Nooit meer slapen (roman)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nooit meer slapen
Auteur(s) Willem Frederik Hermans
Land Nederland
Taal Nederlands
Genre Psychologische roman
Uitgever De Bezige Bij
Uitgegeven 1966
Pagina's 256
ISBN 90 234 0173 5
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Beluister

(info)

Nooit meer slapen (1966) is een van de meest gelezen en best gewaardeerde romans van W.F. Hermans.

Inhoud

Inhoud [bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Nooit meer slapen volgt de 25-jarige student geologie Alfred Issendorf op een expeditie naar Noors Lapland (Finnmarken) voor zijn promotieonderzoek. Doel van het onderzoek is om de hypothese van zijn promotor, professor Sibbelee, te bewijzen, die inhoudt dat de ronde gaten die ter plekke overal in de bodem te vinden zijn, veroorzaakt zijn door meteorietinslagen.

We ontmoeten Alfred op weg naar zijn tussenstop in Oslo, waar hij bij de zeer gerenommeerde professor Nummedal, een goede vriend van zijn promotor, de benodigde luchtfoto's van het gebied gaat ophalen. Alfred twijfelt niet aan het welslagen van zijn onderzoek. Met de daaropvolgende glanzende promotie zal hij in het voetspoor treden van zijn vader, een succesvol bioloog die bij een expeditie om het leven is gekomen.

In Oslo wacht hem echter een tegenslag: Nummedal is niet van zijn komst op de hoogte en heeft ook geen luchtfoto's. Voor luchtfoto's moet je zijn bij de geologische dienst, in Trondheim. Wel neemt de professor Alfred mee op excursie langs lokale geologische verschijnselen, en ook moet hij absoluut de Noorse specialiteit gravlaks proeven. Alfred verbijt zich - hij popelt om aan de slag te gaan, maar hij mag niet onbeleefd zijn tegen zijn gastheer. De geologische verschijnselen hebben niets met zijn onderzoek te maken en de gravlaks is helaas uitverkocht. Bovendien laat Nummedal zich ontvallen dat hij niet begrijpt wat Nederlanders in de geologie te zoeken hebben: Nederland is plat, wat kun je daar nu over geologie leren?

Bij de geologische dienst blijkt men midden in een verhuizing naar een gloednieuw pand. Er moeten wel ergens luchtfoto's opgeslagen liggen, maar iedereen is druk met de verhuizing, en niemand zou kunnen zeggen welke luchtfoto's waar te vinden zijn. Zijn mededeling door professor Nummedal gestuurd te zijn maakt geen indruk: Nummedal is een oude man die niet meer serieus wordt genomen. Alfred reist zonder luchtfoto's door naar het expeditiegebied.

Daar voegt hij zich bij zijn expeditiegenoten, drie Noorse collega-promovendi, van wie hij er een, Arne, al kent van een eerdere expeditie. De expeditie is een lange voettocht over de Laplandse toendra, een heide- en moerasachtig gebied met grote hoogteverschillen. Alfred merkt dat hij zijn collega's nauwelijks kan bijhouden door gebrek aan training, en de altijd aanwezige muggen houden hem uit de slaap. Zonder luchtfoto's kan hij de gaten die hij moet onderzoeken niet eens vinden. Als Arne van zijn onderzoeksonderwerp hoort, schrikt hij: dat is die idiote hypothese waar Sibbelee al twintig jaar de risee van de geologie mee is! Nu voelt Alfred zich totaal belachelijk.

Dan ziet hij dat een van de anderen, Mikkelsen, de "onvindbare" luchtfoto’s gewoon bij zich heeft. Hoe is dat mogelijk? Zou Nummedal zijn onderzoek soms met opzet hebben proberen te dwarsbomen? Mikkelsen laat hem de luchtfoto's zien, en daarop ziet Alfred meteen dat er voor meteorietinslagen geen enkele aanwijzing te vinden is. Hij kan het wel opgeven.

