Noord-Afrikaanse veldtocht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Noord-Afrikaanse veldtocht
Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog
Libië, 27 november 1941. Een Britse Crusader tank passeert een brandende Duitse Pzkw Mk IV tank tijdens het Beleg van Tobroek.
Libië, 27 november 1941. Een Britse Crusader tank passeert een brandende Duitse Pzkw Mk IV tank tijdens het Beleg van Tobroek.
Datum 10 juni 1940 - 13 mei 1943
Locatie Libië, Egypte, Algerije, Marokko, Tunesië
Resultaat Geallieerde overwinning
Casus belli Uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, Italië voegt zich bij de asmogendheden, Italië valt Egypte binnen
Strijdende partijen
Geallieerden:
Flag of Australia.svg Australië
Canadian Red Ensign 1921-1957.svg Canada
Flag of Czechoslovakia.svg Tsjechoslowakije
Flag of Free France 1940-1944.svg Vrije Fransen
Hellenic Kingdom Flag 1935.svg Koninkrijk Griekenland
British Raj Red Ensign.svg Brits-Indië
Flag of New Zealand.svg Nieuw-Zeeland
Flag of South Africa 1928-1994.svg Unie van Zuid-Afrika
Flag of Poland.svg Polen
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Flag of the United States.svg Verenigde Staten
Asmogendheden:
Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Koninkrijk Italië
Flag of German Reich (1935–1945).svg Nazi-Duitsland
Flag of Philippe Pétain, Chief of State of Vichy France.svg Vichy-Frankrijk
Commandanten
Flag of the United Kingdom.svg Harold Alexander
Flag of the United Kingdom.svg Claude Auchinleck
Flag of the United Kingdom.svg Archibald Wavell
Flag of the United States.svg Dwight Eisenhower
Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Rodolfo Graziani
Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Ugo Cavallero
Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Giovanni Messe
Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Pietro Badoglio
Flag of German Reich (1935–1945).svg Albert Kesselring
Flag of German Reich (1935–1945).svg Erwin Rommel
Flag of German Reich (1935–1945).svg Hans-Jürgen von Arnim
Flag of Philippe Pétain, Chief of State of Vichy France.svg François Darlan
Verliezen
Flag of the United Kingdom.svg Groot-Brittannië en Het Gemenebest:
Circa 220,000 doden, gewonden, vermisten en krijgsgevangenen
Waaronder 35,478 bevestigde doden
Flag of Free France 1940-1944.svg Vrije Fransen:
20,000 doden, gewonden en vermisten
Flag of the United States.svg Verenigde Staten:
2,715 doden
8,978 gewonden
6,528 vermisten
Materiële verliezen van de Geallieerden:
2,000 tanks verloren
1,400 vliegtuigen verloren
Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Koninkrijk Italië:
22,341 doden en vermisten
Flag of German Reich (1935–1945).svg Nazi-Duitsland:
18,594 doden
3,400 vermisten
130,000 krijgsgevangenen
Flag of Philippe Pétain, Chief of State of Vichy France.svg Vichy-Frankrijk:
1,346 doden
1,997 gewonden
Materiële verliezen van de Asmogendheden:
800 vliegtuigen verloren
6,200 artillerie verloren
2,500 tanks verloren
70,000 voertuigen verloren of buitgemaakt

De Noord-Afrikaanse veldtocht was de strijd tussen de geallieerden en de asmogendheden in Noord-Afrika tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De veldtocht begon in 1940, toen Italië zich in de Tweede Wereldoorlog mengde, en eindigde op 13 mei 1943 met de overgave van de laatste Duitse en Italiaanse troepen in Tunesië.

De veldtocht was er één die Hitler nooit heeft gewild of gezocht. Voor hem was het Europese continent en de strijd tegen Groot-Brittannië en Rusland veel belangrijker dan de "zandbak in Noord-Afrika".

Uitgangssituaties[bewerken]

Italië[bewerken]

De grote Duitse successen op het Europese vasteland in 1939 en 1940 gaven Mussolini het idee dat zijn troepen Hitlers veroveringen elders konden nadoen en in Afrika een nieuw Romeins Rijk konden vestigen. Sinds zijn machtsovername in 1922 was de fascistische leider ervan blijven dromen van een imperium dat het klassieke Romeinse Rijk evenaarde.

