Nooit meer slapen (roman)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nooit meer slapen
Auteur(s) Willem Frederik Hermans
Land Nederland
Taal Nederlands
Onderwerp geologische expeditie naar meteorietkraters in het uiterste noorden van Noorwegen
Genre Psychologische roman, Filosofische roman, avonturenroman
Uitgever De Bezige Bij
Uitgegeven 1966
Pagina's 256
ISBN-code 90 234 0173 5
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Beluister

(info)

Nooit meer slapen (1966) is een roman van Willem Frederik Hermans die al kort na verschijnen in brede kring als een meesterwerk werd beschouwd.[1] De handeling betreft een geologische expeditie naar meteorieten in Noors Lapland (Finnmark), een onherbergzaam gebied dat zo noordelijk gelegen is dat 's zomers de zon niet ondergaat.

Bronnen[bewerken]

Hermans in Zweden[bewerken]

In juli-augustus 1960 woonde Hermans in Stockholm het negentiende Internationaal Geografisch Congres bij en daaraan voorafgaand in Abisko (Noord-Zweden) een aardrijkskundig symposium over 'glaciale morfologie en periglaciale processen'.[2]

Publicatiegeschiedenis[bewerken]

In februari 1966 verscheen de eerste druk van de roman bij uitgeverij De Bezige Bij als Literaire Reuzenpocket 173 met een omslag van Leendert Stofbergen, in een oplage van 19.400 gebrocheerde en 490 gebonden exemplaren (JS 229).[3] reeds de tweede druk van juni dat jaar bevat varianten (JS 230). Vanaf de zesde druk (1969, JS 234) gebruikte Stofbergen voor het omslag een door Hermans gemaakte foto, waarop een grote steen in een kaal landschap en een reiziger met rugzak te zien is. De elfde druk (JS 239), verschenen juli 1973, is op tal van plaatsen herzien. In de vijftiende, uitgebreide druk (1979, JS 244) bracht de auteur nog veel meer wijzigingen aan. Ook veranderde het omslag, waarvoor nu een door de auteur gemaakte foto van een door smeltijs veroorzaakte beek met kiezels werd gebruikt. Na deze druk bracht de auteur geen grote herzieningen meer aan. Tijdens het leven van de auteur behaalde de roman 25 drukken (JS 229-253).

Inhoud[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Nooit meer slapen volgt de 25-jarige student geologie Alfred Issendorf op een expeditie naar Noors Lapland (Finnmarken) voor zijn promotieonderzoek. Doel van het onderzoek is om de hypothese van zijn promotor, professor Sibbelee, te bewijzen, die inhoudt dat de ronde gaten die ter plekke overal in de bodem te vinden zijn, veroorzaakt zijn door meteorietinslagen.

We ontmoeten Alfred op weg naar zijn tussenstop in Oslo, waar hij bij de zeer gerenommeerde professor Nummedal, een goede vriend van zijn promotor, de benodigde luchtfoto's van het gebied gaat ophalen. Alfred twijfelt niet aan het welslagen van zijn onderzoek. Met de daaropvolgende glanzende promotie zal hij in het voetspoor treden van zijn vader, een succesvol bioloog die bij een expeditie om het leven is gekomen.

In Oslo wacht hem echter een tegenslag: Nummedal is niet van zijn komst op de hoogte en heeft ook geen luchtfoto's. Voor luchtfoto's moet je zijn bij de geologische dienst, in Trondheim. Wel neemt de professor Alfred mee op excursie langs lokale geologische verschijnselen, en ook moet hij absoluut de Noorse specialiteit gravlaks proeven. Alfred verbijt zich - hij popelt om aan de slag te gaan, maar hij mag niet onbeleefd zijn tegen zijn gastheer. De geologische verschijnselen hebben niets met zijn onderzoek te maken en de gravlaks is helaas uitverkocht. Bovendien laat Nummedal zich ontvallen dat hij niet begrijpt wat Nederlanders in de geologie te zoeken hebben: Nederland is plat, wat kun je daar nu over geologie leren?

Bij de geologische dienst blijkt men midden in een verhuizing naar een gloednieuw pand. Er moeten wel ergens luchtfoto's opgeslagen liggen, maar iedereen is druk met de verhuizing, en niemand zou kunnen zeggen welke luchtfoto's waar te vinden zijn. Zijn mededeling door professor Nummedal gestuurd te zijn maakt geen indruk: Nummedal is een oude man die niet meer serieus wordt genomen. Alfred reist zonder luchtfoto's door naar het expeditiegebied.