Hij realiseert zich dat geoloog-worden hem eigenlijk helemaal niet interesseert: het is niet zijn eigen droom, maar die van zijn moeder, die hij verafschuwt.

Het gezelschap splitst zich; Alfred gaat met Arne verder, maar dan raakt hij, door zijn eigenwijsheid over de te volgen route, ook Arne kwijt. Zijn kompas valt in een spleet. Nu heeft hij niets meer: hij weet niet waar hij is, hij weet niet waar hij naartoe moet, hij komt nauwelijks vooruit, en zijn eten is op. Maar hij heeft wel een doel: Arne vinden. Dan merkt hij dat het hem toch lukt zijn weg te vinden, vooruit te komen, en in leven te blijven, door vis te vangen en rauw op te eten. Zijn zelfvertrouwen keert terug. En hij vindt Arne. Maar die is dood, uitgegleden op een steen.

Alfred loopt terug naar de bewoonde wereld, waar hij totaal uitgeput aankomt, om Arne te laten ophalen. In de bus terug ziet hij een lichtflits en hoort een harde klap: de inslag van een meteoriet! Hij heeft er geen enkele belangstelling voor.

Thuis heeft zijn moeder een verrassing voor hem: een stel manchetknopen, gemaakt uit een doorgesneden meteoriet. Zijn vader had ze hem voor zijn zevende verjaardag willen geven, zijn moeder had ze bewaard voor Alfreds promotie. Maar, zegt ze, je vader vindt het vast goed als je ze nu al krijgt. Mooi, denkt Alfred, maar geen enkel bewijs voor de hypothese.

Typering [bewerken]

Nooit meer slapen (1966) is een bijzondere roman in het oeuvre van Hermans omdat de inhoud van dit boek het meest verwant is aan het wetenschappelijk werk van Hermans. De hoofdpersoon Alfred Issendorf moet vele ontberingen doorstaan en krijgt nauwelijks greep op zijn Noorse collega's en de mensvijandige natuurlijke omgeving. Het ontluisterende slot van deze roman kan als typerend voor Hermans' oeuvre worden gezien. Ook op een dieperliggend niveau past het werk binnen de algemene thematiek van Hermans' werk: uiteindelijk blijkt de mens niet in staat om de wereld echt te kennen.

Verteltechniek [bewerken]

De roman wordt verteld in de eerste persoon praesens. De verteller 'inspecteert zichzelf doorlopend, in het kader van zijn speurtocht naar wie hij is en kan zijn. Zijn geologische onderzoek is in feite zelfonderzoek'.[1] Alfred kijkt bij wijze van spreken 'voortdurend in de spiegel' en die houding vindt in de verteltechniek een equivalent 'in het gebruik van de eerste persoon, onvoltooid tegenwoordige tijd.' Immers, gelijktijdig ervaren en vertellen 'vertoont een opvallende analogie met de situatie waarin iemand zijn spiegelbeeld gadeslaat.'[2] Ook Hermans' eerstvolgende publicatie, de novellenbundel Een wonderkind of een total loss (1967) telt uitsluitend werken met een verteltechniek waarin de ik-persoon en de onvoltooid tegenwoordige tijd worden gecombineerd. 'De functie van deze werkwoordstijd is echter niet steeds gelijk.'[3] De mogelijkheden van een vertelsituatie in de eerste persoon enkelvoud, presens, gaat Hermans in de jaren zestig intrigeren: Afgezien van de roman en de bundel 'is er geen ander verhalend proza uit deze tijd, terwijl de genoemde combinatie niet voorkomt in het werk uit vroeger jaren.'[4]

Trivia [bewerken]

Externe links [bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. G.F.H. Raat, 'Alfred en zijn spiegelbeeld', 1989, p. 221.
  2. Raat 1989, p. 222.
  3. Raat 1989, p. 208.
  4. Raat 1989, p. 209.