Italië miste echter de economische en militaire middelen om de dromen van Il Duce ('de Leider'), zoals Mussolini ook wel werd genoemd, te verwezenlijken. Italië was nu eenmaal veel minder geïndustrialiseerd dan Duitsland of het Verenigd Koninkrijk en de publieke opinie liep niet warm voor nieuwe veroveringen. Met de bestaande Italiaanse koloniën: Italiaans-Libië, de Dodekanesos, Italiaans-Eritrea en Italiaans-Somaliland had men volgens velen meer dan genoeg. Toch voegde Mussolini in 1936 daar Abessinië (Ethiopië) aan toe. Drie jaar later werd Albanië bij het Italiaanse rijk gevoegd. Zowel het Abessijnse en het Albanese leger waren niet in staat om zich tegen de Italiaanse legers te verzetten. Deze snelle overwinningen sterkten Mussolini in zijn gedachte dat het Italiaanse leger kon wedijveren met dat van de grootmachten.

Toen Frankrijk in juni bijna was verslagen, verklaarde Mussolini de oorlog aan Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De Italiaanse leider deed dit in de hoop nog in de buit mee te kunnen delen, want na de nederlaag van Frankrijk en mogelijk ook het Verenigd Koninkrijk, zouden immers de koloniën van die grootmachten verdeeld worden. Mussolini viel op 11 juni 1940 Frankrijk aan. Al was Frankrijk grotendeels onder de voet gelopen door Duitsland, het kon nog voldoende weerstand bieden aan de Italianen, die vrijwel geen terrein in de Franse Alpen konden veroveren. De geallieerden waren bang geweest dat Mussolini opdracht had gegeven om Malta te veroveren, waardoor de Britse scheepvaartroute in de Middellandse Zee in het geding kwam. Mussolini had echter zijn hoop gevestigd op een wapenstilstandsconferentie met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Hij hoopte daarbij zijn verlangens ten aanzien van de Britse en Franse gebieden rond de Middellandse Zee te kunnen verwezenlijken. Zover kwam het echter niet, want hoewel Frankrijk werd verslagen, kregen de asmogendheden het Verenigd Koninkrijk niet op de knieën. Al snel bleek Il Duce zijn veroveringsdrang niet te kunnen beheersen en liet hij zijn leger het door de Britten bezette Egypte aanvallen.

Militair[bewerken]

Bevelstructuur

Maarschalk Pietro Badoglio was de chef van de generale staf van de strijdkrachten, maar zijn positie als hoogste Italiaanse militair werd ondermijnd door Mussolini, die de ministerpost van de drie strijdmachtonderdelen bezette. Daardoor had de fascistische leider een bepalende stem over alle militaire plannen, wat ten koste ging van de efficiëntie, daar de drie onderdelen (landmacht, luchtmacht en marine) onafhankelijk van elkaar functioneerden. Badoglio werd eind 1940 vervangen door generaal Ugo Cavallero, die moest werken aan de communicatie en coördinatie tussen de verschillende militaire takken.

De Italiaanse troepen in Libië stonden aanvankelijk onder bevel van luchtmaarschalk Italo Balbo. Balbo kwam op 28 juni 1940 om het leven door Italiaans luchtafweer, dat zijn vliegtuig ten onrechte als vijandelijk had geïdentificeerd. Het is echter nooit geheel uitgesloten dat Mussolini hem uit de weg heeft laten ruimen, omdat Balbo niet enthousiast was over Mussolini's veroveringsplannen. Balbo werd vervangen door maarschalk Rodolfo Graziani, de chef-staf van het leger. In Italiaans Somaliland en Abessinië was de hertog van Aosta de opperbevelhebber. Doordat de afstand tussen Italië en de kolonie groot was, had Mussolini hier minder invloed op de beslissingen van de militaire top.

