Nadab en Abihu

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Nadab (Hebreeuws: נדב) en Abihu (Hebreeuws: אביהוא) waren volgens het Bijbelboek Numeri 26:60 respectievelijk de oudste en de tweede zoon van Aäron. Zij werden samen met hun vader, op het aanwijzen van God, aangesteld en gezalfd tot priester. Aäron was de hogepriester. Beide broers waren bestemd om hun vader te assisteren bij de eredienst voor God.

Die eredienst was door God aan Mozes beschreven, de plaats waar de dienst moest gebeuren, de kleding van de priesters, wat er moest geofferd worden en hoe dat moest gebeuren, het was allemaal tot in het kleinste detail voorgeschreven (Exodus 25:1 tot 30:38).

In het Bijbelboek Leviticus 1:1 tot 7:38 worden de offers die moeten gebracht worden gedetailleerd omschreven. Het boek gaat verder met het verhaal van de zalving van Aäron en zijn zonen (Levitiucus 8 en 9) en vervolgens wordt in twee verzen verhaald hoe zij een fout begingen die in de ogen van God onvergeeflijk was (Leviticus 10:1-2). Ze staken namelijk in hun wierookvaten zelf vuur aan en deden er reukwerk op, tegen de voorschriften van God in. Ze worden ogenblikkelijk gedood door een vuur uit de hemel. De bijbel laat in het midden of de broers bewust die fout begingen of niet.

De twee jongere zonen van Aäron , Eleazar en Ithamar worden vervolgens, ter vervanging van hun broers, als priester aangesteld. Daarbij legt Mozes aan Aäron en zijn zoons het verbod op om over Nadab en Abihu te rouwen. Het volk mocht daarentegen wel de broers bewenen.


Bronnen

  • Exodus, Leviticus en Numeri