Nederlands-Indië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Nederlands Oost-Indië)
Ga naar: navigatie, zoeken
Nederlandsch-Indië
Hindia-Belanda
Kolonie van het Koninkrijk der Nederlanden
 Vereenigde Oostindische Compagnie
 Sultanaat Atjeh
± 1800–27 december 1949 Verenigde Staten van Indonesië 
Nederlands-Nieuw-Guinea 
Flag of the Netherlands.svg
(Geen eigen vlag) [1]
Kaart
Nederlandsindie.PNG
Algemene gegevens
Hoofdstad Batavia
Oppervlakte 1.919.440 km²
Bevolking 60,7 miljoen (1930)
Talen Nederlands, Maleis, Javaans (e.a.)
Religie(s) Islam, christendom, Hindoeïsme o.a.
Nat. feestdag vanaf 1898 31 augustus
Volkslied Wien Neêrlands bloed
vanaf 1932 Wilhelmus
Munteenheid Nederlands-Indische gulden
Regering
Dynastie Oranje-Nassau
Staatshoofd Koning van Nederland
Plv. staatshoofd Gouverneur-generaal
Geschiedenis van Indonesië

History of Indonesia.png
..Naar chronologie

Vroege vorstendommen

De opkomst van de moslimstaten

Koloniaal Indonesië

De opkomst van Indonesië

Onafhankelijk Indonesië


Portaal  Portaalicoon  Indonesië
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

Nederlands-Indië, ook bekend als Nederlands-Oost-Indië, Oost-Indië en Indië, was vanaf 1816 de gebruikte officiële benaming voor alle in de Indische Archipel door de Nederlandse staat gekoloniseerde gebieden die in de jaren twintig van de vorige eeuw de omvang kregen van het huidige Indonesië. De indertijd gebruikte officiële schrijfwijze was Nederlandsch-Indië. In het Maleis luidde de naam Hindia-Belanda; de term "(Ons) Indië" werd met Tanah Hindia weergegeven.

De Nederlandse aanwezigheid dateert van het eind van de 16e eeuw, kort voor de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) die onder meer op Java enkele bezittingen en in de Molukken een aantal eilanden bezat. Na de nationalisatie van de VOC in 1798 gingen die over op de toenmalige Bataafse Republiek. De naam Nederlands-Indië kwam bij de VOC in de jaren 1620-1622 al voor, als 'Nederlandsch-India'.

De periode tot 1602[bewerken]

De Indische Archipel wordt vanaf de prehistorie door mensen bewoond. Voordat de Nederlanders kwamen, bestonden er al meerdere vorstendommen. Vanaf de 14e eeuw ontstonden er onder invloed van de Arabieren moslimstaten die een sterk feodale inslag hadden. De boeren moesten een groot deel van hun oogst, tot maximaal 65%, aan de vorsten afdragen. Eilanden handelden met elkaar, maar vochten ook geregeld conflicten uit. Door de Indiase en Arabische handelaren werden de specerijen naar Europa verhandeld. De schaarste ervan en de hoge prijzen vormden een sterke stimulans voor de eerste Europese ontdekkingsreizen.

De Portugezen waren de eersten die om de Kaap de Goede Hoop voeren en in 1498 Indië bereikten. In 1511 veroverden ze de stad Malakka waar ze handel dreven met Javanen en Bandanezen die specerijen uit de Molukken haalden, waarna de Portugezen zelf naar de Molukken reisden omdat de prijzen daar een vijfde waren van die in Malakka. Ze kwamen daar uiteindelijk in oorlog met de Molukse bevolking, waardoor de toevoer van specerijen naar Europa verminderde. Ondertussen was Portugal in 1580 onder de kroon van Spanje gekomen. Spanje was in oorlog met de Nederlanden en legde in 1585 beslag op vijandelijke schepen in de Portugese havens. De noodzaak voor de Hollanders om zelf op de Indonesische archipel te gaan varen werd hierdoor versterkt.

