Normandische verovering van Engeland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het tapijt van Bayeux verbeeldt de slag bij Hastings en de oorzaken daarvan.

De Normandische verovering van Engeland begon in 1066 met de invasie en bezetting van het Koninkrijk Engeland door een leger van Normandische, Bretonse, Vlaamse en Franse soldaten onder leiding van Willem II van Normandië, de latere Willem de Veroveraar.

Willems aanspraak op de Engelse troon gingen terug op zijn familieband met de kinderloos gestorven Angelsaksische koning Edward de Belijder, die Willems hoop op de troon mogelijk heeft aangemoedigd. Edward de Belijder stierf in januari 1066 en werd opgevolgd door zijn zwager Harold Godwinson. in september 1066 viel de Noorse koning Harald Hardrada het noorden van Engeland binnen. Na een eerste overwinning bij de slag bij Fulford, werd hij op 25 september 1066 echter door Harold Godwinson verslagen en gedood in de slag bij Stamford Bridge. Enkele dagen later landde Willem II van Normandië in Zuid-Engeland. Harold marcheerde naar het zuiden om hem zo snel mogelijk te confronteren. Daarbij liet hij een aanzienlijk deel van zijn leger in het noorden achter. Op 14 oktober stonden Harolds en Willems leger tegenover elkaar in de slag bij Hastings. Deze slag werd een beslissende overwinning voor het Normandische leger en zijn bondgenoten. Harold Godwinson werd in deze slag gedood.

Hoewel Willems belangrijkste rivalen nu definitief van het toneel waren verdwenen, werd hij in de daaropvolgende jaren nog steeds met opstanden geconfronteerd. Pas na 1072 zat hij veilig op zijn troon. De landerijen van de weerstand biedende Angelsaksische en in vooral in het noorden en oosten Deense elite werd in beslag genomen; een deel van deze elite ging in ballingschap. Om zijn nieuwe koninkrijk beter te kunnen controleren, gaf Willem overal aan zijn volgelingen land in leen. Ook liet hij door het hele land kastelen op militair strategische plaatsen bouwen. Andere effecten van de Normandische verovering waren de introductie van een ander rechtssysteem, de introductie van Normandisch Frans als de taal van de elite, en veranderingen in de samenstelling van de hoogste klassen, aangezien Willem als koning rechtstreeks landerijen in leen gaf. De invloed van de verovering op de agrarische klassen en het dorpsleven verliep geleidelijker: de belangrijkste verandering schijnt de formele afschaffing van de slavernij te zijn geweest; die al dan niet aan de invasie gelinkt kan worden. De structuur van de overheid zelf veranderde niet zo veel, dit aangezien de nieuwe Normandische bestuurders veel van de oude Angelsaksische regeringsvormen overnamen.

Achtergrond[bewerken]

In 911 stond de Frankische Karolingische heerser Karel de Eenvoudige een groep Vikingen onder leiding van Rollo toe om zich in het gebied waar de Seine in het Kanaal eindigt, te vestigen in wat later het hertogdom Normandië zou worden genoemd; dit als onderdeel van het verdrag van Saint-Clair-sur-Epte. In ruil voor een flink stuk grond verplochten de Noormannen onder Rollo zich om de kuststreek en met name de Seine-monding te beschermen tegen aanvallen van andere Vikingen.[1] Deze Vikingkolonie bleek succesvol; de Vikingen in de regio kwamen bekend te staan als de "Noormannen". Uit dit woord kwamen de woorden Normandië" en "Normandiërs voort.[2] De Normandiërs namen al snel de inheemse cultuur over; zij deden afstand van hun heidendom en bekeerden zich tot het christendom.[3] Ook namen zij het langue d'oïl over. Wel voegden zij daar elementen van hun eigen Noordse taal aan toe. Uit dit amalgaam ontstond het Normandisch. De Vikingen trouwden met vrouwen uit de lokale bevolking.[4] De Normandiërs gebruikten het grondgebied dat hen was toegekend als uitvalsbasis om de grenzen van het hertogdom in westelijke richting uit te breiden. Zo annexeerdenn zij de Bessin, het schiereiland Cotentin en de Avranches.[5]

