Nederlandse grammatica

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Dit artikel geeft een summier overzicht van de Nederlandse grammatica. Zie Grammatica voor het onderwerp in het algemeen.

Woordvolgorde[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Woordvolgorde voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederlands is een SOV-taal met in de hoofdzin de V2-regel, waardoor de persoonsvorm in stellende hoofdzinnen naar de tweede positie verschuift.

Basisvolgorde bijzin: voegwoord - onderwerp - meewerkend voorwerp - bijwoordelijke bepaling van tijd en plaats - lijdend voorwerp - persoonsvorm en werkwoordelijke - niet-werkwoordelijke rest.

Bijvoorbeeld:

(Ik weet) dat Kees Jan morgen in de stad een boek wil geven vanwege zijn verjaardag.

onderwerp - persoonsvorm - meewerkend voorwerp - bijwoordelijke bepaling van tijd en plaats - lijdend voorwerp - werkwoordelijke - niet-werkwoordelijke rest.

Bijvoorbeeld:

Pieter heeft Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven.

Deze woordvolgorde is belangrijk voor een goed begrip van de zin, aangezien het Nederlands geen echte naamvallen [1] kent zoals bijvoorbeeld het Duits.

Vragende vorm[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Vraagzin

Wanneer een zin in de vragende vorm staat zijn onderwerp en persoonsvorm van plek verwisseld:

Heeft Pieter Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven?

Wanneer het onderwerp toch vóór de persoonsvorm staat in een vragende zin impliceert dat vaak een controlevraag:

Pieter heeft Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven?

In deze laatste vorm is de intonatie van een of meer laatste woorden erg belangrijk (namelijk hoger dan de rest). Hierdoor is voor de luisteraar duidelijk dat het een vraag betreft en niet een gegeven feit.

Alternatieve volgordes[bewerken]

Ook de volgende woordvolgordes zijn grammaticaal correct:

Aan Jasper heeft Pieter gisteren in de tuin een appel gegeven
Gisteren heeft Pieter Jasper in de tuin een appel gegeven
In de tuin heeft Pieter Jasper gisteren een appel gegeven
Pieter heeft gisteren in de tuin een appel aan Jasper gegeven
Pieter heeft gisteren Jasper in de tuin een appel gegeven

In alle zinnen is "Jasper" het meewerkend voorwerp (indien voorafgegaan door "aan" een zgn. omschreven meewerkend voorwerp).

Merk op dat de persoonsvorm vóór het onderwerp komt als het onderwerp niet aan het begin van de zin staat.

Lidwoorden[bewerken]

Lidwoorden kunnen geplaatst worden voor zelfstandige naamwoorden en hebben daarbij vooral de functie om de bepaaldheid ervan aan te duiden. Net als in andere talen (zoals bijvoorbeeld Frans (le/la, un/une) en Duits (der/das/die, ein/eine)) geven de lidwoorden het woordgeslacht aan. In de zin van mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Daarnaast bestaat er nog een verschil tussen bepaalde en onbepaalde lidwoorden wat in het Nederlands meer belang heeft dan het geslacht van het woord.

De lidwoorden zijn: de, het (in spreektaal vaak uitgesproken als 't ) en een (in spreektaal vaak uitgesproken als 'n ). De bepaalde lidwoorden zijn de (mannelijk, vrouwelijk en meervoud) en het (onzijdig). Het onbepaalde lidwoord is een (alleen enkelvoud, bij meervoud wordt een weggelaten). Het verschil zit hierin: als je zegt "het boek/de straat" dan heb je het over een bepaald boek/straat, maar spreek je over "een boek/een straat" dan kan dat elk(e) boek/straat zijn. Er is ook een verschil met onbepaalde en bepaalde lidwoord bij bijvoeglijke naamwoorden. Zo krijgen het- en de-woorden -e achter het bijvoeglijk naamwoord, als het dan onbepaalde woorden worden valt bij het-woorden de -e weg. Voorbeeld; het mooie meisje en de mooie hoed worden een mooi_ meisje en een mooie hoed.

