Noordelijke Kruistochten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Noordelijke Kruistochten
Onderdeel van de Kruistochten
Duitse-Ordestaat in 1260.
Duitse-Ordestaat in 1260.
Datum 12e en 13e eeuw
Locatie Estland, Letland, Litouwen, Oost-Pruisen
Strijdende partijen
Kruisvaarders "Heidenen"
Commandanten
Waldemar I van Denemarken
Waldemar II van Denemarken
Johan I van Zweden
Albert van Riga
Anders Sunesen
Caupo van Turaida
Diederik van Estland
Volquin
Wenno
Wilken von Endorp
Tālivaldis van Tālava
Lembitu van Lehola
Ako van Salaspils
Visvaldis van Jersika
Viestards van Tērvete
Nameisis van Semgallen

De Noordelijke Kruistochten of Baltische Kruistochten verwijzen naar de veldtochten die de koningen van Denemarken en Zweden, de Duitse Orde en de Lijflandse Zwaardbroeders in de 12e en 13e eeuw voerden tegen de "heidense" volkeren wonend ten zuiden en oosten van de Oostzee om hen politiek te onderwerpen en te bekeren tot het christendom. Deels was dit voor het uitbreiden van de wereldlijke macht van de vorstenhuizen en ridderorden, deels in naam van de Grote Opdracht die men meende te hebben om "heidenen" te bekeren. Praktische redenen waren onder meer het geringe succes dat de grote kruistochten naar het Heilig Land hadden ondervonden, waardoor men het Baltische gebied als alternatief koos, maar ook economische expansie die een onrustige bezitloze adel (onder meer door de invoering van het eerstgeboorterecht) in Scandinavië en Duitsland zocht in Noord- en Oost-Europa (zie ook Oostkolonisatie).

De vestigingsgebieden van de Baltische stammen rond 1200.

De Noordelijke Kruistochten verliepen in verschillende fasen, waarvan de Lijflandse Kruistocht (1198-1290) de belangrijkste is, hoewel hierbij wellicht beter gesproken kan worden van een koepelbegrip voor verschillende tijdperken. Voorts zijn er nog de Wendische Kruistocht (1147) en de Pruisentochten (1222-1295). De zogenaamd "heidense" volkeren waren voornamelijk Balten, maar de Esten en Öselaren waren van Fin-Oegrische afkomst en de Polaben zijn bij de Slavische volkeren in te delen. Dit terwijl de kruisvaarders allemaal Germaanse talen talen spraken: Duits, Zweeds en Deens. De kruistochten brachten naast politieke onderwerping ook culturele assimilatie voort, in de eerste plaats natuurlijk de kerstening waarom zij (in naam) begonnen waren, maar ook germanisering. De economische ondergeschiktheid aan de nieuwe Germaanstalige adel laat zich vatten in het woord horigheid zoals die in Midden- en West-Europa reeds bestond.