In 1596 bereikten vier Hollandse koopvaardijschepen met aan boord opperkoopman Cornelis de Houtman voor het eerst de Indische Archipel. In 1603 voer onder Steven van der Hagen de eerste volledig uitgeruste VOC-vloot naar de Indische Archipel uit,[2] die al spoedig in conflict kwam met de aanwezige Portugezen. Om de handel beter te organiseren, werd besloten een centrale leiding in te stellen onder een ter plaatse geïnstalleerde gouverneur-generaal, eerst op het eiland Ternate en later in de stad Batavia op Java. Tevens werden er handelsposten opgezet die konden dienen als opslagplaats en als "rendez-vous" voor de schepen.

De VOC streefde naar alleenhandel en ontwrichtte daarmee de vrije handel die vooral in handen was van Javaanse, Chinese en Arabische handelaren. Desnoods onder dreiging van geweld werden door de VOC contracten gesloten met de lokale vorsten, waarin dit privilege werd vastgelegd.[3]

De archipel van het voormalige Nederlands-Indië was niet één homogeen geheel, maar bestond uit eilanden die onderling zeer van elkaar verschilden. De Nederlanders concentreerden zich in de 17e en 18e eeuw vooral op de Molukken en Java. Op de Midden-Molukken werden voornamelijk kruidnagels geteeld.

Om de productie te beheersen en ontduiking van het handelsmonopolie tegen te gaan, concentreerden zij in de Molukken de handel van kruidnagels zo veel mogelijk op één eiland. Hiervoor werden op de andere eilanden de bomen omgezaagd. Daarnaast werd de Dati (familie in uitgebreide zin) verplicht een aantal kruidnagelbomen per jaar te planten en de productie aan de VOC te leveren.

Op de Banda-eilanden waar vooral nootmuskaat en foelie werden verbouwd, vestigde de VOC haar gezag met bruut geweld. De macht van de hoofden was hier niet groot, zodat de VOC de handel niet kon beheersen via de lokale elite. In 1609 werden de Bandoes traktaten opgelegd, maar die werden ontdoken via sluikhandel en smokkel. Na schermutselingen in 1609 stelden de Nederlanders de eis een vesting te mogen bouwen op Banda. De Nederlandse onderhandelingsdelegatie werd hierop vermoord door de Bandanezen. Vervolgens besloot gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen tot volledige onderwerping van de Bandanezen. De Bandanezen kwamen in opstand en daarom werden ze in 1621 uitgemoord door de VOC onder leiding van Coen. De overlevenden bracht Coen naar Java, waarna hij op de ontvolkte eilanden de eerste moderne plantages inrichtte, gebaseerd op slavenarbeid. Oud VOC-werknemers mochten de perken (plantages) beheren. Voedsel en slaven werden geleverd door de VOC, die het alleenrecht behield om de specerijen voor een lage prijs van de perkeniers te kopen. Door dit optreden van de VOC daalde de productie op de Molukken met 70%. De productiedaling ging gepaard met een consumptiedaling, terwijl het hele sociaal-economische systeem was ontwricht. Daarnaast was het sterftecijfer hoger dan het geboortecijfer waardoor er een constante vraag naar slaven was.

Kaart van Nederlands-Indië door William Dampier, 1697

Op Java was de situatie anders. Toen de VOC zich daar vestigde was het land verdeeld in een groot agrarisch binnenland met gesloten, naar eigen behoefte producerende dorpen die onder centraal gezag stonden van lokale vorsten die het monopolie hadden op de handel van het productie-overschot. Daarnaast waren er de handeldrijvende havenplaatsen, waar veel Oosterse vreemdelingen woonden. Op Java kon de VOC veel makkelijker monopolies afdwingen dan op de Molukken. Ze wist handig gebruik te maken van de twisten tussen de inheemse vorsten door één vorst te helpen tegen een andere, in ruil voor handelsvoordelen en monopolies.

Doordat de vorst zijn vrijheid over de handel had prijsgegeven, was vanzelf een verhouding van afhankelijkheid ontstaan, die zich ontwikkelde tot ondergeschiktheid. Zo veranderde geleidelijk, aan het eind van de 17e eeuw vanuit Batavia, het overwicht over de kuststaatjes in territoriaal gezag. Dit ging samen met een gedeeltelijke verandering in de wijze waarop de VOC haar inkomsten verkreeg. Naast de traditionele handelswinsten kwamen de gedwongen leveringen (vorst moet verplicht een bepaald product aan de VOC leveren tegen een overeengekomen prijs) en contingenten (soort belasting in natura). Het verschil tussen de vrijhandel met de Javaanse vorsten en de gedwongen leveringen was niet zo groot. Beide werden afgedwongen onder de druk en bescherming van de kanonnen en geweren van de compagnie. Door het monopolie werd de inheemse groothandel onderdrukt en toen de verplichte leveringen aan het eind van de 17e eeuw hun intrede hadden gedaan, moesten de desa's, die tot dan toe alleen voor eigen gebruik en voor de hoofden hadden hoeven te produceren, voortaan ook voor de compagnie produceren. In ruil daarvoor zorgde de VOC dat er vrede was.

