoening van meerdere van elkaar gescheiden lokalisaties in het centrale zenuwstelsel (multipel in plaats) en anderzijds door plotselinge verslechteringen gevolgd door spontane verbeteringen dan wel door geleidelijke progressie (multipel in tijd).

De ontsporing van het immunologisch systeem wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een combinatie van omgevingsfactoren en erfelijke factoren. De betekenis van omgevingsfactoren wordt aangegeven door het feit dat er clusters van MS bekend zijn en door het feit dat mensen die gemigreerd zijn van werelddelen met een hoge prevalentie naar gebieden met een lage prevalentie (of andersom) de prevalentie behouden van het land waar ze hun kinderjaren hebben doorgebracht. Frequent wordt verondersteld dat deze omgevingsfactoren van infectieuze origine zouden kunnen zijn; het bewijs hiervoor is niet geleverd. De betekenis van erfelijke factoren wordt duidelijk door de relatie van het voorkomen van MS met bepaalde HLA-typen (bijvoorbeeld HLA-DR2),[19][20] door het soms familiair voorkomen en door het feit dat in sommige studies gevonden werd dat eeneiige tweelingen vaker allebei MS hebben dan twee-eiige tweelingen,[21][22] hoewel dit in andere studies niet gevonden wordt.[23][24]

In de relapsing-remitting-vorm van de ziekte worden de laesies gekenmerkt door ontsteking, demyelinisatie en acute axonale disfunctie; deze kenmerken zijn voor een (groot) deel reversibel. Er kan in deze fase van de ziekte uitgebreide remyelinisatie optreden.[25] Naarmate de ziekte een progressiever karakter krijgt, treedt er meer chronische, irreversibele axonale beschadiging op, niet alleen in de laesies maar ook ertussen. In deze fase treedt er ook een duidelijke atrofie op van de hersenen.

In 2013 gaven N. Deckx en haar coauteurs een overzicht van de complexe wederzijdse beïnvloeding van het zenuwstelsel, het hormoonsysteem en het immuunsysteem bij patiënten met auto-immuunziekten, waaronder Multiple Sclerose. Ze bespreekt de mogelijke inzichten voor nieuwe therapieën.[26]

Mogelijk verband met vitamine D[bewerken]

In een onderzoek onder Amerikaanse militairen werd bij blanken een verband gevonden tussen het vitamine D-gehalte in het bloed en de kans op MS. Bij militairen van Spaanse of Afrikaanse afkomst werd dit verband niet gevonden.[27]

De sterke correlatie tussen breedtegraad en de incidentie van multiple sclerose wordt wel als volgt verklaard: bij de evenaar (waar een hoge zonkracht is en daardoor hoge endogene vitamine D-productie) komt de ziekte nauwelijks tot niet voor en naarmate men verder van de evenaar komt (en de zonkracht afneemt) neemt de incidentie toe. De hoogste incidentiecijfers worden gevonden in Noord-Europa en in Canada. Ook is er een correlatie tussen de incidentie van MS en het aantal uren zon per jaar in een gebied. De ziekte zelf vertoont schommelingen in intensiteit, met de hoogste ziekteactiviteit in de lente (wanneer de vitamine D-status het laagst is) en de laagste activiteit in de herfst (wanneer deze het hoogst is).

Ook lijkt er een verband te zijn met de vitamine D-inname: in de Scandinavische kuststreken, waar relatief veel vis en zeevoedsel wordt geconsumeerd komt de ziekte minder voor dan in de Scandinavische binnenlanden. Uit twee grote epidemiologische studies, waaronder de Nurses Health Study, blijkt een omgekeerd verband tussen vitamine D-suppletie en het voorkomen van MS. Dit alles suggereert dat er een verband kan zijn tussen vitamine D-status en multiple sclerose, al gelden dergelijke epidemiologische onderzoeken niet als sluitend bewijs.[27] Verschillende onderzoeken zijn uitgevoerd om het verband tussen MS en vitamine D verder te onderzoeken. De tot nu toe gedane studies naar vitamine D ter behandeling van MS zijn te klein opgezet of hebben te veel verstorende variabelen om er harde conclusies uit te trekken.[28]

