Nietigheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Nietigheid en vernietigbaarheid zijn verwante noties in het recht die betrekking hebben op de geldigheid van rechtshandelingen. Een nietige rechtshandeling heeft bij voorbaat het beoogde rechtsgevolg niet, terwijl bij een vernietigbare rechtshandeling het rechtsgevolg wel wordt geacht te bestaan, zolang de vernietiging ervan niet wordt aangevraagd. Nietigheid treedt in 'van rechtswege', dat wil zeggen automatisch volgend uit het recht. Partijen hoeven er voor de rechter geen beroep op te doen, de rechter kan en zal de nietigheid ambtshalve (uit eigen beweging) constateren.

Gronden voor nietigheid en vernietiging[bewerken]

Nietighied[bewerken]

Voor nietigheid is niet van belang of partijen wel of geen wilsoverstemming hebben. Een rechtshandeling kan onder meer nietig zijn als deze in strijd is met de goede zeden of de openbare orde (art. 3:40 BW). Ook het niet voldoen aan een voorgeschreven vormvereiste voor de rechtshandeling (er is bijvoorbeeld voorgeschreven dat een rechtshandeling schriftelijk moet geschieden en men heeft het mondeling gedaan) is een nietigheidsgrond. In de wet staan ook diverse bedingen genoemd die, op straffe van nietigheid, niet in een contract mogen worden gemaakt, nl. ter bescherming van de zwakkere partij (huurrecht, arbeidsrecht, consumenten).

De nietigheid kan partieel zijn (art. 3:41 BW). Conversie (het omzetten van een nietige rechtshandeling in een geldige) is in bepaalde gevallen mogelijk (art. 3:42 BW).

Vernietiging[bewerken]

Nietigheid treedt van rechtswege in en kan door beide partijen bij de overeenkomst en door derden buiten partijen om ingeroepen worden. Bij vernietigbaarheid kunnen slechts de partijen die zelf bij de overeenkomst betrokken waren de vernietiging bewerkstelligen.

Wanneer een overeenkomst is gesloten door een handelingsonbekwame kan de overeenkomst worden vernietigd. Wanneer een minderjarige bijvoorbeeld aan tattoo laat zetten, kan deze overeenkomst worden vernietigd. Winkeliers mogen wel bijvoorbeeld snoep verkopen aan een minderjarige, omdat het een product is dat wel past bij de leeftijd (art. 1:234, lid 3). Dit is van rechtswege het geval bij ongerichte, eenzijdige rechtshandelingen van handelingsonbekwamen (art.3:32 BW).

Zie ook[bewerken]