Elders op de archipel vormde de compagnie een minder geduchte macht. Op Noord-Sumatra sloot de compagnie in 1641 pepercontracten met Atjeh, Palembang en Jambi maar die waren niet zo dwingend als de hierboven beschreven contracten. Bovendien moest er met zilver worden betaald. Na 1680 ging de intra-Aziatische handel, die lange tijd zeer winstgevend was geweest, verlies op leveren. De handel binnen Azië had de compagnie altijd een groot deel van de middelen verschaft, het textiel, waarop haar Aziatische bedrijf de inkoop van de retourgoederen dreef. Nu moest steeds meer baar geld worden aangevoerd.

De territoriale uitbreiding en voortdurende oorlogen overzee aan het eind van de 17e eeuw deden de kosten voor de VOC in Azië hoog oplopen. Na 1686, met als uitzondering 1691/92, werd ieder jaar met verlies afgesloten. In de 18e eeuw ging het weer iets beter. In 1720 werd er nog 20% dividend uitgekeerd.

Na 1740 ging de compagnie zich in Azië concentreren op de Indische Archipel, waar op Java zelfs in zekere mate sprake was van rechtstreekse penetratie. Op de Noordoostkust van Java en in het gebied rond Batavia werden de koffiecultuur en de suikeraanplant uitgebreid. Ook was er sprake van militaire expansie: In 1743 werd Mataram voor de VOC verworven.

De compagnie behield haar monopolie op de "geruime vier": nootmuskaat, foelie, kruidnagel en kaneel. De VOC beheerste de productie en de prijs. Het eerste via het omzagen en weer aanplanten van bomen, het tweede via een monopolie. Wat vaak vergeten wordt is dat men zich ook bezig hield met opiumhandel. Opium was een legaal product waarnaar wereldwijd grote vraag was. De productiemethoden en de manier waarop de VOC het gebied beheerste, veranderden nauwelijks.

Een schrijver over de compagnie heeft ooit gezegd dat dit handelslichaam geen geschiedenis heeft. De bestuurders der VOC hebben hun hele bestaan op één en dezelfde manier gestreefd naar het bereiken van hun doel, het maken van handelswinst door angstvallig vast te houden aan hun monopolie. Na de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog volgt er eind 18e eeuw een chaotische periode in de koloniën.

Na de opheffing van de VOC in 1798 gingen de bezittingen op de toenmalige Bataafse Republiek over.

19e eeuw[bewerken]

Het beheer door de Bataafse Republiek aan het begin van de 19de eeuw kende in feite twee onderbrekingen. De eerste doordat Nederland de facto onder Frans beheer kwam. In Nederlands-Indië werd Herman Willem Daendels benoemd tot gouverneur-generaal. De tweede doordat Groot-Brittannië Napoleon Bonaparte versloeg en het gezag in Nederlands-Indië overnam en Thomas Stamford Raffles tot gouverneur-generaal benoemde. Beiden hebben hun "monumenten" nagelaten. Daendels liet, ten koste van veel mensenlevens, "de Grote Postweg" op Java aanleggen. De hoofdverkeersader die Jakarta (toen Batavia) via Surakarta en Jogjya met Soerabaja verbond en nog verbindt. Het doel van deze verbinding was de "beheersbaarheid" van het eiland Java te versterken en de verdediging tegen de Britten te verbeteren. De "monumenten" van Raffles zijn van culturele aard. Hij herontdekte 's werelds grootste boeddhistische tempel, de Borobudur, die door tropische plantengroei deels aan het oog onttrokken was. Zijn tweede monument is de stichting van de "Plantentuin" te Buitenzorg (thans Bogor). Ook introduceerde hij de theeaanplant in de Preanger. Tenslotte is het links rijden van het verkeer door hem ingevoerd.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook de Invasie van Java voor het hoofdartikel over dit onderwerp