Mogelijk verband met dieet[bewerken]

Verschillende onderzoeken uitgevoerd bij MS patiënten lieten een correlatie zien tussen een dieet arm aan verzadigde vetten en een relatief milde progressie van de ziekte. Patiënten die een voornamelijk plantaardig dieet namen bleken relatief een lagere handicap te hebben over een periode van vele jaren.[29][30] Tevens zijn er onderzoeken die een correlatie hebben laten zien tussen melkconsumptie in verschillende landen en gevallen van MS.[31] De uitkomsten van dergelijke epidemiologische studies zijn niet bewijzend voor een oorzakelijke relatie.

CCSVI[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Chronische cerebro-spinale veneuze insufficiëntie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Putnam[32] beschreef vasculaire afwijkingen bij MS in 1936, de eerste waarnemingen met betrekking tot abnormale vasculatuur of effecten met betrekking tot de vasculatuur verscheen in 1839 beschreven door Cruveilhier,[33] meer dan 170 jaar geleden die gebieden van de sclerose vergeleek met de resultaten van een embolie. Rindfleisch[34] merkte in 1863 dat een gezwollen bloedvat zich in het midden van een plaque bevond en in hetzelfde jaar beschreef Charcot[35] verder de vasculaire obstructie in MS.

De 'venous reflux hypothese'[36] werd al eerder gepubliceerd door dr. Franz Schelling in de jaren 80, waar veneuze reflux in het brein of ruggenmerg MS veroorzaakt.

En volgens onderzoek[37][38][39][40] van de italiaanse vaatchirurg Paolo Zamboni is MS mogelijk geen chronische ziekte aan het centrale zenuwstelsel, maar een ziekte aan het vaatstelsel, die hij chronische cerebro-spinale veneuze insufficiëntie (CCSVI) heeft genoemd. Na een chirurgische ingreep zou 73% van de behandelde MS patiënten een verbetering vertonen. Diverse wetenschappers hebben zijn bevindingen bekritiseerd omdat het niet gerandomiseerd en gecontroleerd is uitgevoerd. Een aantal onderzoeksgroepen zijn momenteel bezig met onderzoek dat Zamboni's hypotheses moet testen. Een groter onderzoek wordt momenteel uitgevoerd op het Buffalo Neuroimaging Analysis Center. De eerste resultaten van dat onderzoek zijn positief.[41] Onderzoekers uit Milaan hebben met Duplex ultrasound 560 mensen onderzocht en vinden een significant aantal MS-patiënten met veneuze bloedafvoer problemen in vergelijking met gezonde personen.[42] Vooraanstaande neurologen zien er echter niets in, zie het artikel over dit onderwerp.

Behandeling[bewerken]

In de behandeling van patiënten met MS zijn verschillende aspecten te onderscheiden: aangezien men de precieze oorzaak van MS niet kent, is de behandeling van de ziekte met name gericht op het remmen van de progressie en het behandelen van de symptomen die de ziekte veroorzaakt.

Beïnvloeding van het ziekteverloop[bewerken]

Bij de relapsing-remitting variant worden als eerstelijns medicatie ter beïnvloeding van het verloop zogenaamde immuunmodulerende middelen, de CRAB-medicatie, ingezet. Er zijn 3 varianten interferon-beta: Betaferon, Avonex en Rebif en 1 soort glatirameer onder de naam Copaxone (copolymeer-1). Van deze medicijnen is aangetoond dat ze het beloop van de ziekte in gunstige zin beïnvloeden.[43][44] [45] [46][47]
Op een termijn van enkele jaren onderdrukt CRAB het ontstaan van nieuwe laesies en de frequentie van de exacerbaties met gemiddeld 30% minder. Of interferon-beta ook op de lange termijn invloed heeft op (het ontstaan van) de progressieve fase van de ziekte wordt onderzocht, maar is vooralsnog niet bewezen.