Daar voegt hij zich bij zijn expeditiegenoten, drie Noorse collega-promovendi, van wie hij er een, Arne, al kent van een eerdere expeditie. De expeditie is een lange voettocht over de Laplandse toendra, een heide- en moerasachtig gebied met grote hoogteverschillen. Alfred merkt dat hij zijn collega's nauwelijks kan bijhouden door gebrek aan training, en de altijd aanwezige muggen houden hem uit de slaap. Zonder luchtfoto's kan hij de gaten die hij moet onderzoeken niet eens vinden. Als Arne van zijn onderzoeksonderwerp hoort, schrikt hij: dat is die idiote hypothese waar Sibbelee al twintig jaar de risee van de geologie mee is! Nu voelt Alfred zich totaal belachelijk.

Dan ziet hij dat een van de anderen, Mikkelsen, de "onvindbare" luchtfoto’s gewoon bij zich heeft. Hoe is dat mogelijk? Zou Nummedal zijn onderzoek soms met opzet hebben proberen te dwarsbomen? Mikkelsen laat hem de luchtfoto's zien, en daarop ziet Alfred meteen dat er voor meteorietinslagen geen enkele aanwijzing te vinden is. Hij kan het wel opgeven.

Hij realiseert zich dat geoloog-worden hem eigenlijk helemaal niet interesseert: het is niet zijn eigen droom, maar die van zijn moeder, die hij verafschuwt.

Het gezelschap splitst zich; Alfred gaat met Arne verder, maar dan raakt hij, door zijn eigenwijsheid over de te volgen route, ook Arne kwijt. Zijn kompas valt in een spleet. Nu heeft hij niets meer: hij weet niet waar hij is, hij weet niet waar hij naartoe moet, hij komt nauwelijks vooruit, en zijn eten is op. Maar hij heeft wel een doel: Arne vinden. Dan merkt hij dat het hem toch lukt zijn weg te vinden, vooruit te komen, en in leven te blijven, door vis te vangen en rauw op te eten. Zijn zelfvertrouwen keert terug. En hij vindt Arne. Maar die is dood, uitgegleden op een steen.

Alfred loopt terug naar de bewoonde wereld, waar hij totaal uitgeput aankomt, om Arne te laten ophalen. In de bus terug ziet hij een lichtflits en hoort een harde klap: de inslag van een meteoriet! Hij heeft er geen enkele belangstelling voor.

Thuis heeft zijn moeder een verrassing voor hem: een stel manchetknopen, gemaakt uit een doorgesneden meteoriet. Zijn vader had ze hem voor zijn zevende verjaardag willen geven, zijn moeder had ze bewaard voor Alfreds promotie. Maar, zegt ze, je vader vindt het vast goed als je ze nu al krijgt. Mooi, denkt Alfred, maar geen enkel bewijs voor de hypothese.

Typering[bewerken]

Nooit meer slapen is een bijzondere roman in het oeuvre van Hermans omdat de inhoud van dit boek het meest verwant is met diens wetenschappelijk werk en zelfs gebaseerd op twee wetenschappelijke excursies, te weten naar Noord-Zweden (1960) en naar Noord-Noorwegen (1961). Volgens Haasse is de hoofdpersoon Alfred Issendorf 'te dorps' en daarom 'niet opgewassen tegen de listen en lagen van de Natuur'.[4] Hij moet vele ontberingen doorstaan en krijgt nauwelijks greep op zijn Noorse collega's en de onherbergzame natuurlijke omgeving. Het ontluisterende slot van deze roman kan als typerend voor Hermans' oeuvre worden gezien. Ook op een dieper liggend niveau past het werk binnen de algemene thematiek van Hermans' werk: uiteindelijk blijkt de mens niet in staat om de wereld echt te kennen.

