Neuroticisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Neuroticisme is een tendens tot emotionele instabiliteit of stabiliteit, die met bepaalde tests kan worden gemeten[1]. Men kan hoog of laag scoren op de test.

Definitie en omschrijving[bewerken]

Emotionele instabiliteit[bewerken]

Neuroticisme wordt ook wel aangeduid als negatieve affectiviteit of negatieve emotionaliteit [2]. Mensen die hoog scoren op de neuroticisme zullen gemiddeld vaker last hebben van depressiviteit, angst en schuldgevoelens. Zij blijken ook gevoeliger te zijn voor stress, zullen gewone situaties eerder als bedreigend ervaren, en hebben moeite met het verwerken van tegenslagen of kleine frustraties. Zij zijn zich meer bewust van hun eigen gedrag, verlegen en hebben vaak moeite met controle of uitstel van hun behoeften. Neuroticisme predisponeert ook tot ontwikkelen van neurosen, fobieën, posttraumatische stressstoornis (PTSS)[3][4] en andere angststoornissen.

Emotionele stabiliteit[bewerken]

Mensen die laag scoren op neuroticisme zijn doorgaans emotioneel stabieler, en minder gevoelig voor stress. Zij zijn kalmer en evenwichtiger en hebben minder last van gevoelens als onrust of spanning.

Neuroticisme en introversie-extraversie[bewerken]

Volgens de theorie van de Engelse psycholoog Hans Eysenck valt het sociale gedrag van mensen vaak te verklaren uit de combinatie van neuroticisme en een andere onafhankelijke persoonlijkheidstrek: introversie tegenover extraversie. Iemand die bijvoorbeeld hoog scoort op zowel neuroticisme als extraversie loopt bij wijze van spreke ‘over’ van emoties, terwijl personen die laag scoren op neuroticisme en hoog op extraversie vaker melding maken van tevredenheid en blijheid in hun leven. Tenslotte zijn mensen die hoog scoren op neuroticisme en introversie vaak dwangmatig en tobberig van aanleg.

Meting[bewerken]

Er bestaan verschillende tests voor het meten van Neuroticisme, waaronder de EPQ (Eysenck Personality Questionaire)[5], de NEO-PI-R [6], en in Nederland de ABV (Amsterdamse Biografische Vragenlijst). Naast de neurotismeschaal (N-schaal) bevat deze test ook een NS-schaal die meer gericht is op meting van neurotisch-somatische klachten[7]. Individuele verschillen in neuroticisme zijn statistisch gezien normaal verdeeld. Neuroticisme (of het tegengestelde: emotionele stabiliteit) is dus een eigenschap die men in meerdere of mindere mate kan hebben. De meeste mensen zullen hierbij een gemiddelde score behalen. Dit betekent dat zij zich in sommige situaties misschien instabiel en in andere situaties stabiel zullen gedragen. Neuroticisme is een van de meest onderzochte persoonlijkheidskenmerken in de psychologie, en het onderzoek hiernaar heeft veel gegevens opgeleverd over de relatie met fysiologische variabelen, en het sociaal gedrag van mensen.

Fysiologische correlaten[bewerken]

Hans Eysenck heeft benadrukt dat neuroticisme een eigenschap is van activiteit van het limbische systeem in de hersenen. Onderzoek heeft laten zien dat mensen die hoog scoren op neuroticisme sterker reageren op affectieve prikkels, en daarbij sterkere reacties vertonen van het autonome zenuwstelsel. Ook heeft gedragsgenetisch onderzoek aangetoond dat een substantieel deel van de variatie in neuroticisme, inclusief de daarmee gepaard gaande kwetsbaarheid voor psychische klachten, toegeschreven kan worden aan erfelijke factoren[8][9]. Hoog neuroticisme gaat gepaard met een sterkere activatie van gebieden in de hersenen waar emoties worden gereguleerd. Dit is o.a. gebleken uit hersenstudies waarin gebruik is gemaakt van PET of functionele kernspintomografie (fMRI). Deze hebben aangetoond dat de mate van neuroticisme samenhangt met de activatie van de hippocampus, de amandelkernen (amydala), en de cortex praefrontalis medialis[10][11]. Ook is gebleken dat in de frontaal-limbische gebieden van de hersenen van mensen met hoge neuroticismescores sprake is van een sterkere binding met serotonine 5-HT2A receptoren [12]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. G. Matthews and I. J. Deary (1998). Personality traits. Cambridge, UK: Cambridge University Press.
  2. Watson, D., & Clark, L. A. (1984). Negative affectivity: The disposition to experience aversive emotional states. Psychological Bulletin, 96, 465-490
  3. Engelhard, I. M., Van den Hout, M. A., & Kindt, M. (2003). The relationship between neuroticism, pre-traumatic stress, and post-traumatic stress: A prospective study. Personality and Individual Differences, 35(2), 381-388.
  4. Parslow, R. A., Jorm, A. F., & Christensen, H. (2006). Associations of pre-trauma attributes and trauma exposure with screening positive for PTSD: Analysis of a community-based study of 2085 young adults. Psychological Medicine, 36(3), 387-395.
  5. Hans Jürgen Eysenck and Michael W. Eysenck (1985). Personality and individual differences: A natural science approach, Perspectives on individual differences. Plenum Press (Springer). ISBN 0306418444.
  6. Costa, P.T. & McCrae, R.R. (1992). NEO-PI-R Professional manual: Revised NEO Personality Inventory (NEO PI-R) and NEO Five-Factor Inventory (Neo-FFI). Odessa, Fl: Psychological Assessment Resources Inc.
  7. Amsterdamse Biografische Vragenlijst: ABV
  8. Viken RJ, Rose RJ, Kaprio J, Koskenvuo M. (April 1994). "A developmental genetic analysis of adult personality: extraversion and neuroticism from 18 to 59 years of age.". Journal of personality and social psychology. PMID 8189349.
  9. Hettema, J. M., Neale, M. C., Myers, J. M., Prescott, C. A., & Kendler, K. S. (2006). A population-based twin study of the relationship between neuroticism and internalizing disorders. American Journal of Psychiatry, 163(5), 857-864. doi: 163/5/857 [pii]
  10. Stein, M. B., Simmons, A. N., Feinstein, J. S., & Paulus, M. P. (2007). Increased amygdala and insula activation during emotion processing in anxiety-prone subjects. American Journal of Psychiatry, 164(2), 318-327.
  11. Hooker, C. I., Verosky, S. C., Miyakawa, A., Knight, R. T., & D'Esposito, M. (2008). The influence of personality on neural mechanisms of observational fear and reward learning. Neuropsychologia, 46(11), 2709-2724. doi: S0028-3932(08)00194-2 [pii] 10.1016/j.neuropsychologia.2008.05.005
  12. Vibe G. Frøkjær, Erik L. Mortensen, Finn Årup Nielsen, Steven Haugbøl, Lars H. Pinborg, Karen H. Adams, Claus Svarer, Steen G. Hasselbalch, Søren Holm, Olaf B. Paulson and Gitte Moos Knudsen (2007). "Frontolimbic Serotonin 2A Receptor Binding in Healthy Subjects Is Associated with Personality Risk Factors for Affective Disorder". Biological Psychiatry. doi:10.1016/j.biopsych.2007.07.009.