De onderlinge verschillen tussen de CRAB medicatie zijn klein, maar zeker wel aanwezig.[48]

Medicijn Werkzame stof Dosis per injectie Producent Toedieningswijze Frequentie
Avonex Interferon bèta-1a 30 microgram Biogen Idec intramusculair eenmaal per week
Rebif Interferon bèta-1a 44 microgram Merck Serono subcutaan driemaal per week
Betaferon Interferon bèta-1b 250 microgram Bayer Schering subcutaan viermaal per week
Copaxone Glatirameer Acetaat 20 microgram Teva Pharma subcutaan dagelijks

Patiënten met relapsing-remitting die de eerstelijns medicatie slecht verdragen, of met een agressief ziektebeloop, kunnen de keuze krijgen voor tweedelijns immunosuppressiva, zoals fingolimod (Gilenya) of natalizumab (Tysabri). In de US en Canada kiest men soms ook voor mitoxantrone (Novantrone), een middel dat sinds 1999 op de markt is en ook effect heeft bij Secundair Progressieve MS, soms de opvolger van RR-MS. Dit soort behandeling geeft echter soms ernstige bijwerkingen: zo dient men bij natalizumab onder andere bedacht te zijn op PML en bij mitoxantrone heeft men kans op acute leukemie en hartfalen.

Medicijn Werkzame stof Dosering Producent Toedieningswijze Frequentie
Tysabri Natalizumab 300 milligram Biogen Idec intraveneus via infuus eenmaal per 4 weken
Gilenya Fingolimod 0,5 milligram Novartis oraal dagelijks
Lemtrada Alemtuzumab 12 milligram in 1,2 ml (10 mg/ml) Genzyme intraveneus via infuus Eerste behandelperiode: 5 dagen;
Tweede behandelperiode 3 dagen;
Twee behandelperiodes bestrijken een jaar
Aubagio Teriflunomide 14 milligram Genzyme oraal dagelijks
Tecfidera (BG-12) dimethylfumaraat 120 milligram Biogen Idec oraal dagelijks tot tweemaal daags
Fampyra verlengde afgifte fampridine 10 milligram Biogen Idec oraal tweemaal daags

Voor het beïnvloeden van de progressieve variant van MS zijn vooralsnog geen medicijnen.

Onderzoekers van de firma Biogen in Amerika hebben aangetoond dat het blokkeren van een eiwit, genaamd LINGO-1, in beschadigde myeline verdere demyelinisatie kan voorkomen. In muizenstudies hebben ze ook aangetoond dat het mogelijk is dat er dan weer myeline wordt aangemaakt.[49] Wereldwijd worden er anno 2014 proeven verricht op 240 patiënten met een zogenaamd "anti-Lingo-1" medicijn.

Behandeling van exacerbaties[bewerken]

Bij de behandeling van exacerbaties hebben corticosteroïden een belangrijke plaats. Het toedienen van methylprednisolon (1000 mg per dag gedurende drie of vijf dagen) intraveneus kan afhankelijk van de symptomen bij de exacerbatie een positief effect hebben.[50][51] De exacerbatie herstelt sneller, terwijl de bijwerkingen van de behandeling vrij gering zijn bij deze slechts enkele dagen durende behandeling. Overigens is het niet noodzakelijk om iedere exacerbatie op deze manier te behandelen; het is vaak aan te raden om enkele dagen aan te zien of er snel een spontane remissie optreedt.

Behandeling van diverse verschijnselen en gevolgen van de ziekte[bewerken]

In de begeleiding van patiënten bij wie de diagnose juist is gesteld, dient rekening te worden gehouden met het feit dat het vernemen van de diagnose voor vrijwel iedereen een enorme emotionele belasting is. Het is in deze fase onverstandig om al te adviseren verregaande veranderingen in het dagelijks leven aan te brengen. Het vermijden van overmatige inspanning of het vermijden van grote hitte kan wel verstandig zijn, omdat mensen kunnen ervaren dat de klachten dan toenemen.[52][53] Uit recente publicaties blijkt wel steeds meer dat mensen met multiple sclerose baat hebben bij het zo veel mogelijk aanhouden van normale lichamelijke inspanningen en sportbeoefening.[54][55][56] Mensen met multiple sclerose die merken dat hun klachten duidelijk toenemen bij warm weer, kunnen proberen warm weer te vermijden of zo veel mogelijk afkoeling te zoeken. Er is een bedrijf dat een persoonlijk koelsysteem (koelvest en koelhelm) verkoopt, dat volgens verschillende meer en minder goed opgezette en betrouwbare onderzoeken[57][58] de symptomen van MS enigszins kan verbeteren in patiënten die meer last van hun symptomen hebben wanneer het warm is: dit is bekend als het Fenomeen van Uhthoff (thermosensitieve patiënten).