Rond 1825 werden er op Java grote opstanden onder leiding van de inheemse nationalistische leider Diponegoro door de Nederlanders bestreden. Na een zware strijd die aan beide kanten veel slachtoffers eiste, werd Diponegoro verslagen. Deze strijd wordt ook wel de Java-oorlog genoemd. Na deze oorlog kwam Java bijna geheel onder directe Nederlandse heerschappij te staan. Alleen de vorsten van Jogjakarta en Soerakarta bezaten nog enkele Javaanse gebiedsdelen. Op de andere eilanden, waar de opstanden gewoon door gingen, bezat Nederland wel een aantal gebieden en steden, maar er werd vanaf toen een onthoudingspolitiek gevolgd. Hierbij werd in de buitengewesten geen bestuur gevestigd, maar men beperkte zich tot relaties met de inheemse vorsten. Een andere politiek zou financieel en militair te veel inspanningen vergen.

Het cultuurstelsel werd in 1830 ingevoerd en tot circa 1870 aan de inheemse bevolking opgelegd. Voor winstgevende producten bleef het stelsel langer van kracht; voor koffie gold het tot aan het begin van de twintigste eeuw. Bij wijze van pacht moesten de 'inlanders' 20% van hun grond gebruiken voor producten voor de Europese markt, zoals koffie indigo, thee en rietsuiker. Deze producten werden door de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Europa verkocht. Het systeem werd veelvuldig misbruikt. Multatuli schreef hierop in 1860 zijn roman Max Havelaar en nog andere werken waarin gewezen werd op de bedenkelijke morele aspecten van dit misbruik. Hoewel hij geen anti-kolonialist was, droeg zijn werk bij tot afschaffen van het stelsel. Vanaf 1848 begonnen meer mensen te pleiten voor de afschaffing. Hiervoor worden twee belangrijke oorzaken genoemd: de inheemse bevolking leed eronder en men wilde Nederlands-Indië openen voor particulier bezit.[4] Het uit het cultuurstelsel resulterende batig slot was van groot belang voor de Nederlandse begroting.

Het uiteindelijke afscheid van de onthoudingspolitiek kwam tijdens de langdurige Atjehoorlog met de Lombok-expeditie in 1894 en de aanstelling van generaal Van Heutsz als militair-gouverneur van Atjeh in 1898. Onder druk van het moderne imperialisme van de overige westerse landen werd vanaf die tijd het Nederlandse gezag steeds verder uitgebreid. Zo werden geheel Sumatra en Celebes en een deel van Borneo Nederlandse koloniën. Ook de gehele eilandenreeks van Bali tot en met West-Timor kwam onder Nederlandse controle. Na diverse vruchteloze pogingen vanaf 1873 werd Atjeh in het begin van de twintigste eeuw onderworpen. Tot 1914 werden nog militaire campagnes uitgevoerd en ook daarna bleef het onrustig in Atjeh.

Door de opening van het Suezkanaal in 1869 werd de reistijd tussen West-Europa en Oost-Azië verminderd van enkele maanden tot enkele weken. De Nederlanders beseften dat het nu lonend werd waardevolle grondstoffen te winnen en ze vervolgens te exporteren. Men ging ervan uit dat de inheemse bevolking minderwaardig was, maar voelde zich tegelijkertijd verantwoordelijk voor het welbevinden. Door de invoering van de Nederlandse cultuur en omgangsvormen dachten de Nederlanders het land tot een 'beschaafde' natie maken. Het beschavingsoffensief en de bijbehorende emancipatie zorgde ervoor dat de bevolking een plaats begon te eisen in het bestuur en uiteindelijk zelfbeschikking.[5]

In 1870 werd de Agrarische Wet en de Suikerwet ingevoerd. Door deze wetten konden particuliere bedrijven zich in Nederlands-Indië vestigen. Deze bedrijven introduceerden nieuwe producten als tabak en rubber. Grondstoffen uit Indië werden vervolgens in Nederland bewerkt. Indië werd zodoende de kurk waarop de Nederlandse economie dreef.[4]

20e eeuw[bewerken]

Bioscoopjournaal uit 1948. Een rondreizende tentoonstelling stelt de jeugd van Zeeland, Brabant en Limburg in de gelegenheid kennis te maken met de cultuur van de "Overzeese Gebiedsdelen".
Indische markt, braderie en tuinfeest (anno 1927), op het landgoed Arendsdorp bij Den Haag.

