Nationaal park Hortobágy

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Nationaal Park Hortobágy)
Ga naar: navigatie, zoeken
De opmaak van dit artikel is nog niet in overeenstemming met de conventies van Wikipedia. Mogelijk is ook de spelling of het taalgebruik niet in orde. Men wordt uitgenodigd deze pagina aan te passen.
Opgegeven reden: Het grootste deel van de tekst, voornamelijk de kopjes vanaf geschiedenis en daaronder, is als een "verhaaltje" geschreven, om het zo maar te noemen.

Nationaal park Hortobágy
Nationaal park
Nationaal park Hortobágy
Nationaal park Hortobágy
Situering
Land Hongarije
Coördinaten 47° 36′ NB, 21° 9′ OL
Informatie
IUCN-categorie II (Nationaal park)
Oppervlakte 805,49 km²
Opgericht 1973
Foto's
Hortobagy-ziehbrunnen.jpg
Nationaal Park Hortobágy
Werelderfgoed cultuur
UNESCO-regio Europa en Noord-Amerika
Criteria iv, v
Inschrijvingsverloop
UNESCO-volgnr. 474
Inschrijving 1999 (23e sessie)
UNESCO-werelderfgoedlijst

Het Nationaal park Hortobágy (Hortobágyi Nemzeti Park) is een van de tien nationale parken van Hongarije. Het ligt op zo’n 200 km ten oosten van Boedapest bij de plaats Hortobágy. De Hortobágy maakt deel uit van de Hongaarse steppe, ook bekend als de poesta, een gebied dat in hoofdzaak uit halfdroog grasland bestaat. Omdat de Tisza geregeld buiten zijn oevers treedt is het niet altijd en overal zo droog; er zijn ook moerasgebieden met beken en meertjes, broekbossen en, op zilte bodems, zelfs lagunes met zoutmoerassen. In 1973 kreeg dit gebied de status van nationaal park (het eerste in Hongarije). Door regulatie van de Tisza zijn de overstromingen ingeperkt, maar het park ontvangt naar behoefte water via kanalen.

Het park is in 1972 opgericht en heeft een oppervlakte van circa 805,49 km².

Het werd als eerste nationale park van Hongarije in 1973 geopend en heeft veel veengebieden en moerasgebieden en een groot aantal bossen.

Fauna[bewerken]

Het park is erg belangrijk voor vogels. Er komen ruim 300 vogelsoorten voor. Zo leven er grote kolonies eenden en wilde ganzen. Kenmerkend voor de laagvlakte is het bekende witgrijze rund met zijn grote, gedraaide horens. Ook zijn er schapen met gedraaide horens te zien.

Geschiedenis[bewerken]

In de middeleeuwen was de steppe bevolkt met 52 welvarende dorpen en reeds ten tijde van de Árpád-dynastie was de lössgrond ten westen van Debrecen op grote schaal in cultuur gebracht. Het waren merendeels gemengde boerenbedrijven en jacht en visserij vormden eveneens bronnen van inkomsten.

Het begin van de 13e eeuw werd gekenmerkt door een binnenlandse strijd om de macht en aanvallen van de Mongolen, die Hongarije vanuit het noordoosten binnenvielen. Vrijwel geheel Hongarije werd onder de voet gelopen. De verwoestingen die daarbij werden aangericht waren groot. In de Grote Hongaarse Laagvlakte (Alföld) verdwenen 52 dorpen van de kaart.

De bossen en landerijen werden afgebrand en de eens zo vruchtbare laagvlakte werd een dorre verbrande woestenij. Na een jaar verdwenen de Mongoolse bezetters en begon de wederopbouw. In de poesta ziet men hier en daar door mensenhanden opgeworpen heuvels. Dat zijn graf- en kerkheuvels, restanten van de verwoeste dorpen uit 1241.

De Ottomanen hebben zich door de tactiek der verschroeide aarde eveneens ingespannen een einde te maken aan de vruchtbare steppe. Dit leidde in de 16e en 17e eeuw tot ontvolking. Na de Turken lag de Grote Vlakte er dan ook verlaten bij. Dorpen en steden rondom beschouwden de steppe als hun kolonie. Rundvee, paarden, schapen, ganzen en varkens en de herders (csikós) waren de nieuwe bewoners van de poesta, tot op heden.

Herstel van de poesta[bewerken]

Na deze verwoestingen kon de poesta zich dankzij de jaarlijkse overstromingen van de Tisza-rivier herstellen.

Het was de tijd van de herders (csikós) die ver van de bewoonde wereld, de kudden van hun meesters hoedden en die zomer en winter bij de dieren doorbrachten met geen ander onderdak dan een ossenwagen of een hut van riet.

In 1840 werd echter een begin gemaakt met de kanalisatie van de Tisza, die een deel van de poesta in moerasland had herschapen. Dit had echter tot gevolg dat de Grote Vlakte sindsdien het noodzakelijke vocht ontbeerde. Omdat er in het gebied weinig regen valt, jaarlijks niet meer dan 500 mm, verdroogde de bodem en leende zich steeds minder voor landbouw en veeteelt.

Tegenwoordig ondergaat de Grote Vlakte weer een gedaantewisseling. Bijna de helft van het eens braakliggende land is omgezet in bouwland hetgeen te danken is aan irrigatie en moderne ontginningsmethodes, en 40% is thans goed grasland. Er zijn visvijvers aangelegd, die 17 à 18.000 ton vis per jaar opleveren, op meer dan 12.000 ha wordt rijst verbouwd, grote delen zijn bebost en op het Nationaal Park Hortobágy wordt het fokken van langhoornig grauwwit rundvee en de zwarte raspaarden weer als vanouds beoefend.

De poesta rond Hortobágy, 200 km oostelijk van Boedapest gelegen, is de enige echte grote vlakte. Ze omvat een oppervlakte van 120.000 ha. Het kan hier lang droog zijn. Bij Tiszalök is een stuw, waardoor ook de bovenloop bevaarbaar is en een Hoofdkanaal-Oost (Keleti-föcsatorna) zorgt voor de noodzakelijke bevloeiing van de droge gebieden van de grote Hongaarse Laagvlakte. Hier en daar ziet men amper een boompje en een houten boomstaak van de waterputten in de vlakte uitsteken.

Deze onvruchtbare dorre steppe, die nauwelijks geschikt was om vee te weiden, was gedoemd te verdwijnen. Dankzij de buitenlandse toeristen die Hongarije met de poesta identificeerden en dit stoppelland met zijn wilde paarden en de nomadische herders wilden bezoeken, werd de verdwijning van de poesta echter verhinderd.

Met een huifkar kan men vanaf de Hortobágyi Csárda in Máta twee uur lang door de poesta trekken en allerhande punten bezoeken.

De csikós hoeden nog steeds een aantal halfwilde paarden, zoals ook de witte langhoorn koeien door de gulyás (koeienherders), en schapen met gedraaide horens door de juhász (schapenherders). De kondás zijn de varkenshoeders.

In de paardenstallen van Máta, in de Nyerges Bár, en in de sporthallen, staan 70 van de beste sportpaarden en jonge hengsten. Vanuit de cafetaria, achter glas, kan men in de grote overdekte hal de paarden zien staan en dresseren. Ook kan men beneden direct in de sporthal, achter een balie, de paarden bekijken. Er is een mogelijkheid in de stallingen zelf een kijkje te gaan nemen.

Nabij de Hortobágyi Csárda of Nagycsárda uit 1699 staat ook de grote manege van Nyerges Bár. De gasten van deze stoeterij en manege worden ondergebracht in de csárda van Hotobágy.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]