Interpretatie[bewerken]

Tijd[bewerken]

De roman speelt in de zomer van 1965: Alfreds vader is kort na juli 1947 overleden en toen was Alfred zeven jaar oud. Alfred is dus in 1940 geboren en ten tijde van de expeditie 25 jaar oud. Het tijdsverloop in de roman wordt benadrukt doordat Alfred vaak op zijn horloge kijkt en zich ook verder overmatig van de tijd bewust is. Aangezien de zon in het gebied niet ondergaat, is het horloge het enige referentiepunt en als dat onklaar raakt, heeft Alfred geen besef, maar ook geen zorg, meer van tijd.[5]

De vertelde tijd bedraagt ongeveer drie weken, gerekend vanaf het bezoek aan Nummedal op 15 juli tot zijn aankomst in familiekring rond 5 augustus. Helemaal exact is dit niet te bepalen, omdat Alfreds verslag gaten vertoont en de periode zonder horloge een deugdelijke bepaling niet mogelijk maakt, voor de lezer noch voor Alfred zelf.

Motieven[bewerken]

Een netwerk van samenhangende motieven verleent de roman hechtheid en de details functionaliteit. De inventaris[6] is als volgt:

  • Wetenschap: omdat de roman een wetenschappelijke expeditie beschrijft, is de wetenschap een regelmatig gespreksonderwerp van de personages. Er vallen namen als Heiskanen (geoloog), Sauerbruck (chirurg), Buys Ballot, Christiaan Huygens, Galilei.
  • Ontdekkingsreizigers: genoemd worden Columbus, Zuidpoolpioniers Scott en Amundsen, Stanley en Livingstone, Thor Heyerdahl. Oftedahl stelt dat geologen de laatste overgebleven ontdekkingsreizigers zijn. Alfred zelf is van plan tijdens zijn reis een opzienbarende ontdekking te doen.
  • Alchemie: volgens Nummedal verloochent de ware geoloog zijn afkomst van goudzoeker nooit helemaal. Alfred overdenkt dat hij 'de steen der wijzen' tracht te vinden.
  • Vrijmetselarij: symbolen hiervan zijn bouwkundige en architectonische voorwerpen zoals piramides, kathedralen, hamer, passer, meetlint.
  • Sagen: passanten worden vergeleken met figuren uit de Edda van Snorre Sturlason. Zie ook het motief Reuzen.
  • Klassieke mythologie:Aeneas en Dido, Alfreds moeder heet Aglaia, in de Griekse mythologie de moeder van een koning. Ook overweegt Alfred het trieste lot van een leraar Grieks, die slechts enkele leerlingen met werkelijke interesse treft.
  • Psychoanalyse en zelfbeeld (spiegel): Qvigstad heeft een omgekeerd Oedipuscomplex, hij is alleen potent bij negerinnen, volgens hem omdat hij in blanke vrouwen zijn moeder ziet. De Amerikaanse toeriste Wilma legt Alfred uit dat mannen ritssluitingen bij vrouwen opwindend vinden omdat dat appelleert aan hun verdrongen homoseksualiteit.
  • spiegel: Alfred ziet in de opklapbare bril van Nummedal vier spiegeltjes, terwijl het instituut van Oftedahl geheel uit spiegelglas is opgetrokken. Ook haalt hij voortdurend zijn kompas te voorschijn om in het spiegeltjes daarvan te kijken.
  • Godsdienst: Alfred vindt zijn zusje Eva dom omdat zij gelovig is, Arne heeft het over een boek getiteld Het gezicht van God na Auschwitz, er is sprake van gebouwen met een religieuze functie (hunebedden, kathedralen, piramides), Arne mijmert over een muggenhiernamaals met op een hoge troon het mond- en klauwzeervirus dat over alles de baas is, Alfred overweegt dat zwarte Amerikanen strijden voor gelijke rechten onder leiding van een dominee, vertegenwoordiger van de godsdienst die de verdrukking juist legitimeert. In de gesprekken met Qvigstad en Mikkelsen worden ook nog een aantal scheppingsmythen besproken.
  • Vis: gravlaks, zalm die enige tijd begraven is, zou een doodssymbool zijn, Hvalbiff blijkt walvissenvlees te betekenen, bovendien vangt Alfred eenmaal alleen honderden vissen in zijn net.
  • Kunst: herhaaldelijk worden wetenschap en kunst met elkaar vergeleken; recensenten van romans, zoals de moeder van Alfred, worden met oplichters vergeleken; als jongetje wilde Alfred fluitist worden.
  • Stenen: uiteraard verwijzingen naar meteorieten, maar ook naar het Stenen Tijdperk met hunnebedbouwers; mannen met het woord steen in hun naam: Wittgenstein, Livingstone en Flintstone, bij de laatste speelt ook het Stenen Tijdperk mee; Arne vertelt over de Noorse gewoonte een spoor met steentjes te markeren.
  • Reuzen: het landschap wordt geregeld beschreven alsof het door reuzen is gemaakt. Zo is het kloofdal een soort amfitheater vor reuzen, is het net of een reusachtige hand de begroeiing van de berg heeft weggemaaid en is Alfreds visnet precies een enorm spinneweb.
  • Een klein land: herhaaldelijke vergelijking tussen Nederland en Noorwegen over het nadeel klein te zijn.
  • Taal: Engels neemt een bijzondere plaats in, omdat de Noren zich in die taal tegen Alfred richten. Ook probeert hij onderweg naar Noorwegen iemand te helpen die Engels uit een boekje probeert te leren. Het niet verstaan van het Noors leidt tot onzekerheid en wantrouwen bij Alfred, die niet alles kan volgen wat zijn medereizigers tegen elkaar zeggen.

