Noldor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de boeken van de Engelse schrijver J.R.R. Tolkien zijn de Noldor (zij met kennis) de tweede clan van Elfen die naar Aman kwam. Zij worden een enkele maal aangeduid als de Tatyar.
Volgens een legende is deze clan gevormd door Tata, zijn echtgenote Tatië en haar vierenvijftig metgezellen.

Desondanks was Finwë, de eerste Noldo die Valinor bezocht, hun eerste koning. Onder zijn leiding trokken de meeste Noldor samen met de Vanyar naar Valinor. Zij spraken Quenya in Valinor, maar de taal van de achterblijvers in Midden-aarde ontwikkelde zich tot Sindarijns.

De Noldor worden Golodhrim genoemd (door sprekers van Sindarijns) en Golug (door de Orks). Het enkelvoud van het zelfstandig naamwoord is Noldo; het bijvoeglijk naamwoord is Noldorijns. De Noldor waren een middelgrote elfenclan. De andere clans zijn de Vanyar en de Teleri. Noldor hebben gewoonlijk zwart haar en grijze ogen. De Noldor met Vanyarijns bloed, met name de leden van het huis van Finarfin, hebben blond haar.

Era's van de Sterren[bewerken]

De Noldor bezaten grote kennis, en waren bedreven in de smeedkunst en de krijgskunst. Fëanor, de oudste zoon van Finwë en Míriel was hun vaardigste ambachtsman. Hij smeedde onder andere de Silmarillen. Nadat Melkor koning Finwë had gedood en de Silmarillen had gestolen, hernoemde Fëanor Melkor: Morgoth (Zwarte Vijand); Melkor werd nadien altijd met die naam aangeduid.
Fëanor, die zijn vader als Hoge Koning opgevolgd was, haalde de Noldor ertoe over hem naar Midden-aarde te volgen en te proberen de Silmarillen te herwinnen.

Opgezweept door Fëanor vroegen de Noldor aan de naburige Teleri, die bedreven waren in de zeevaart, om hun schepen ter beschikking te stellen. De Teleri weigerden, en de Noldor namen hun schepen met geweld. Dit resulteerde in het eerste bloedbad onder de Elfen: de Broedermoord te Alqualondë.
Tijdens hun reis naar het noorden van Aman werden de Noldor daarom getroffen door de Voorspelling van het Noorden; Mandos sprak een vloek over de Noldor uit als straf voor het bloedbad en verkondigde groot onheil: zij zouden nooit de Silmarillen terugwinnen en getroffen worden door dood en onderlinge strijd. Fëanor en zijn zeven zonen, evenals de Noldor die hem volgden naar Midden-aarde, werden voor eeuwig uit Valinor verbannen.
Sommige Noldor die niet betrokken waren bij het bloedbad (onder wie Finarfin, zoon van Finwë en Indis) keerden terug naar Valinor en de Valar vergaven hen. Finarfin werd de Hoge Koning van de Noldor in Valinor.

Fëanor en zijn volgelingen staken 's nachts de zee over naar Midden-aarde, en lieten hun verwanten achter, omdat er in de schepen niet genoeg ruimte was voor iedereen. Bij aankomst beval Fëanor de schepen in brand te steken. De in Aman achtergebleven Noldor bemerkten dat zij verraden waren. Geleid door Fingolfin, de oudere broer van Finarfin, waren de achterblijvers desondanks vastberaden om ook naar Midden-aarde te trekken. Onder hen bevond zich de dochter van Finarfin: Galadriel.
Zij trokken verder naar het noorden en staken de zee over bij het Knarsende IJs, oftewel Helcaraxë. Gedurende deze oversteek kwamen vele Noldor om.

Eerste Era[bewerken]

Nadat de Silmarillen gestolen waren en de Twee Bomen van Valinor verwoest door Melkor met behulp van Ungoliant, markeerde het vertrek van de Noldor uit de Onsterfelijke landen het einde van de Jaren van de Bomen en het begin van de Jaren van de Zon. De Valar creëerden toen de Maan en de Zon uit respectievelijk de laatste bloem van Telperion en de laatste vrucht van Laurelin.

Fëanors gezelschap werd kort na hun aankomst in Midden-aarde, in het jaar 1 van de Eerste Era, aangevallen door Morgoth. Deze slag wordt de Dagor-nuin-Giliath of Gevecht onder de Sterren genoemd. Toen Fëanor in zijn ijver om Morgoth te bevechten te ver voor zijn lijfwacht uitliep werd hij aangevallen door een aantal Balrogs, waaronder Gothmog, hun leider. Ze hadden de aanval ingezet vanuit Angband, het oude fort van Morgoth in het noorden van Midden-aarde. Hoewel hij dapper streed en enkele Balrogs doodde, werd Fëanor dodelijk gewond voordat hij gered werd door zijn zonen. Op de terugreis stierf hij.

Het gezelschap van Fingolfin nam ook deel aan de Dagor-nuin-Giliath, want toen ze vanaf het Kruiende IJs naar het zuiden trokken, kwamen ze een groep Orks tegen die ze versloegen.

Omdat Fëanor de schepen geroofd had en het gevolg van zijn halfbroer ten westen van de zee had achtergelaten, was er een conflict tussen de koninklijke huizen van de Noldor. Maar toen Maedhros, de oudste zoon van Fëanor, gevangengenomen was en aan een rotswand bij Angband gehangen was, besloot Fingon, de oudste zoon van Fingolfin, om zijn vriend te redden. Na deze daad, die Fingon de bijnaam 'Dappere' opleverde, werd het conflict bijgelegd. Omdat Fëanor gedood was, zou Maedhros hem moeten opvolgen als Hoge Koning, maar hij had spijt van zijn aandeel in de Broedermoord en liet het koningschap aan zich voorbijgaan, zodat Fingolfin de derde Hoge Koning van de Noldor werd. De broers van Maedhros waren het niet eens met zijn keuze en noemden zich vanaf toen de Onteigenden, omdat het Hoge Koningschap overgegaan was op de jongere tak.

