Natufische cultuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Natufische cultuur ook Natufien genoemd, was tussen ca. 12.000 v.Chr. en 9.000 v.Chr. een naar de wadi an-Natuf [1] genoemde epipaleolithische[2] cultuur in het Mediterrane deel van de Levant.

Een bijzonder kenmerk van deze cultuur is dat de bevolking al vóór de invoering van de landbouw leefde in permanente nederzettingen.[3] De Natufiërs waren waarschijnlijk de voorouders van de bouwers van de eerste neolithische nederzettingen in dat gebied, waarschijnlijk de oudste nederzettingen ter wereld. Deze sedentaire leefwijze zou mogelijk gemaakt kunnen zijn door de overvloed aan natuurlijke hulpbronnen en een gunstig klimaat.

Drieperiodensysteem
Holo-
ceen
Historische Tijd
La Tène-periode   Proto-
historie
Hallstatt-periode
IJzertijd
  Laat  
Midden
Vroeg
Bronstijd
Neolithicum Kopertijd  
Laat Pre-
historie
Midden
Vroeg
Mesoli- thicum of
Epipaleo-
lithicum
Laat
Midden
Vroeg
Pleisto-
ceen
Paleo- lithicum Laat
Midden
Vroeg
Steentijd

Nederzettingen[bewerken]

De verspreiding van de Natufische cultuur
Resten van een Natufisch huis, El-Wad-terras, Israël

De hoge bergen van de Libanon en de Anti-Libanon, de steppes van de Negev in Israël, de Sinaï en de Syrische woestijn boden slechts plaats aan kleine Natufische nederzettingen. Enerzijds doordat er maar weinig groeide, anderzijds doordat kuddes wilde grazers dit uitgestrekte gebied kaalvraten.

De huizen van de Natufiërs waren rond, 3–6 meter in doorsnee, en gedeeltelijk onderaards, beschut door rotswanden. Ze hadden vaak een fundering van natuursteen. De bovenkant van de woningen werd waarschijnlijk van sprokkelhout gemaakt. Van de in het latere prekeramische Neolithicum A veel gebruikte lemen tegels is geen spoor gevonden. De meestal ronde vuurplaats bevond zich in het midden van de huizen.

De dorpen hebben een oppervlakte tot 1000 m2. Kleinere nederzettingen worden geïnterpreteerd als minder permanente verblijfplaatsen (kampen).[4] Sporen van herbouw in bijna alle opgegraven nederzettingen wijzen erop dat men vaak van woonplaats veranderde. In de nederzettingen woonden naar schatting 100 tot 150 mensen, maar er zijn kleine, middelgrote en grote nederzettingen gevonden. Er is vrijwel niets gevonden waaruit op te maken valt dat de Natufiërs voorraden konden bewaren.

Vuursteenindustrie[bewerken]

Het Natufien had een microlietindustrie die korte lemmetten vervaardigde. Hun vuurstenen werktuigen werden niet geslepen, maar met andere stenen in de gewenste vorm geslagen.[5] De oudste, naar de vindplaats El-Khiam genoemde Khiampunten, dateren uit deze periode.

Er waren stenen gereedschappen beschikbaar waarmee men granen kon verwerken: sikkels met een blad van vuursteen, vijzels en maalstenen.

Sikkelvormige lemmeten verschijnen hier voor het eerst. De kenmerkende glans toont aan dat ze gebruikt werden om de silicarijke stengels van granen door te snijden, een indirect bewijs voor het begin van landbouw. Dat boogschieten werd beoefend blijkt uit de van gemalen steen gemaakte hulpmiddelen om pijlschachten recht te maken.

Andere vondsten[bewerken]

Er werden veel werktuigen van been gemaakt, zoals harpoenen en vishaken. Steen en been werden verwerkt tot hangers en andere sieraden. Er zijn ook wat van kalksteen gemaakte beeldjes van mensen gevonden (El-Wad, Ain Mallaha, Ain Sakhri), maar men had waarschijnlijk een voorkeur voor het afbeelden van gazellen.

Ontwikkeling van de landbouw[bewerken]

Het Natufien heeft zich ontwikkeld uit een cultuur van jager-verzamelaars die een rondtrekkende levenswijze hadden. Er is uit deze periode niet veel plantaardig materiaal bewaard gebleven (door de daarvoor ongeschikte bodem), maar er werden waarschijnlijk wilde granen, peulen, amandelen, eikels en pistachenoten verzameld. Al vroeg begon men de wilde gewassen enigszins te beschermen tegen wilde dieren.[6]

Later ging men meer aandacht schenken aan deze gewassen. Volgens een theorie[7] was de ontwikkeling van de landbouw het gevolg van een klimaatverandering. De Jonge Dryas (ca. 10.700 - 9.560 v. Chr.) was een koudeperiode waardoor het klimaat in het Nabije Oosten veel droger werd. Dit zou de wilde granen in gevaar hebben gebracht, die niet meer konden concurreren met planten die beter tegen droogte bestand waren. De (al in nederzettingen wonende) mensen hadden die wilde granen echter nodig om hun relatief grote bevolking in stand te kunnen houden. Door te wieden en van elders verkregen zaad te planten begonnen ze met het beoefenen van landbouw.[8]

Uit verschillende vondsten blijkt dat de Natufiërs waarschijnlijk al begonnen zijn met het opzettelijk kweken van granen. Ze gebruikten in elk geval wilde grassen. De Natufiërs kozen centrale plekken uit om te wonen zodat de wilde granen in alle drie zones geoogst konden worden. Maar doordat het klimaat droger werd moest men zich beperken tot plaatsen waar altijd water te vinden was.