Staatkundig[bewerken]

In het begin van de eeuw werd het centraal gezag enigszins gedecentraliseerd c.q. gedemocratiseerd. De 26 grotere steden kregen rond 1910 een gemeenteraad en later rond 1925 een eigen burgemeester (zie ook Lijst van stadsgemeenten van Nederlands-Indië). De instelling (1916) en benoeming (1918) van een soort parlement, de Volksraad ter advisering van de gouverneur-generaal, was een stapje richting democratie.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Nederland verklaarde Japan de oorlog op 7 december 1941, als reactie op de Japanse overval op Pearl Harbor. Op 11 januari 1942 landden de Japanners op Nederlands Borneo bij het oliecentrum Tarakan en bij Menado en Kema op Celebes (Sulawesi). In hoog tempo versloegen zij alle Nederlandse strijdkrachten. Op 30 en 31 januari 1942 landden de Japanners op Ambon en namen het snel in. Op 27 en 28 februari 1942 versloegen de Japanners een Amerikaans, Brits, Australisch en Nederlands vlooteskader onder de schout-bij-nacht Karel Doorman in de Eerste slag in de Javazee door

  • betere commandovoering en communicatie,
  • superieure vuurkracht,
  • verreikende torpedo's en
  • het gebruik van een vliegkampschip (dat de gealliëerden ontbeerden).

Daarmee waren de laatste Nederlandse oorlogsschepen (oppervlakte) in Azië uitgeschakeld of vernietigd, en bleven in Oost-Azië van de Nederlandse strijdkrachten alleen de Onderzeedienst en de Marine Luchtvaartdienst actief. Op 1 maart 1942 landden de Japanners op Java op vier plaatsen. Op 5 maart 1942 trokken de Japanners de hoofdstad Batavia binnen. Zij hadden in drie maanden met minimale verliezen geheel Oost-Azië veroverd, met bijna 200 miljoen inwoners - de Duitsers hadden voor hun verovering van alleen continentaal West-Europa een jaar nodig gehad.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaven de Nederlandse strijdkrachten zich op 8 maart 1942 over en werd Nederlands-Indië geheel onder Japans militair bestuur geplaatst met van meet af aan sterke onderdrukkende, racistische en terroristische tendensen.

Japanse krijgsgevangen- en burgerinterneringskampen[bewerken]

De Europese bevolkingsgroep werd in Japanse burgerinterneringskampen geïnterneerd: bijna alle witte Europeanen en tienduizenden van gemengde afkomst. Deze kampen waren niet te vergelijken met de vernietigingskampen van de nazi's, omdat de inwoners ervan hun dagelijks bestaan (bezigheden, voeding) zelf moesten inrichten. Door grote cultuurverschillen en cultureel onbegrip ontstonden echter grote problemen, zoals voor de Japanse autoritaire stijl en bijvoorbeeld de eis om allerlei exact voorgeschreven eerbewijzen aan de Japanse keizer te brengen. Hoewel de Japanners al meteen na de verovering met standrechtelijke executies begonnen van zowel krijgsgevangenen als burgers, ook vrouwen, die soms publiekelijk onthoofd werden, verergerde hun bewind zich al snel. Niet alleen het reguliere Japanse leger en de marine hadden hierin een rol, vooral ook de Gestapo-achtige geheime politie zoals de Kempetai. De bezettende Japanners toonden over het algemeen geen enkel respect voor de verslagen Europeanen.

Nationalisme[bewerken]

Gedurende de bezetting ontwikkelde de nationalistische Indonesische beweging zich sterk. De Japanners zelf stonden, door hun idee waarin Oost-Azië één staat moest worden, negatief tegenover een onafhankelijk Indonesië. Toen ze de oorlog echter aan het verliezen waren begon Japan met besprekingen die een onafhankelijk Indonesië moest opleveren onder Japanse hegemonie. Op 17 augustus 1945 (2 dagen na de capitulatie van Japan) riep Soekarno de Republik Indonesia uit. Deze republiek moest geheel Nederlands-Indië omvatten.