De drie stadia in de ontwikkeling der mensheid[bewerken]

Hoofdstuk 7 bevat een belangrijke passage voor de psychologische interpretatie van de roman; Alfreds theorie over de drie stadia waarin de ontwikkeling van de mensheid te verdelen is:

Aanhalingsteken openen

Als je mij vraagt zijn er drie belangrijke stadia in de geschiedenis van de mens.
In het eerste kende hij zijn eigen spiegelbeeld niet, evenmin als een dier dat kent. Laat een kat in een spiegel kijken en hij denkt dat het een raam is waarachter een andere kat staat. Blaast ertegen, loopt er omheen. Op den duur is hij niet meer geïnteresseerd; sommige katten tonen zelfs nooit enige belangstelling voor hun spiegelbeeld. Zo zijn de eerste mensen ook geweest. Honderd procent subjectief. Een 'ik' dat zich vragen kon stellen over een 'zelf' bestond niet.
Tweede stadium: Narcissus ontdekt het spiegelbeeld. Niet Prometheus die het vuur ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus. Voor het eerst ziet 'ik' zich 'zelf'. Psychologie was in dit stadium een overbodige wetenschap, want de mens was voor zichzelf wat hij was, namelijk zijn spiegelbeeld. Hij kon ervan houden of niet, maar hij werd niet door zichzelf verraden. Ik en zelf waren symmetrisch, elkaars spiegelbeeld, meer niet. Wij liegen en het spiegelbeeld liegt met ons mee. Pas in het derde stadium hebben wij de genadeslag van de waarheid gekregen.
Het derde stadium begint met de uitvinding van de fotografie. Hoe dikwijls gebeurt het dat er een pasfoto van ons gemaakt wordt waarvan wij evenveel houden als van ons spiegelbeeld? Hoogst zelden! Voordien, als iemand zijn portret liet schilderen en het beviel hem niet, kon hij de schuld aan de schilder geven. Maar de camera, weten wij, kan niet liegen. En zo kom je in de loop van de jaren, via talloze foto's, erachter dat je meestal niet jezelf bent, niet symmetrisch met jezelf, maar dat je het grootste deel van je leven in een aantal vreemde incarnaties bestaat voor welke je alle verantwoordelijkheid van de hand zou wijzen als je kon.
De angst dat andere mensen hem zien zoals hij is op die foto's die hij niet kan endosseren, dat ze hem misschien nooit zien zoals het spiegelbeeld waarvan hij houdt, heeft de menselijke individu versplinterd tot een groep die uit een generaal plus een bende muitende soldaten bestaat. Een Ik dat iets wil zijn - en een aantal schijngestalten die het Ik onophoudelijk afvallen. Dat is het derde stadium: het voordien vrij zeldzame twijfelen aan zichzelf, laait op tot radeloosheid.

