Neokantianisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Neokantianisme is een filosofische stroming over een langere periode die teruggrijpt op het epistemologische werk van de Duitse filosoof Immanuel Kant, met name de Kritik der reinen Vernunft. Het is een reactie op filosofische stromingen en denkbeelden uit de 19e eeuw (zoals het Duits idealisme). Hoewel het neokantianisme in de tweede helft van de 19e eeuw dominant was aan de Duitse universiteiten, speelt het in de geschiedenis van de filosofie maar een minieme rol, en is de invloed op de hedendaagse filosofie niet erg groot.

De belangrijkste kenmerken van de neokantianen waren de volgende:

  1. Kants denken werd niet als uitgangspunt beschouwd en werd daarom op verschillende manieren in verschillende richtingen uitgebouwd.
  2. Kritiek op Kants filosofie, met name de notie van het Ding an sich.
  3. Geen of nauwelijks belangstelling voor Kants ethiek en esthetica.

Geschiedenis[bewerken]

Het neokantianisme kan beschouwd worden als een reactie op de speculatieve filosofie tijdens de eerste helft van de 19e eeuw. Deze speculatieve tendens was in de eerste plaats vertegenwoordigd door het Duits idealisme met onder anderen Fichte, Schelling en Hegel als vertegenwoordigers. Ook op bepaalde tegenbewegingen van dit speculatief denken, zoals het positivisme van Auguste Comte, is het neokantianisme een respons.

Immanuel Kant[bewerken]

Het werk van Immanuel Kant kan beschouwd worden als een oplossing voor de klassieke tegenstelling tussen het rationalisme en empirisme in de filosofie. Kort gezegd komt deze tegenstelling erop neer dat respectievelijk sommige filosofen stellen dat kennis moet gebaseerd zijn op het denken, terwijl anderen net stellen dat kennis voornamelijk uit de ervaring voort moeten komen. Kant 'verzoent' beide posities doordat hij stelde dat ze beide gedeeltelijk gelijk hadden. Kennis kan inderdaad niet tot stand komen zonder gebaseerd te zijn op ervaring. Anderzijds kan ervaring echter niet zonder het denken. Het is de zuivere rede die instaat voor bepaalde basiscategorieën (zoals substantie of oorzakelijkheid) waardoor de mens pas in staat is tot het hebben van een gestructureerde ervaring. Algemene principes van het denken zijn dus de mogelijkheidsvoorwaarden voor gestructureerde ervaring, die op zijn beurt weer (samen met deze categorieën) instaat voor concrete kennisoordelen (over objecten in de wereld).

Reacties op Kant[bewerken]

Het Duits idealisme trok de rationalistische kant van dit verhaal echter weer door: het denken kan wel tot diepe kennis komen, namelijk door het doordenken van deze basiscategorieën. Volgens iemand als Hegel bijvoorbeeld, zijn deze basiscategorieën ook de principes die de werkelijkheid beheersen: de werkelijkheid is redelijk. Daarnaast brengt het idealisme ook de historische dimensie binnen in het Kantiaans project: deze basiscategorieën zijn niet statisch, maar kunnen variëren per historische periode. Op basis van deze uitgangspunten stelt Hegel dat men louter op basis van het denken de redelijkheid van de geschiedenis kan kennen door onderzoek te doen naar het historisch verloop van deze basiscategorieën.

Een specifieke reactie op dit idealisme (en gedeeltelijk ook op Kant) was het materialisme, naturalisme en positivisme. Deze stromingen, vertegenwoordigd door denkers als Karl Marx, Arthur Schopenhauer of Auguste Comte legden weer de nadruk op de ervaringszijde. Kennis kwam niet tot stand door het doordenken van algemene principes, maar net door uit te gaan van de concrete ervaring. Volgens het positivisme bijvoorbeeld toonde de wetenschappelijke methode aan dat alle kennis gebaseerd was op de ervaring. Speculatieve metafysica moest verworpen worden als foutief, onwetenschappelijk en onmogelijk. De speculatieve filosofie kwam nooit tot consensus omdat ze slechts van het denken vertrok.

Terugkeer naar Kant[bewerken]

Omdat sommigen deze nieuwe strijd tussen speculatieve filosofie en positivisme zagen als een terugkeer naar de strijd tussen rationalisme en empirisme, riepen ze op tot een terugkeer naar de kritische filosofie van Kant. Drie Duitse natuuronderzoekers waren hier van cruciaal belang: Hermann von Helmholtz, Friedrich Albert Lange en Otto Liebmann. De neokantiaanse school is in hoofdzaak te verdelen in twee hoofdstromingen: De Marburgse School (Ernst Cassirer, Hermann Cohen en Paul Natorp) en De Zuidwest-Duitse school (Wilhelm Windelband en Heinrich Rickert). Hoewel deze neokantianen claimden een terugkeer te zijn naar het werk van Kant, zijn er ook duidelijke verschillen te vinden. Allereerst ging het om een selectieve terugkeer naar zijn werk. In de eerste plaats was het vooral Kants Kritik der reinen Vernunft (1781) die werd besproken. Zijn Kritik der praktischen Vernunft (1788) en Kritik der Urteilskraft (1790) kreeg veel minder aandacht. De reden waarom voornamelijk het eerste luik centraal stond, was dat de neokantianen gehoor gaven aan de boodschap van het positivisme. Ze wilden in de eerste plaats een kennistheorie en wetenschapsfilosofie ontwikkelen die recht deed aan de filosofisch erfenis, maar ook aan het feitelijk succes van de wetenschappen. Om die reden werd ook de metafysische en ontologische zijde van Kants werk verworpen. Een van die belangrijke 'metafysische' begrippen was het Ding an sich.

De invloed van het neokantianisme is slechts heel beperkt ondanks het overwicht van Duitstalige filosofen gedurende de tweede helft van de 19e eeuw. Een van de weinige neokantianen die tegenwoordig nog gelezen wordt is Ernst Cassirer. Er is wel een zekere invloed geweest van het neokantianisme op de fenomenologie, via het werk van Edmund Husserl en de vroege Martin Heidegger.

Franse naoorlogse neokantianen[bewerken]

Tussen ruwweg 1975 en 1990 was er in Frankrijk veel aandacht voor Kants ethiek en politieke filosofie, vooral vanwege de publicatie van Aleksandr Solzjenitsyns De Goelag Archipel in 1973. Omdat de marxistische existentialisten en de neonietzscheanen doorgaans positief stonden ten opzichte van het Russisch marxistisch experiment, zocht men elders naar politieke rechtvaardiging, die men vond bij Kant. André Glucksmann, Claude Lefort, Bernard-Henri Lévy en Jean-François Lyotard vallen onder deze stroming van de nouveaux philosophes.

Externe links[bewerken]