Na het einde van de oorlog in 1945 was Nederland niet meteen bij machte troepen naar Indonesië te sturen om het koloniale gezag te herstellen. Men was afhankelijk van de Britse troepen, terwijl Groot-Brittannië niet zonder meer het herstel van het Nederlandse gezag op zich wilde nemen. De Amerikanen en Britten lieten de handhaving van het gezag in handen van de achtergebleven Japanse troepen. De Indonesische nationalisten, die aanvankelijk door de Japanse bezetters waren ondersteund maar later ook waren vervolgd, maakten van deze situatie gebruik hun eigen structuren op te bouwen. Zij kregen de controle over de grootste delen van Java en Sumatra.

Japanse aanvallen op Nederlands-Indië.

De Nederlandse regering had gedurende de oorlog beloftes gedaan over autonomie voor Indonesië. Deze beloftes werden geformuleerd in de radiotoespraak door koningin Wilhelmina van 7 december 1942. Zover deze toespraak in "bezet Indië" werd gehoord — de Japanse bezetter vaardigde namelijk al zeer kort na de Nederlandse capitulatie de maatregel uit dat alle radio's ter "verzegeling" dienden te worden aangeboden—de nationalisten zouden de vage beloftes toch als ongeloofwaardig en 'too little, too late' opzij schuiven.

De verkenningspatrouilles die vanuit Australië werden uitgezonden (onder andere door de NEFIS -Netherlands Forces Intelligence Service-) waren slechts gericht op het verzamelen van militair-strategische informatie. Een meer of mindere mate van onafhankelijkheid voor Indonesië was dus echter al snel aan de orde. Luitenant-gouverneur-generaal Hubertus van Mook besloot tot opbouw van Indonesië volgens een federale structuur. Dit was geen volstrekt nieuw idee, maar vormde wel een breuk met de staatsvoering in Nederlands-Indië tot dan toe, en vormde een schril contrast met de denkbeelden van de nationalisten, die wilden dat geheel Nederlands-Indië tot een centralistisch bestuurd Indonesië zou gaan behoren. Het plan was, Indonesië op te delen in verschillende deelstaten negara's, die onder zich eventueel ook weer zelf besturende gebieden zouden kunnen hebben, de daerahs. Het geheel zou dan de Verenigde Staten van Indonesië heten en met Nederland verbonden zijn in de Nederlands-Indonesische Unie. Het zuiver symbolische hoofd van de Nederlands-Indonesische Unie zou de Koning der Nederlanden zijn. De door de nationalisten uitgeroepen Republik Indonesia zou dan een der negara's worden. Over dit plan werd met de Indonesiërs overeenstemming bereikt gedurende een conferentie te Linggadjati in november 1946. Via de federale structuur werd volgens mensen als Van Mook de culturele en etnische diversiteit van Indonesië erkend. Men verwees hierbij naar het zelfbeschikkingsbeginsel: de verschillende volkeren van Indonesië zouden zichzelf moeten kunnen besturen. De etnische diversiteit van Indonesië was onderwerp geweest van twee conferenties in Malino en Pangkalpinang.

Het idee Indië los te moeten laten was echter schokkend voor veel Nederlanders met de gedachte Indië verloren, rampspoed geboren. Nederland had Indië altijd als een belangrijke raison d'être beschouwd. Gedurende het cultuurstelsel, waarbij de Nederlandse regering veel inkomsten uit Indië verwierf ten koste van de plaatselijke bevolking, kwam onder invloed van onder meer Multatuli de gedachte van het "schone streven" op: Nederland moest zijn "ereschuld" veroorzaakt door het cultuurstelsel aan Indië terugbetalen door het land te ontwikkelen. Veel Nederlanders hadden zodoende messianistische gedachten bij Indië; het was de taak van Nederland dit land te ontwikkelen.

Nederlands-Indië was de Nederlandse kolonie bij uitstek. Natuurlijk was er ook West-Indië, Suriname en de Nederlandse Antillen, maar vanwege zijn grootte, economisch belang en rijkdom aan verschillende volkeren en culturen nam Nederlands-Indië in het Nederlandse koloniale gedachtegoed de voornaamste plaats in. Nederland had sterk het idee dat Nederlands-Indië een modelkolonie was. Men aanvaardde wel het idee dat Nederlands-Indië ooit onafhankelijk zou worden, maar dit plaatste men in de verre toekomst. In de periode tussen de oorlogen werden dan ook geen vergaande hervormingen in het bestuur doorgevoerd; van enige ontwikkeling in de participatie van Indonesiërs in het bestuur was na 1918 geen sprake. Het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs kwam dan ook voor de meeste Nederlanders als een volslagen verrassing.