De psychologie komt tot bloei.[7]
— Alfred Issendorf
Aanhalingsteken sluiten

Alfred begint in het derde stadium en bereikt het tweede als hij Arne kwijtraakt, zijn fototoestel is dan net onklaar geraakt. Er is weer sprake van een symmetrische verhouding tussen het ik en het zelf. Wanneer hij ook zijn kompas en daarmee het spiegeltje kwijtraakt, bevindt hij zich in het eerste stadium: zijn omstandigheden zijn primitief als die van de eerste mensen, hij piekert minder en komt voor het eerst in harmonie met de natuur. Hij baadt nu in 'liefderijk water' waar aan het begin de douche 'een harde borstel van water' was.[8]

Verteltechniek[bewerken]

Alfred doet van moment tot moment verslag, is sterk op zichzelf geconcentreerd en 'inspecteert zichzelf doorlopend, in het kader van zijn speurtocht naar wie hij is en kan zijn. Zijn geologische onderzoek is in feite zelfonderzoek'.[9] Alfred kijkt bij wijze van spreken voortdurend in de spiegel, een houding die een equivalent vindt in de verteltechniek van de roman: eerste persoon, onvoltooid tegenwoordige tijd. De gelijktijdigheid van ervaren en vertellen 'vertoont een opvallende analogie met de situatie waarin iemand zijn spiegelbeeld gadeslaat.'[10] Ook Hermans' eerstvolgende publicatie, de novellenbundel Een wonderkind of een total loss (1967) telt uitsluitend werken met een verteltechniek waarin de ik-persoon en de onvoltooid tegenwoordige tijd worden gecombineerd. Het doel van deze werkwoordstijd is echter niet steeds hetzelfde. De mogelijkheden van een vertelsituatie in de eerste persoon enkelvoud, presens, gaat Hermans in de jaren zestig intrigeren: Afgezien van de roman en de bundel is er geen ander verhalend proza uit deze tijd, terwijl de genoemde combinatie niet voorkomt in het werk uit vroeger jaren.[11]

Vijverbergprijs[bewerken]

In maart 1967 kende de Jan Campertstichting Hermans de Vijverbergprijs van ƒ 2500 toe voor Nooit meer slapen. Hermans reageerde per brief:

Aanhalingsteken openen Wilt u zo goed zijn dit bedragje even over te schrijven op postgiro 100200 ten name van Eten voor India? Dit bespaart mij een hoop rompslomp en vrijwaart, mogelijkerwijs, een of twee leden van uw jury voor een slecht geweten. Ik dank u voor de te nemen moeite. Ik zal een roman over u schrijven onder de titel "Wel te rusten". Met vriendelijke groet,[12]
— Willem Frederik Hermans
Aanhalingsteken sluiten

Waardering[bewerken]

Bij de publicatie in 1966 oefenden enkele besprekers kritiek uit op de opbouw van de roman. Zij zagen de dood van Arne aan voor de climax van de roman en beschouwden het vervolg als overbodig. Toch werd de roman na enige jaren in brede kring als een meesterwerk beschouwd. De Zweedse vertaling (1977) was aanleiding voor de criticus Rolf Yrlid om zich af te vragen of de Nobelprijs voor de literatuur naar Nederland zou gaan. De Duitse vertaling (1982) werd door criticus Joseph Quack omschreven als niet alleen vol met 'fonkelende observaties', maar 'voor alles een spannend verhaal'.[13]

Trivia[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. August Hans den Boef, over Nooit meer slapen van W.F. Hermans, De Arbeiderspers, Amsterdam 1984, p. 81.
  2. Arno van der Valk, Hermans: Het grootste gelijk buiten Nederland, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2002, 28-29.
  3. De JS-nummers verwijzen naar de nummering in de bibliografie van Janssen en Van Stek, 2005. Ook de datering is daaraan ontleend. Geraadpleegd op 23 november 2013.
  4. Haasse 2000, 162. Geraadpleegd op 18 november 2013.
  5. Den Boef 1984, 44-45.
  6. Den Boef 1984, p. 31-52.
  7. Geciteerd bij Den Boef 1984, p. 37.
  8. G.F.H. Raat, 'Alfred en zijn spiegelbeeld', 1989, p. 224-225. Geraadpleegd op 30 oktober 2013.
  9. Raat 1989, p. 221.
  10. Raat 1989, p. 221-222.
  11. Raat 1989, p. 208-209.
  12. An., 'Auteur Hermans geeft prijs van ƒ 2500 aan "Eten voor India".' De Friese koerier, 11 maart 1967. Geraadpleegd op 9 november 2013
  13. Geciteerd bij Den Boef 1984, 81.