Als de ziekte te wijten is aan een stenose[59] (vernauwing in een ader) dan kan deze momenteel behandeld worden op twee manieren: "dotteren", (PTCA), waarbij een ballonnetje in de vernauwing wordt opgeblazen om deze op te rekken, in de hoop dat zij open blijven,[60] en veneuze stents, om ze permanent open te houden.

Bij bepaalde stoornissen kunnen behandeling, training en verschaffing van hulpmiddelen door revalidatiearts, logopedist, fysiotherapeut of ergotherapeut belangrijk zijn.

Naamgeving[bewerken]

Spelling[bewerken]

De officiële spelling volgens de Woordenlijst Nederlandse Taal[9] luidt multiple sclerose. Deze spelling is de meest gangbare spelling[8], maar wijkt af van de schrijfwijze multipele sclerose in Pinkhof Geneeskundig woordenboek[61][62][63][64][8] en Coëlho - Zakwoordenboek der Geneeskunde.[4] De woordenboeken van Pinkhof en Coëlho zijn veelgebruikte Nederlandse medische woordenboeken.[65] Pinkhof Geneeskundig is het woordenboek dat alom bekend staat als hét Nederlandstalige woordenboek voor medische termen.[66] Pinkhof[8] vermeldt expliciet dat de schrijfwijze 'multiple sclerose' onjuist is. De vorm met 'multiple' zou een verhaspeling[8] zijn van de Nederlandse schrijfwijze 'multipele sclerose' en het Engels 'multiple sclerosis'.[67]

De schrijfwijze multipele sclerose is niet nieuw, aangezien zij al in 1932 voorkwam in het Nederlands[7]

Etymologie[bewerken]