Het of De[bewerken]

In het Nederlands wordt er niet zo gelet of woorden nou mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. Dit komt doordat het geslacht van woorden weinig invloed meer heeft op andere woorden in de zin. Vroeger werden er nog wel naamvallen gebruikt in het Nederlands, maar die zijn verdwenen en alleen nog te vinden in vaste uitdrukkingen zoals 'de heer des huizes' en 'Commissaris der Koningin'. Het verschil van mannelijke en vrouwelijke woorden aan de ene kant met onzijdige woorden aan de andere kan je echter wel zien. Zo hebben vader en moeder allebei het lidwoord de: de vader en de moeder, en heeft het onzijdige woord kind het lidwoord het: het kind.

Andere 'regels':

• Bij samengestelde woorden wordt altijd het lidwoord gebruikt van het basiswoord, bijvoorbeeld: de krant + het artikel = het krantenartikel; het boek + de kaft = de boekenkaft.

• Talen krijgen het lidwoord het; het Frans, het Engels, het Duits enz.

• Aardrijkskundige namen met een bijvoeglijk naamwoord krijgen het lidwoord het; het mooie Brussel, het koude Siberië, het zonnige Italië enz. Uitgezonderd Aardrijkskundige meervoud namen die krijgen de; de (grote) Verenigde Staten, de (oude) Nederlanden.

• Richtingen krijgen het lidwoord het; het noorden, het zuiden, het oosten, het westen.

• Sporten krijgen het lidwoord het; het voetbal, het handbal.

• Werkwoorden krijgen het lidwoord het; het zwemmen, het denken, het eten.

• Suffixen -je, -isme, -asme, -gram (niet kilogram), -ment, -sel, -um (uitgezonderd; de datum, de patrolium) krijgen het lidwoord het; het huisje, het boeddhisme, het orgasme, het monogram, het segment, het omhulsel en het continuüm.

Bijvoeglijke naamwoorden[bewerken]

Een bijvoeglijk naamwoord wordt altijd geplaatst vóór het zelfstandig naamwoord waar het betrekking op heeft. Een eventueel lidwoord wordt vóór het bijvoeglijk naamwoord geplaatst:

Een lekkere maaltijd.
Een vieze man.

Bijwoorden[bewerken]

Wanneer een bijwoord betrekking heeft op een werkwoord dan wordt het achter het betreffende werkwoord geplaatst:

Hij schrijft veel in Wikipedia.

Wanneer een bijwoord betrekking heeft op een bijvoeglijk naamwoord of op een ander bijwoord dan wordt het vóór het betreffende woord geplaatst:

Het is een erg boeiende discussie.
Gerard liep zeer snel.

Werkwoorden[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Werkwoord (Nederlands) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Zoals in alle Germaanse talen zijn de werkwoorden naar vervoeging in 3 klassen onder te verdelen:

  1. onregelmatige werkwoorden,
  2. sterke werkwoorden,
  3. zwakke werkwoorden.

Sterke werkwoorden[bewerken]

Van sterke werkwoorden dient men 3 vormen te kennen: de infinitief of het hele werkwoord, de onvoltooid verleden tijd en het voltooid deelwoord.

Voorbeeld: het sterke werkwoord binden: binden - bond - gebonden

ik bind bond heb gebonden bind ik?
jij bindt bond hebt gebonden bind jij?
hij/zij/u/het bindt bond heeft gebonden bindt hij?
wij/jullie/zij binden bonden hebben gebonden binden wij?

Sterke werkwoorden worden in de tegenwoordige tijd (o.t.t.) op dezelfde manier vervoegd als zwakke werkwoorden, in tegenstelling tot het Duits, waar bij deze klasse niet alleen in de verleden maar ook in de tegenwoordige tijd Ablaut optreedt. In de verleden tijd (o.v.t.) krijgt alleen de meervoudsvorm een uitgang -en. De andere vormen krijgen géén uitgang in de verleden tijd! Zie verder de Lijst van sterke en onregelmatige werkwoorden in het Nederlands.

Onregelmatige werkwoorden[bewerken]

De belangrijkste onregelmatige werkwoorden zijn hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen. Zie verder de Vervoeging van onregelmatige Nederlandse werkwoorden.

Verbuigingen[bewerken]

Verbuigingen ofwel naamvallen komen in het Nederlands weinig voor, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Duits. De belangrijkste verbuigingen zijn de meervoudsvorm en de verkleinvorm van zelfstandige naamwoorden. Verbuigingen komen dus eigenlijk vooral voor bij Adjectieven of bij het Zelfstandig naamwoord.