Bovendien weigerde de Nederlandse publieke opinie de leiders van de Republik Indonesia te erkennen als leiders van de Indonesische massa's. De Indonesische nationalisten onder Soekarno hadden meegewerkt met het Japanse bewind. Hierdoor brandmerkte men hen in Nederland als verraders en collaborateurs. De rol van de Britten en Amerikanen was vervolgens zeer kwetsend voor de Nederlanders. De Britten hadden geweigerd hun legermacht in dienst van Nederland te stellen. Voorts hadden zij door de Republikeinen in de ordehandhaving op Java en Sumatra te betrekken in de ogen van Nederland bijgedragen aan de erkenning van het republikeins gezag. De Amerikanen vervolgens drongen bij Nederland aan op een oplossing van het conflict en schaarden zich vanuit hun anti-kolonialisme niet zonder meer langs de Nederlandse "legalistische" lijn, die uitging van verdragen en wetten.

Indische hongersnood[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Hongersnood op Java (1944-45) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vanaf 1944 tot het eind van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië en nog een periode daarna, ontstond door Japans wanbeheer een hongersnood waaraan 2,5 tot 4 miljoen mensen stierven. Vooral op het eiland Java was de sterfte enorm en werd het niet ongewoon in de loop van 1944 mensen in de straten van steden te zien sterven.

Ondanks het enorme aantal doden is er in de Nederlandse geschiedenisboeken over deze periode zeer weinig terug te vinden. Vrijwel de enige die deze periode redelijk gedocumenteerd heeft, is Loe de Jong in zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Daar komt hij aanvankelijk tot een schatting van meer dan 2 miljoen doden. Een tiental pagina's verderop stelt hij dat het om 2,5 miljoen doden moet gaan. Andere wetenschappers komen op 3 tot 4 miljoen.

De hongersnood ontstond tegen een merkwaardige achtergrond: Indonesië bezat eind 1941 een uitstekende, hoogproductieve landbouw die enorme exporten verzorgde. Het land was zelfverzorgend qua rijstbouw; het was de grootste suikerproducent ter wereld.

Deze hongersnood ontstond door de volgende Japanse tekortkomingen:

  • roofzucht: het leger en de marine, die geheel Nederlands Oost-Indië onder hun beheer hadden, stelden hun eigen belangen verre boven die van de bevolking;
  • wanbeheer met weigering van het voortzetten van succesvolle Nederlandse methoden, hoewel nog enige tijd Nederlandse managers in dienst werden gehouden; de japanners dwongen ook de teelt met bijvoorbeeld Japanse rijstrassen af, die echter niet de beoogde opbrengsten gaven;
  • productiewijzigingen waarbij de verbouw van sommige producten die voor de bevolking van groot belang ware, sterk werd verminderd (zie opsomming onder);
  • grootschalige dwangarbeid van onder meer de zogenaamde romusha's die afgevoerd werden om aan speciale projecten zoals de Dodenspoorlijnen op Sumatra en in Birma te werken; de arbeidsintensieve Indonesische landbouw kon echter geen grote aantallen mensen missen;
  • algemene Japanse tekortkomingen op het gebied van bestuur en economie: er ontstond snel grote corruptie en grote inflatie.

De productie verminderde volgens prof dr D.H. Burger in zijn Sociologisch Economische Geschiedenis van Indonesië tijdens de oorlog als volgt:

  • rijst: minus 32%
  • maïs: minus 66%
  • cassave: minus 56%
  • bataten (zoete aardappelen): minus 27%
  • pinda's: minus 56%
  • sojabonen: minus 60%
  • veestapel: minus 50%
  • vissersvloot: minus 30%.