Het eerste deel van de naam multipele sclerose is afgeleid van het Frans multiple,[68] afkomstig van het Latijnse multiplex,[69][68] meervoudig.[70] Het tweede deel is afkomstig van het middeleeuws-Latijnse sclerosis,[68] afgeleid van het Griekse σκλήρωσις sklérōsis,[68] verharding.[71]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c Pinkhof, H. (1923). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. Haarlem: De Erven F. Bohn.
  2. a b c d e Haan, H.R.M. de & Dekker, W.A.L. (1955-1957). Groot woordenboek der geneeskunde. Encyclopaedia medica. Leiden: L. Stafleu.
  3. a b c d Arnaudov, G.D. (1964). Terminologia medica polyglotta. Latinum-Bulgarski-Russkij-English-Français-Deutsch. Sofia: Editio medicina et physcultura.
  4. a b c d e Jochems, A.A.F. & Joosten, F.W.M.G. (2003). Coëlho Zakwoordenboek der geneeskunde (27e druk). Doetinchem: ElsevierGezondheidszorg.
  5. a b Roth, O., & Gessler, H. (1897). Klinische terminologie. (5. Auflage). Leipzig: Verlag von Arthur Georgi.
  6. Zink, C. (Red.) (1990). Pschyrembel Klinisches Wörterbuch. (256. Auflage). Berlin/New York: Walter de Gruyter.
  7. a b Schuurmans Stekhoven, W. (1932). Nolst Trenité’s nieuw verpleegsters zakwoordenboekje (9de druk). Amsterdam: J.M. Meulenhoff: Bohn Stafleu Van Loghum
  8. a b c d e f g Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum
  9. a b Instituut voor Nederlandse Lexicologie (2005). Woordenlijst Nederlandse Taal. Den Haag: Sdu Uitgevers & Tielt: Lannoo Uitgeverij.
  10. a b c d (en) International Multiple Sclerosis Genetics Consortium, Wellcome Trust Case Control Consortium 2, Sawcer S, et al. Genetic risk and a primary role for cell-mediated immune mechanisms in multiple sclerosis. (2011) Nature 476:214-219. PMID 21833088. Besproken in Kate Kelland - Scientists unravel genetic clues to multiple sclerosis, Multiple sclerosis genetic clues found, CBC News, 11 augustus 2011 & MS toch auto-immuunziekte. Healthylives.nl 11 Augustus 2011
  11. (en) Rosati G (2001). The prevalence of multiple sclerosis in the world: an update. Neurol. Sci. 22 (2): 117–39 . PMID:11603614. DOI:10.1007/s100720170011.
  12. (en) Ascherio A, Munger KL. Environmental risk factors for multiple sclerosis. Part I: the role of infection. (2007) Ann Neurol 61(4):288-299. PMID 17444504 gratis volledige artikel.
  13. (en) Fleming J, Fabry Z. The hygiene hypothesis and multiple sclerosis. (2007) Ann Neurol 61(2):85-89. PMID 17315205.
  14. (en) Nielsen NM, Westergaard T, Rostgaard K, et al. Familial risk of multiple sclerosis: a nationwide cohort study. (2005) Am J Epidemiol 162(8):774-778. PMID 16120694 gratis volledige artikel.
  15. (en) Diagnostic criteria for multiple sclerosis: 2010 revisions to the McDonald criteria. (2011) Ann Neurol PMID 21387374.
  16. (en) Miller DH, Filippi M, Fazekas F, et al. Role of magnetic resonance imaging within diagnostic criteria for multiple sclerosis. (2004) Ann Neurol 56(2):273-278. PMID 15293279.
  17. (en) Siva A. The spectrum of multiple sclerosis and treatment decisions. (2006) Clin Neurol Neurosurg 108:333-338. PMID 16378680.
  18. (en) Brønnum-Hansen H, Stenager E, Hansen T, et al. Survival and mortality rates among Danes with MS. (2006) Int MS J 13(2):66-71. PMID 16635423.
  19. (en) Gregersen JW, Kranc KR, Ke X, et al. Functional epistasis on a common MHC haplotype associated with multiple sclerosis. (2006) Nature 443(7111):574-577. PMID 17006452.
  20. (en) Schmidt H, Williamson D, Ashley-Koch A. HLA-DR15 haplotype and multiple sclerosis: a HuGE review. (2007) Am J Epidemiol 165(10):1097-1109. PMID 17329717 gratis volledige artikel.
  21. (en) Mumford CJ, Wood NW, Kellar-Wood H, et al. The British Isles survey of multiple sclerosis in twins. (1994) Neurology 44(1):11-15. PMID 8290043.
  22. (en) Hansen T, Skytthe A, Stenager E, et al. Concordance for multiple sclerosis in Danish twins: an update of a nationwide study. (2005) Mult Scler 11(5):504-510. PMID 16193885.