In 1002 trad koning Æthelred II van Engeland in het huwelijk met Emma, de zuster van Richard II van Normandië[6] Hun zoon Edward de Belijder, die vele jaren in ballingschap in Normandië leefde, erfde in 1042 de Engels troon.[7] Dit leidde tot het ontstaan van een krachtige Normandisch belang in de Engelse politiek, dit aangezien Edward zwaar op zijn voormalige gastheren leunde. Hij haalde Normandische hovelingen, militairen en geestelijken naar Engeland en benoemde zij deze in machtsposities, met name in de kerk. Kinderloos en in conflict verwikkeld met de formidabele Godwin van Wessex en diens zonen, heeft Edward misschien ook hertog Willem van Normandiës ambities op de Engelse troon aangemoedigd.[8]

Toen koning Edward in het begin van het jaar 1066 stierf, leidde het ontbreken van een duidelijke erfgenaam tot een omstreden opvolging, waarin meerdere kandidaten aanspraak maakten op de Engelse troon.[9] Edwards directe opvolger werd de earl van Wessex, Harold Godwinson, de rijkste en machtigste van de Engelse aristocraten. Harold werd tot koning gekozen door de Witenagemot van Engeland. Hij werd gekroond door Ealdred, de aartsbisschop van York, hoewel Normandische propaganda later beweerde dat de ceremonie werd geleid door Stigand, de niet-canoniek verkozen aartsbisschop van Canterbury.[9][10] Harold werd onmiddellijk uitgedaagd door twee machtige naburige heersers.

Hertog Willem van Normandië beweerde dat koning Edward hem de troon had beloofd en dat Harold had gezworen dat hij het hier mee eens was;[11] Koning Harald III van Noorwegen, algemeen bekend als Harald Hardrada, betwistten ook de opvolging. Zijn aanspraak op de troon was gebaseerd op een overeenkomst tussen zijn voorganger Magnus I van Noorwegen en de eerdere Engelse koning, Hardeknoet, waarbij was afgesproken dat indien een van beide zonder erfgenaam zou sterven, de andere zowel Engeland als Noorwegen zou erven.[12][13][14] Hardeknoets vader, Knoet de Grote had Æthelreds zoon Edmund Ironside verslagen en in 1016 de Engelse troon opgeëist. Hij was in het huwelijk getreden met Æthelreds weduwe, Emma.[15] Na de dood van Hardeknoet in 1042, was Magnus gestart met de voorbereidingen voor een invasie van Engeland. Deze werden pas na zijn dood in 1047 gestopt.[16]

Willem van Normandië en Harald Hardrada begonnen meteen met het verzamelen van de benodigde troepen en schepen voor een invasie van Engeland.[17]

Andere personen met aanspraken op de Engelse troon kwamen later in actie. De eerste was Edgar Ætheling, een achterneef van Eduard de Belijder en in vaderlijke lijn een afstammeling van koning Edmund Ironside. Hij was de zoon van Eduard De balling, een zoon van Edmund Ironside. Hij werd geboren in Hongarije, waar zijn vader na de verovering van Engeland door de Knoet de Grote uiteindelijk was terecht gekomen. Na de uiteindelijke terugkeer van zijn familie in Engeland en de dood van zijn vader in 1057,[18] had Edgar vanuit erfelijk perspectief veruit de sterkste erfelijke aanspraak op de troon, maar mede omdat hij toen Edward de Belijder stierf slecht ongeveer dertien of veertien jaar oud was en ook omdat hij geen machtige familie had die hem in zijn aanspraken steunde, werd hij door de Witan gepasseerd.[19]

Een andere kanshebber was Sven II van Denemarken, die als kleinzoon van Sven Gaffelbaard en neef van Knoet de Grote ook aanspraak op de Engelse troon kon maken.[20] Hij wachtte echter tot 1069, voordat hij in actie kwam.[21] Tenslotte kan men de aanvallen van Tostig Godwinson in het begin van 1066 als een poging zien de Engelse troon te bemachtigen, maar na zijn nederlaag tegen de graven Edwin en Morcar van Northumbria en de desertie van de meeste van zijn volgelingen verbond hij zijn lot met dat van Harald Hardrada.[22]