Verder leefde men van de jacht en visserij. Uit de gevonden botten valt op de maken dat vooral op gazellen[9] gejaagd werd. Daarnaast vingen ze herten, wilde runderen en wilde zwijnen en in het steppegebied ook wilde ezels en steenbokken. In de Jordaanvallei stonden ook watervogels en zoetwatervis op het menu. Botten van dieren uit Salibiya I (12.300–10.800 jaar geleden) zijn voor sommige archeologen aanleiding geweest om te denken dat de bevolking in groepen met netten jaagde.

Nieuwere ontdekkingen tonen aan dat in het midden-Oosten en Anatolië het neolithicum al 10.900 v. Chr. stevig was gevestigd.[10] en dat er mogelijk al experimenten met graanveredeling waren rond 20.000 v. Chr.[11]

Samenleving en religie[bewerken]

Er was mogelijk nog weinig sprake van specialisatie of hiërarchie in deze samenleving.

Van religie zijn geen sporen gevonden: men vermoedt dat er aan voorouderverering werd gedaan. [12] In Ain Mallaha zijn sporen van paalgaten gevonden. Ze kunnen gebruikt zijn voor rituelen door de leider van de groep.

Gedomesticeerde honden[bewerken]

De Natufische cultuur was ook een van de eerste die honden gedomesticeerd heeft. De hechte band tussen de mensen en hun honden blijkt uit de graven bij Ein Mallaha in het noorden van het huidige Israël (10.000 v.Chr.)

Handel met verrre streken[bewerken]

Bij Ein Mallaha zijn Anatolische obsidiaan en schelpdieren uit het Nijldal gevonden. De bron van kralen van malachiet is nog niet ontdekt.

Overzichtstabel Neolithicum[bewerken]

Vindplaatsen[bewerken]

Enkele Natufische vindplaatsen zijn:

Noten[bewerken]

  1. de vindplaats van deze cultuur was in het Schubka-hol aan de rivier de Natuf, die uit het gebergte van Judea ontspringt
  2. Men noemt het Natufien ook wel Proto-Neolithicum in de Levant.
  3. De Natufiërs waren mogelijk nog deels nomadisch, maar zij hadden op zijn minst in sommige seizoenen een vaste woonplaats. Vergelijk Göbekli Tepe, Klaus Schmidt
  4. Men denkt wel, dat ze er alleen maar in sommige seizoenen woonden. Zie Göbekli Tepe, Klaus Schmidt
  5. Tot de geometrische microlieten behoren halve maantjes, trapezes en driehoeken. Een speciale vorm van retouche (Helwan) is kenmerkend voor het vroege Natufien. In het laat-Natufien wordt de Harifpunt (een typische pijlpunt die gemaakt werd van een gewoon lemmet) algemeen in de Negev. Sommige onderzoekers gebruiken het om er een afzonderlijke cultuur, de Harifcultuur, mee af te bakenen.
  6. Göbekli Tepe, Klaus Schmidt
  7. "The Natufian Culture in the Levant, Threshold to the Origins of Agriculture," Ofer Bar-Yosef, Evolutionary Anthropology 6, 159-177, 1998 – preprint –
  8. Hoewel deze theorie niet onomstreden is [1].
  9. Conrad Phillip Kottak, Windows on Humanity. hoofdstuk 7, p. 155-156.
  10. Quaternary Science Reviews 26 (2007) 2036–2041, Catastrophic early Holocene sea level rise, human migration and the Neolithic transition in Europe, Chris S.M. Turneya, Heidi Brown
  11. Research pushes back history of crop development 10,000 years
  12. Göbekli Tepe, Klaus Schmidt

Aanbevolen literatuur[bewerken]

  • O. Bar-Yosef/F. R. Valla (eds.), The Natoufian culture in the Levant (Ann Arbor 1991).
  • D.V. Campana/P. J. Crabtree, 'Communal hunting in the Natufian of the Southern Levant: The social and economic implications' in Journal of Mediterranean Archaeology 3/2, 1990, p. 233-243.
  • Clutton-Brock, J. (1999). A Natural History of Domesticated Mammals (2nd ed.). Cambridge, Cambridge University Press.
  • Balter, Michael, The Goddess and the Bull: Catalhoyuk, An Archaeological Journey to the Dawn of Civilization, Free Press (2005)

Externe links[bewerken]