  23. (en) Islam T, Gauderman WJ, Cozen W, et al. Differential twin concordance for multiple sclerosis by latitude of birthplace. (2006) Ann Neurol 60(1):56-64. PMID 16685699.
  24. (en) Willer CJ, Dyment DA, Risch NJ, et al. Twin concordance and sibling recurrence rates in multiple sclerosis. (2003) Proc Natl Acad Sci U S A 100:12877-12882. PMID 14569025 gratis volledige artikel.
  25. (en) Patani R, Balaratnam M, Vora A, et al. Remyelination can be extensive in multiple sclerosis despite a long disease course. (2007) Neuropathol Appl Neurobiol 33:277-287. PMID 17442065 gratis volledige artikel.
  26. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/24382974
  27. a b (en) Munger KL, Levin LI, Hollis BW, et al. Serum 25-hydroxyvitamin D levels and risk of multiple sclerosis. (2006) JAMA 296:2832-2838. PMID 17179460 gratis volledige artikel.
  28. (en) Brown SJ. The role of vitamin D in multiple sclerosis. (2006) Ann Pharmacother 40:1158-1161. PMID 16684809.
  29. (en) Liuzzi GM, Latronico T, Rossano R, et al. Inhibitory effect of polyunsaturated fatty acids on MMP-9 release from microglial cells--implications for complementary multiple sclerosis treatment. (2007) Neurochem Res 32:2184-2193. PMID 17624613.
  30. (en) Farinotti M, Simi S, Di Pietrantonj C, et al. Dietary interventions for multiple sclerosis. (2007) Cochrane Database Syst Rev:CD004192. PMID 17253500.
  31. (en) Butcher J. The distribution of multiple sclerosis in relation to the dairy industry and milk consumption. (1976) N Z Med J 83:427-430. PMID 1067488.
  32. (en) Putnam (1939). Evidences of vascular occlusion in multiple sclerosis and encephalomyelitis
  33. Cruveilhier (1839)
  34. Rindfleisch (1863) Histologisches detail zu der grauen degeneration von gehirn und rueckenmark. Arch. Path. Anat. Physiol. Klin. Med. 26: 474
  35. Charcot (1863)
  36. (en) Schelling F.: Damaging venous reflux into the skull or spine: relevance to multiple sclerosis. Med Hypotheses 1986;21:141–8. PMID 3641027
  37. (en) Zamboni P, Galeotti R, Menegatti E, et al. Chronic cerebrospinal venous insufficiency in patients with multiple sclerosis. (2009) J Neurol Neurosurg Psychiatry 80:392-399. PMID 19060024 gratis volledige artikel.
  38. (en) Zamboni P. The big idea: iron-dependent inflammation in venous disease and proposed parallels in multiple sclerosis. (2006) J R Soc Med 99:589-593. PMID 17082306 gratis volledige artikel.
  39. (en) Singh AV, Zamboni P. Anomalous venous blood flow and iron deposition in multiple sclerosis. (2009) J Cereb Blood Flow Metab 29:1867-1878. PMID 19724286.
  40. (en) Zamboni P, Galeotti R, Menegatti E, et al. A prospective open-label study of endovascular treatment of chronic cerebrospinal venous insufficiency. (2009) J Vasc Surg 50:1348-58.e1-3. PMID 19958985.
  41. (en) Persbericht van University of Buffalo: First Blinded Study of Venous Insufficiency Prevalence in MS Shows Promising Results. 10 februari 2010
  42. (en) Onderzoekers uit Milaan, Italië Venous extracranial Duplex ultrasound and possible correlations between multiple sclerosis and CCSVI: an observational study after 560 exams. Augustus 2011
  43. (en) McCormack PL, Scott LJ. Interferon-beta-1b: a review of its use in relapsing-remitting and secondary progressive multiple sclerosis. (2004) CNS Drugs 18(8):521-546. PMID 15182221.
  44. (en) Kremenchutzky M, Morrow S, Rush C. The safety and efficacy of IFN-beta products for the treatment of multiple sclerosis. (2007) Expert Opin Drug Saf 6(3):279-288. PMID 17480177.
  45. (en) Johnson KP, Brooks BR, Cohen JA, et al. Extended use of glatiramer acetate (Copaxone) is well tolerated and maintains its clinical effect on multiple sclerosis relapse rate and degree of disability. Copolymer 1 Multiple Sclerosis Study Group. (1998) Neurology 50(3):701-708. PMID 9521260. Een van de eerste artikelen over het gebruik van dit medicijn bij MS