Legersterkte

In 1940 telde het Italiaanse leger 73 divisies. In totaal waren dit 1,6 miljoen man. De bedoeling was dat het aantal divisies werd uitgebreid naar 126, maar dat is er nooit van gekomen. Niet wegens een gebrek aan manschappen, maar omdat er een gebrek aan materiaal was en men zo'n grote groep rekruten niet kon trainen. Van de 73 divisies bestond het overgrote deel uit infanteriedivisies. Zeventien infanteriedivisies hadden een zekere mate van mobiliteit, vergelijkbaar met de standaard gemotoriseerde Britse infanteriedivisies. De pantsersterkte van Italië was zeer beperkt. Het leger omvatte slechts drie pantserdivisies en had daarnaast de beschikking over twee gemotoriseerde en drie lichte divisies, bewapend met lichte wapens en oude pantservoertuigen. De pantserzwakte zou de Italianen later in de woestijnvlakte zwaar hinderen in de strijd tegen de geallieerden. De Italianen hadden echter ook de beschikking over enkele goed getrainde divisies. De beste eenheden waren de zes Alpendivisies, die geoefend waren in de bergen en in Noord-Italië en de Balkan werden ingezet.

Naast het reguliere leger waren er nog fascistische milities, de zogenaamde zwarthemden die georganiseerd waren in legioenen, bestaande uit twee infanteriebataljons. Iedere infanteriedivisie van het leger werd met een zwarthemdenlegioen versterkt. Dit werd gedaan om zowel de sterkte van de divisie op te voeren alsmede om de fascistische denkwijze in het leger te brengen. De zwarthemden kregen ook drie onafhankelijke divisies toebedeeld, die uitsluitend dienstdeden in Libië en waren geformeerd naar een koloniale divisie van 8.000 man, terwijl een normale infanteriedivisie circa 13.500 manschappen telde.

De Italiaanse luchtmacht, de Regia Aeronautica, had in de jaren '20 en begin jaren '30 de reputatie opgebouwd als een innovatieve organisatie. Echter, aan het begin van de oorlog was de luchtmacht flink in verval geraakt. Doordat de luchtmacht te weinig geld had gekregen om de sterkte op peil te houden, waren de meest vliegtuigen flink verouderd en in beperkte aantallen aanwezig. Met name de jagers, de Fiat CR.32 en de Fiat CR.42, waren niet opgewassen tegen hun Britse tegenstander, de Hawker Hurricane.

De Italiaanse militaire aanwezigheid in Libië was voorafgaand aan de strijd 250.000 man, 1.800 kanonnen, 350 (lichte) tanks en circa 8.000 vrachtwagens. De luchtmacht was beperkt aanwezig, maar de 150 gevechtsvliegtuigen staken getalsmatig positief af bij de sterkte van de Britse luchtmacht, daar de RAF in die dagen de prioriteit had bij de slag om Engeland.

De Italiaanse troepen waren verdeeld over twee legers. In Tripolitanië lag het 5e Leger onder leiding van generaal Italo Gariboldi. Het 5e Leger had de beschikking over zes infanteriedivisies en twee kleinere divisies zwarthemden. Het 10e Leger onder leiding van generaal Francesco Berti was gelegerd in Cyrenaica en bestond uit drie infanteriedivisies, een Libische divisie en een divisie zwarthemden. Daar kwam vlak voor het begin van de aanval nog een tweede Libische divisie bij. De reden dat het 5e Leger meer troepen tot haar beschikking had, kwam doordat de Italianen aanvankelijk Tunesië wilde aanvallen. Echter, nu de prioriteit was de gevestigd op Egypte, werden divisies van het 5e Leger spoedig overgebracht naar de regio van het 10e Leger, dat uiteindelijk uit tien divisies bestond.

Verenigd Koninkrijk[bewerken]

De Britse troepen in Egypte stonden onder leiding van de opperbevelhebber van het Midden-Oosten, generaal Archibald Wavell. Hij had nog geen honderdduizend man voor een gebied dat bestond uit Palestina, Jordanië, Soedan, Irak en Egypte. In dat laatste land waren circa 36.000 man gelegerd. Tegenover de Italiaanse troepen aan de Libische grens lagen twee onderbemande divisies, te weten de 4e Indiase divisie en de Britse 7e Pantserdivisie. Hoewel beide divisies te weinig manschappen en materieel had, behoorden ze tot de best geoefende eenheden van het hele Britse leger.