Verbuigingen van het zelfstandig naamwoord[bewerken]

Meervoudsvorm[bewerken]

Zelfstandig naamwoord eindigend op een klinker[bewerken]

Zelfstandig naamwoorden die eindigen op een klinker krijgen als regel de uitgang -s in het meervoud:

agente - agentes

Wanneer verwarring zou kunnen ontstaan over de uitspraak van het meervoud wordt de uitgang -s voorafgegaan door een apostrof:

radio - radio's

Let op: Zelfstandig naamwoorden die eindigen op -ie of -ij en waarvan de klemtoon op de laatste lettergreep ligt krijgen de uitgang -en in het meervoud:

boerderij - boerderijen
categorie - categorieën
Zelfstandig naamwoord eindigend op een medeklinker[bewerken]

Zelfstandige naamwoorden die eindigen op een medeklinker krijgen als regel de uitgang -en in het meervoud:

stoel - stoelen

Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op een s verandert deze s bij de meervoudsvorm in een z, behalve wanneer die s voorafgegaan wordt door een andere medeklinker of een korte klinker:

huis - huizen
arts - artsen
bus - bussen

Wanneer de laatste lettergreep van een zelfstandig naamwoord dat op een medeklinker eindigt een niet-beklemtoonde e bevat krijgt het meervoud de uitgang -s:

tafel - tafels
Uitzonderingen[bewerken]

Op bovenstaande regels zijn vele uitzonderingen. Zie daarvoor de lijst van onregelmatige meervouden.

Verkleinvorm[bewerken]

Zelfstandig naamwoorden kunnen verkleind worden door de uitgang -je achter het zelfstandig naamwoord te plaatsen:

klas - klasje

In het zuidelijk deel van het Nederlands Taalgebied worden zelfstandige naamwoorden veeleer verkleind door de uitgangen -ke en -ken achter het zelfstandig naamwoord te plaatsen:

glas - glaske(n)

Wanneer een zelfstandig naamwoord eindigt op een klinker of op een van de medeklinkers l, n en ren de laatste lettergreep bevat een lange klinker of een sjwa, krijgt de verkleinvorm de uitgang -tje:

radio - radiootje
paal - paaltje
fietser - fietsertje

Maar gaat het om een woord dat bestaat uit één lettergreep met een korte klinker, dan wordt de uitgang -etje:

pal - palletje

Wanneer een zelfstandig naamwoord eindigt op een m die wordt voorafgegaan door een lange klinker krijgt de verkleinvorm de uitgang -pje:

raam - raampje

Wanneer een twee- of meerlettergrepig zelfstandig naamwoord eindigt op ing krijgt de verkleinvorm doorgaans de uitgang -kje waarbij de g komt te vervallen :

buiging - buiginkje

Maar:

hebbeding - hebbedingetje (van: ding - dingetje)

en ook:

verandering - veranderingetje slappeling - slappelingetje

Uitzondering: Wanneer de laatste lettergreep van een zelfstandig naamwoord eindigend op l, m, n, ng of r een korte klinker bevat, krijgt het verkleinwoord de uitgang -etje:

lam - lammetje
kar - karretje
gang - gangetje

Verbuigingen van het bijvoeglijk naamwoord[bewerken]

Bijvoeglijke naamwoorden krijgen in principe de uitgang -e:

De lekkere maaltijd.

Er zijn vier situaties waarin een bijvoeglijk naamwoord niet de uitgang -e krijgt:

1. Wanneer het onderwerp onzijdig enkelvoud is krijgt het bijvoeglijk naamwoord bij de onbepaalde vorm géén uitgang:

Een mooi meisje

Let op: bij de bepaalde vorm krijgt het bijvoeglijk naam woord gewoon de uitgang -e:

Het mooie meisje

2. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een materiaal aanduidt krijgt het de uitgang -en:

De houten stoel

3. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een essentieel deel is van de combinatie met het zelfstandig naamwoord, krijgt het geen -e. Bijvoorbeeld:

Het openbaar vervoer
Het lijdend voorwerp

4. Soms wordt tussen een onbepaald lidwoord en het zelfstandig naamwoord een vorm van het bijvoeglijk naamwoord zonder -e gebruikt. In dat geval drukt het een bewonderenswaardige eigenschap uit:

Een groot man
Een talentvol schrijver

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

  • E-ANS: de elektronische ANS: elektronische versie van de tweede, herziene editie van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) uit 1997.
Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Nederlands/Grammatica.