Politionele acties[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Politionele acties voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland verzette zich tegen de Indonesische onafhankelijkheid en stuurde militairen om de rust te herstellen, de 'politionele acties', wat internationaal niet in goed aarde viel. Vanwege internationale druk van vooral de Verenigde Staten, accepteerde Nederland op 27 december 1949 de Indonesische onafhankelijkheid. Alleen de westelijke helft van Nieuw-Guinea bleef nog tot 1962 Nederlands.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: Eerste Divisie 7 December

Het verschil van mening over de datum van ontstaan van de Republik Indonesia heeft tientallen jaren de betrekkingen tussen Nederland en Indonesië verziekt. Indonesië hield vast aan de datum 17 augustus 1945, Nederland hield vast aan 27 december 1949. Pas in 2005 werd bij monde van minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken het volgende gesteld: Ik zal met steun van het Kabinet aan de mensen in Indonesië duidelijk maken dat in Nederland het besef bestaat dat de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië de facto al begon op 17 augustus 1945 en dat wij - zestig jaar na dato - dit feit in politieke en morele zin ruimhartig aanvaarden.[6] Saillant detail is dat minister Bot zelf als kind in het concentratiekamp Ambarawa de uitroeping van de Republiek Indonesia heeft meegemaakt.

Nederlands-Indië in 1893

Op de Indische Nederlanders werd grote druk uitgeoefend om te kiezen voor het Indonesisch staatsburgerschap. Velen kregen in de jaren vijftig spijt van hun keuze, vooral toen de betrekkingen tussen Nederland en Indonesië verslechterden en opteerden alsnog voor het Nederlanderschap. Zij werden spijtoptanten genoemd.

De Nederlandse aanwezigheid in Indonesië, met uitzondering van Nieuw-Guinea, kwam pas echt ten einde in december 1957, toen vanwege het conflict tussen Nederland en Indonesië over Nieuw-Guinea Nederlanders werden gedwongen uit Indonesië te vertrekken en Nederlandse bedrijven werden genationaliseerd.

Gouverneurs-generaal vanaf 1899[bewerken]

Voor de gehele lijst zie: lijst van gouverneurs-generaal van Nederlands-Indië.

Literatuur[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. fahnenversand.de
  2. De VOC verkreeg vanaf haar oprichting in 1602 het Nederlandse monopolie om ten oosten van de Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan zeehandel te drijven. De compagnie kreeg ook het recht om daar, tot het behoud van het handelsmonopolie, oorlog te voeren en namens de Nederlandse republiek verdragen te sluiten met inheemse vorsten. Ook voerde ze rechtspraak uit.
  3. De vorsten kregen op hun beurt het monopolie op de handel in het gebied waarover zij heersten.
  4. a b http://www.nationaalarchief.nl/indie/html/NedInd_cultuur.html www.nationaalarchief.nl
  5. http://www.nationaalarchief.nl/indie/html/NedInd_index.html www.nationaalarchief.nl
  6. http://www.stgdebrug.nl/bot.html www.stgdebrug.nl/bot.html
Gebieden in handen van de WIC

Gouvernementen: Berbice* · Cayenne · Demerary* · Essequibo* · Goudkust* · Nederlands Brazilië · Nederlandse Antillen · Nieuw-Nederland · Pomeroon · Suriname*

Gebieden met een directeur: Maagdeneilanden

Gebieden met een baron: Tobago (geleend aan Cornelis Lampsins)

Factorijen / handelsposten: Arguin · Loango-Angolakust · Senegambia · Slavenkust

Gebieden in handen van de VOC

Gouvernementen: Amboina* · Banda* · Batavia* · Ceylon · Coromandelkust* · Formosa · Java's Noordoostkust* · Kaapkolonie* · Makassar* · Malakka* · Mauritius · Molukken*

Directoraten: Vestingen in Bengalen · Vestingen in Perzië · Suratte

Commandementen: Bantam* · Malabar · Sumatra's Westkust*

Residenten: Bandjarmasin* · Cheribon* · Palembang* · Pontianak*

Gebieden met een opperhoofd: Birma · Dejima* · Vestingen in Siam · Timor · Tonquin

Factorijen: Vestingen in China

Gebieden in handen van de Noordse Compagnie

Nederzettingen: Amsterdam eiland (incl. Smeerenburg) · Jan Mayen

Overige gebieden in handen van de Staat

Vestingen: Acadia · Fort Nassau · Zoutpannen in Venezuela

*: Gebieden ook in handen van de Bataafse Republiek geweest.