Voorafgaand aan de Italiaanse inval voerde de Britse 7e Pantserdivisie, gelegerd aan de grens met Libië, diverse aanvallen in vijandelijk gebied uit. De Italianen kregen hierdoor de indruk dat de Britse strijdmacht sterker was dan werkelijk het geval was. Waar de bevelhebber van de Italianen, Rodolfo Graziani, tijdens zijn tijd in Italië nog aandrong om actie te ondernemen tegen de Britten, was hij bij zijn aankomst in Libië een stuk voorzichtiger. Mussolini beval echter dat er een aanval moest plaatsvinden en de datum daarvoor werd vastgesteld op 13 september. Terwijl de Italiaanse militaire top dus verdeeld was, nam het Britse oorlogskabinet enkele belangrijke besluiten. Het thuisland werd de hele zomer van 1940 bedreigd door een Duitse invasie en het leger had, zeker na de evacuatie uit Duinkerke, een nijpend tekort aan materieel. Maar ook de kabinetsleden waren zich ervan bewust dat als de Britten Egypte en de verbindingsweg met de andere koloniën wilde verdedigen, er dringend versterkingen nodig waren. Wavell had vooral tanks, artillerie en voertuigen nodig. Op 15 augustus besloot het oorlogskabinet om de troepen in Egypte te versterken met drie tankbataljons (154 tanks), 48 antitankkanonnen, 48 25-pondshouwitsers en veel infanteriewapens en munitie. Via Kaap de Goede Hoop werd het materieel aangeleverd en op 19 september kwam het aan bij het Suezkanaal in Egypte.

Overzicht van de campagne[bewerken]

De campagne kan opgedeeld worden in drie fasen. De eerste fase betreft de oorlog tussen de Italianen en de Britten, waarbij de Italianen verslagen werden en teruggedrongen werden tot diep in Libië.

De tweede fase betreft de Duitse inmenging in het conflict, toen Benito Mussolini hulp inriep van de Duitse leider Adolf Hitler. Erwin Rommel kreeg toen de leiding over het DAK, het Deutsches Afrikakorps. Hij kwam tot El Alamein in Egypte, maar werd uiteindelijk verslagen.

De derde fase is de inmenging van de Amerikanen, die de Franse koloniën Marokko, Algerije en Tunesië binnenvallen, terwijl Bernard Montgomery vanuit Egypte de aanval opent op de Duitsers. De Duitsers en Italianen worden teruggedrongen tot in Tunis, waar de meesten gevangengenomen worden.

De Duitse opmars[bewerken]

Generaal Erwin Rommel kreeg de leiding. Hij doopte zijn eenheden het Afrikakorps. Met zijn (spoedig weer twee) divisies en de restanten van de Italiaanse divisies pakte hij onmiddellijk de Britten beet. In een zeer beweeglijke oorlogsvoering dreef hij de Britten, waarvan de sterkte was toegenomen (het vormde nu het Britse 8e leger) voortdurend naar het oosten verder terug. Hij deed dit zo effectief, dat hij op 10 april 1941 het beleg voor Tobroek kon slaan. Aan geallieerde zijde was het commando overgenomen door Claude Auchinleck, die minder briljant in de woestijnoorlogsvoering bleek dan zijn voorganger Richard O'Connor. Toen deze voor een adviserend bezoek terugkeerde, werd hij door de Duitsers verrast en gevangengenomen. Rommel verkreeg dankzij zijn optreden van zijn tegenstanders de bijnaam Woestijnvos.

Door de taaie verdediging van Tobroek door vooral de Australiërs bleef het front vrij statisch tot december 1941. Hierna trok Rommel zich terug, om in het voorjaar opnieuw aan te vallen. Deze keer nam hij Tobroek wel in, op 21 juni 1942.

Rommel rukte nu verder op naar het oosten, richting Suezkanaal. In Berlijn werd reeds gedroomd van een Midden-oosten dat de Duitse zijde koos. Dit was niet geheel onmogelijk, want een deel van de bevolking in Syrië en Irak koesterde pro-Duitse gevoelens. Het Suezkanaal in handen van de asmogendheden zou een grote hinderpaal vormen voor de geallieerde aanvoer en communicatie: elk transport zou om Afrika heen moeten varen.