Fingolfin regeerde lange tijd in Hithlum en zijn jongere zoon Turgon bouwde de verborgen stad Gondolin. De regering van Fingolfin werd gekenmerkt door oorlog tegen Morgoth. In het jaar 75 begonnen de Noldor met de Belegering van Angband. In het jaar 455 werd de belegering gebroken door Morgoth in de Dagor Bragollach, de Slag van Plotseling Vuur. In deze slag veroverde Morgoth de noordoostelijke rijken Ard-Galen, Lothlann en Dorthonion. Fingolfin ging toen naar Angband om Morgoth uit te dagen tot een tweegevecht. Hij kon Morgoth zeven wonden toebrengen, die hem voor altijd zouden pijnigen, maar uiteindelijk struikelde Fingolfin en werd hij gedood. Zijn oudste zoon Fingon de Dappere volgde hem op als vierde Hoge Koning van de Noldor.

In het jaar 471 organiseerde Maedhros een totale aanval op Morgoth en leidde zo de Nirnaeth Arnoediad in, de Slag van Talloze Tranen. De slag was een grote ramp voor de Noldor en Fingon werd gedood. Hij werd opgevolgd door zijn broer Turgon. De terugtrekkende Elfen werden gered door Edain, de Mensen die trouw waren aan de Elfenkoningen. De redding van de Elfen kostte de Mensen veel levens. Bij deze gebeurtenis werd Húrin, de zoon van Huor, gevangengenomen en in Angband vastgehouden. Dit leidde jaren later tot de val van de verborgen stad Gondolin.

Turgon had zich met zijn leger teruggetrokken naar Gondolin zonder dat de andere Elfen of Morgoth de locatie ervan te weten kwamen. In 510 werd Gondolin verraden door Maeglin en geplunderd. Tijdens de aanval werd Turgon gedood, maar veel van zijn mensen wisten te ontsnappen en vonden hun weg naar het zuiden. Turgon had geen zonen, zodat Gil-galad, de laatste afstammeling van de koningen in mannelijke lijn, de zesde en laatste Hoge Koning werd.

Uiteindelijk kwamen de Valar naar Midden-aarde om Morgoth te verslaan en in 583 werd de Oorlog van Gramschap gevochten en werd Morgoth in de Leegte gegooid. Maar de oorlog was zo heftig dat Beleriand in zee zonk, behalve een gedeelte van Ossiriand (Lindon) en een paar bergen, die eilanden werden. Deze slag markeerde het einde van de Eerste Era en het begin van de Tweede Era.

Tweede Era[bewerken]

Gil-Galad stichtte een nieuw koninkrijk in Lindon en regeerde daar gedurende de Tweede Era, langer dan enige Hoge Koning voor hem met uitzondering van Finwë. Hij werd ook als Hoge Koning geaccepteerd door de Noldor in Eregion, die geleid werden door Celebrimbor, de zoon van Curufin, een zoon van Fëanor. Aan het einde van de Tweede Era negeerden zijn bondgenoten, de mensen van Númenor, het verbod van Ilúvatar om Valinor te betreden, zodat het eiland Númenor verzinkt in de zee. Een aantal Númenóreanen, Elendil, Isildur en Anárion en hun volgelingen ontsnappen aan de verwoesting en vestigen de koninkrijken Arnor en Gondor in Midden-aarde.

Sauron had zijn meester Morgoth vervangen, toen de laatste onttroond was. Hij had de Númenóreanen bedrogen en ontsnapte aan de verwoesting van Númenor om terug te keren naar Mordor. Hij haatte de Númenóreanen en de Noldor en viel Eregion aan en verwoestte het. Hij wilde ook Gondor vernietigen voordat het land te sterk werd. Om Sauron te weerstaan vormden Gil-galad en Elendil het Laatste Bondgenootschap en versloegen Sauron in de Slag van Dagorlad en het Beleg van Barad-dûr. Toen Sauron echter zelf het slagveld betrad, doodde hij Gil-galad en Elendil. Zo eindigde het Hoge Koningschap van de Noldor. Niemand eiste de troon op, zodat er geen nieuwe koning aangesteld werd. Daarom ging het Hoge Koningschap over op de Noldor aan de andere kant van de zee. Zij werden geregeerd door Finarfin, de derde zoon van Finwë die Aman niet verlaten had.

Omdat Tuor door Turgon aangenomen was als een zoon, en getrouwd was met Turgons dochter Idril, claimden zijn sterfelijke nakomelingen de titel Hoge Koning. Tuors kleinzoon Elros werd de eerste van de Hoge Koningen van Númenor, die dit aanduidden met het voorvoegsel Tar- (en later in Adûnaic Ar-). Na de val van Númenor noemden Elendil en zijn nakomelingen via Isildur zich Hoge Koningen van Arnor, en later zetten ze daarom ook Ar(a) voor hun namen. Tuors erfgenamen hadden echter geen geldige claim op het Hoge Koningschap van de Noldor, hoewel zijn erfgenaam Elrond, die tot de Elfen gerekend werd, beschouwd werd als leider van de in Midden-aarde achtergebleven Noldor.

Derde Era[bewerken]

In de Derde Era nam het aantal Noldor in Midden-aarde af, en tegen het einde van deze Era waren er alleen nog Noldor in Rivendel en Lindon, met uitzondering van Galadriel, die in Lothlórien woonde.

Hoge Koningen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Lijst van koningen van de Noldor voor het hoofdartikel over dit onderwerp.