  46. (en) Ziemssen T, Neuhaus O, Hohlfeld R. Risk-benefit assessment of glatiramer acetate in multiple sclerosis. (2001) Drug Saf 24(13):979-990. PMID 11735654.
  47. (en) Cohen JA, Rovaris M, Goodman AD, et al. Randomized, double-blind, dose-comparison study of glatiramer acetate in relapsing-remitting MS. (2007, Mar 20) Neurology 68(12):939-944. PMID 17372130.
  48. http://www.toekomstmetms.nl/multiple-sclerose-behandelen/verschillende-behandelingen-therapievergelijker-therapievergelijker/
  49. http://www.msweb.nl/therapeutisch/2436
  50. (en) Nos C, Sastre-Garriga J, Borràs C, et al. Clinical impact of intravenous methylprednisolone in attacks of multiple sclerosis. (2004) Mult Scler 10(4):413-416. PMID 15327039.
  51. (en) Sloka JS, Stefanelli M. The mechanism of action of methylprednisolone in the treatment of multiple sclerosis. (2005) Mult Scler 11(4):425-432. PMID 16042225.
  52. (nl) Website van MSWeb, zie kopje "Koudwatertherapie" bijna beneden aan de pagina Website
  53. (en) Smith RM, Adeney-Steel M, Fulcher G, et al. Symptom change with exercise is a temporary phenomenon for people with multiple sclerosis. (2006) Arch Phys Med Rehabil 87(5):723-727. PMID 16635637 gratis volledige artikel.
  54. (en) Gallien P, Nicolas B, Robineau S, et al. Physical training and multiple sclerosis. (2007) Ann Readapt Med Phys 50:373-6, 369-72. PMID 17482708 gratis volledige artikel.
  55. (en) Taylor NF, Dodd KJ, Prasad D, et al. Progressive resistance exercise for people with multiple sclerosis. (2006) Disabil Rehabil 28(18):1119-1126. PMID 16966232.
  56. (nl) Website met uitleg over belang van regelmatige lichamelijke inspanning voor mensen met multiple sclerose. Deze site geeft bovendien tips
  57. (en) Schwid SR, Petrie MD, Murray R, et al. A randomized controlled study of the acute and chronic effects of cooling therapy for MS. (2003) Neurology 60(12):1955-1960. PMID 12821739.
  58. (en) Beenakker EA, Oparina TI, Hartgring A, et al. Cooling garment treatment in MS: clinical improvement and decrease in leukocyte NO production. (2001) Neurology 57(5):892-894. PMID 11552024.
  59. (en) Lee BB, Bergan J, Gloviczki P, et al. Diagnosis and treatment of venous malformations. Consensus document of the International Union of Phlebology (IUP)-2009. (2009) Int Angiol 28:434-451. PMID 20087280.
  60. (en) Rationale and preliminary results of endovascular treatment of Multiple Sclerosis, Zamboni P. et a Pdf cocument
  61. Hilfman, M.M. (1978). Pinkhof-Hilfman Geneeskundig woordenboek (7de druk). Utrecht: Bohn, Scheltema & Holkema.
  62. Hilfman, M.M. (1984). Pinkhof-Hilfman Geneeskundig woordenboek (8ste druk). Utrecht/Antwerpen: Bohn, Scheltema & Holkema.
  63. Everdingen, J.J.E. van, Klazinga, N.S., & Pols, J. (1992). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (9de druk). Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.
  64. Everdingen, J.J.E. van, Klazinga, N.S., Pols, J. & Eerenbeemt, A.M.M. van den (1998). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (10de druk). Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.
  65. Walvoort, H.C. (1997). Media. Klein geneeskundig woordenboek. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141, 2589.
  66. Weelden, H.C. van & Langeveld, C.H. (2012). Media. Pinkhof Geneeskundig Woordenboek. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 156, A4537.
  67. Anderson, D.M. (Red.) (2000). Dorland’s illustrated medical dictionary (29ste uitgave). Philadelphia/London/Toronto/Montreal/Sydney/Tokyo: W.B. Saunders Company.
  68. a b c d Veen, P.A.F. van, Sijs, N. van der (1997). Etymologisch woordenboek. De herkomst van onze woorden. Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie.
  69. Dauzat, A., Dubois, J., & Mitterand, H. (1964). Nouveau dictionnaire étymologique et historique. Paris: Librairie Larousse.
  70. Lewis, C.T. & Short, C. (1879). A Latin dictionary founded on Andrews' edition of Freund's Latin dictionary. Oxford: Clarendon Press.
  71. Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.