Generaal Claude Auchinleck trok zijn troepen terug naar El Alamein, een dorpje in Egypte, op 175 km van Alexandrië. Hier werd zijn noordflank gedekt door de Middellandse Zee, terwijl aan de zuidzijde de Qattara-depressie elke omsingeling verhinderde. Deze hellingen konden immers niet door gemotoriseerde voertuigen genomen worden.

Verslagen bij El Alamein[bewerken]

Rommel viel op 1 juli aan, maar slaagde er in de Eerste slag om El Alamein niet in door de Britse linies te breken. Churchill beval een tegenaanval, maar verschillende achtereenvolgende tegenaanvallen liepen vast op de Duitse en Italiaanse verdediging. Toen Auchinleck verscheidene maanden tijd opeiste voor hij tot nieuwe aanvallen overging, verving Churchill in augustus 1942 het hele opperbevel in Noord-Afrika. Sir Harold Alexander werd opperbevelhebber voor het Midden-Oosten en Generaal Montgomery kreeg de leiding over het Britse 8e leger. Deze nam echter nog meer tijd dan Auchinleck voor de voorbereiding van een aanval, waardoor wel veel Amerikaans materieel kon worden aangevoerd. Pas op 23 oktober, toen hij 200.000 man en meer dan 1.000 tanks tegenover Rommels 100.000 man en 500 tanks kon stellen, kwam het Britse Achtste leger in beweging. Mede doordat Rommel afwezig was bij het begin van deze Tweede slag om El Alamein, en doordat Montgomery de absolute heerschappij in de lucht had, won het Britse leger deze veldslag. De veldslag was beslissend: na afloop bleken de Duitsers slechts 50 van hun 500 tanks over te hebben, terwijl de geallieerden er 500 hadden overgehouden.

Rommel trok zich terug, en deed dit wederom meesterlijk: ondanks de geallieerde suprematie in de lucht leed hij tijdens deze terugtocht vrijwel geen verliezen meer.

De geallieerde landing in november 1942 in Marokko, Algerije en Tunesië (Operatie Toorts) betekende een bespoediging van het einde. De Duitse en Italiaanse troepen in Noord-Afrika werden toen vanuit het oosten en het westen in de tang genomen. De aftocht van de asmogendheden in Noord-Afrika was nu onvermijdelijk. Rommel besefte dit maar al te goed, maar z'n voortdurende verzoeken om zijn soldaten naar Sicilië te evacueren werden door Hitler telkens in de wind geslagen. Hitler gaf telkens het bevel om tot de laatste man stand te houden.

In de Slag om Kasserinepas, de eerste directe confrontatie tussen Duitse en Amerikaanse troepen in de Tweede Wereldoorlog, brachten de Duitsers de Amerikanen nog ernstige verliezen toe, maar dit kon de kansen niet keren. Rommel werd vervangen door von Arnim. Deze vocht een bekwame campagne in Tunesië. De Amerikanen herstelden zich al snel onder leiding van de na deze slag benoemde generaal George Patton, die evenals Rommel een groot voorstander van een bewegingsoorlog met tanks was.

Op 13 mei 1943 gaven de laatste troepen as-strijdkrachten in Noord-Afrika zich over.

De veldtocht in Noord-Afrika werd door beide partijen als een "schone" veldtocht gezien. Beide kampen hadden respect voor hun tegenstanders en vermeden oorlogsmisdaden. Er was ook vrijwel geen burgerbevolking die in de weg kon lopen. Gevechtspauzes voor de afvoer van gewonden werden wederzijds gerespecteerd.

Zie ook[bewerken]

Bronnen
  • K. van den Hoek De Tweede Wereldoorlog: De Helse Woestijnoorlog, Rotterdam, Lekturama, 1978
  • K. van den Hoek De Tweede Wereldoorlog: De Duitse nederlaag in Afrika, Rotterdam, Lekturama, 1978
  • A.H. Paape, Bericht van de Tweede Wereldoorlog, deel 3, Amsterdam, Uitgeverij Amsterdam Boek, 1970-1975
  • K.J. Macksey, Afrika-Korps, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 1994
  • Adrian Gilbert, Hitlers Blitzkrieg, Deltas, 2005
  • James Stock, Het beleg van Tobroek, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 1992
  • K.J. Macksey, Oorlog in de woestijn, Hilversum, Just publishers, 2006
  • Vincent Jones, Operatie Toorts, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 1993