Tostig Godwinsons invallen en de Noorse invasie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie slag van Stamford Bridge voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In het begin van 1066 voerde Harolds uit Northumbria verbannen broer Tostig Godwinson overvallen op de Zuidoost-Engelse kust uit met een vloot die hij in het graafschap Vlaanderen had geworven. Deze vloot werd later nog aangevuld met schepen uit de Orkney-eilanden.[23] Bedreigd door Harolds vloot begaf Tostig zich met zijn vloot naar het noorden en voerde daar overvallen uit op de kust van East Anglia en Lincolnshire, maar hij werd naar zijn schepen teruggedreven door de broers Edwin van Mercia en Morcar van Northumbria. Verlaten door de meeste van zijn volgelingen, trok hij nu naar Schotland, waar hij in de zomer van 1066 verse troepen wierf.[24][25]. Intussen bracht koning Harold Godwinson de zomer aan de zuidkust van Engeland door met een groot leger en vloot. Hij wachtte daar tot het moment dat Willem van Normandië zijn invasie in Zuid-Engeland zou uitvoeren om dan zo snel mogelijk zelf in actie te komen. Het grootste deel van zijn troepen bestond echter uit milities en het oogstseizoen kwam eraan. De krijgers moesten thuis hun gewassen gaan oogsten of daar tenminste toezicht op gaan houden. Hierdoor werd Harald gedwongen zijn leger op 8 september te ontbinden.[26]

Koning Harald Hardrada viel Noord-Engeland in het begin van september binnen. Hij beschikte over een vloot van meer dan 300 schepen en ongeveer 15.000 man man. Haralds leger werd nog verder versterkt door de troepen van Tostig, die na zijn eerdere avonturen zijn steun gaf aan de poging van de Noorse koning om de Engelse troon te bemachtigen. Oprukkend naar York, slaagde de Noren er in deze stad te bezetten na eerst op 20 september tijdens de slag bij Fulford een noord-Engels leger onder leiding van de graven Edwin van Mercia en Morcar van Northumbrië te hebben verslagen.[27] De twee graven waren onmiddellijk naar de plaats van de Noorse invasie getrokken om daar de Noorse strijdkrachten tegemoet te treden. Zij hadden niet gewacht totdat koning Harold uit het zuiden had kunnen komen. Hoewel Harold II van Engeland met Edwin en Morcars zuster, Ealdgyth, was getrouwd, is het mogelijk dat de twee graven Harold wantrouwden en vreesden dat de koning van plan was Morcar te vervangen door zijn broer Tostig. Het eindresultaat was dat hun troepen werden vernietigd en dat het Noord-Engelse leger niet meer in staat was om verder deel te nemen aan de rest van de campagnes van 1066, hoewel de twee graven zelf de strijd overleefden.[28]

Hardrada trok na de slag bij Fulford op naar York. Deze stad gaf zich aan hem over. Na het nemen van gijzelaars uit de leidende personen van de stad, begaven de Noren zich op 24 september naar het kleine dorpje Stamford Bridge.[29] King Harold had waarschijnlijk medio september van de Noorse invasie gehoord en was kort daarna naar het noorden. Onderweg verzamelde hij zijn troepen.[30] De koninklijke troepen deden er waarschijnlijk negen dagen over om de afstand van Londen naar York af te leggen, wat betekent dat zij gemiddeld zo'n veertig kilometer per dag aflegden. Bij de dageraad van 25 september bereikten Harolds troepen York, waar hij hoorde waar het Noorse leger zich ophield.[31] De Engelsen marcheerden direct door naar Stamford Bridge, waar zij er in slaagden om de Noren te verrassen. In de slag van Stamford Bridge werden zowel Harald Hardrada als Tostig Godwinson gedood. De Noren leden zulke grote verliezen dat slechts 24 van de oorspronkelijke 300 schepen volstonden om de overlevenden terug naar Noorwegen te vervoeren. De Engelse overwinning was echter kostbaar. Ondanks de overwinning bevond Harolds leger zich na de slag in een gehavende en verzwakte staat.[30]

Normandische invasie[bewerken]

Normandische voorbereidingen en samenstelling van de strijdkrachten[bewerken]

William organiseerde een grote invasievloot. Zijn leger verzamelde hij uit Normandië en uit geheel Noord-Frankrijk, daaronder ook grote contingenten uit Bretagne en Vlaanderen.[32] Hij verzamelde zijn troepen bij Saint-Valery-sur-Somme. Rond 12 augustus was hij klaar om het Kanaal over te steken.[33] De exacte aantallen en de samenstelling van Willems strijdmacht is onbekend.[34] Een eigentijds document beweert dat William over 726 schepen kon beschikken, maar dit grote aantal kan overdreven zijn geweest.[35] Aantallen troepen die door contemporaine schrijvers werden gegeven zijn meestal sterk overdreven; zij lopen uiteen van 14.000 tot 150.000 man.[36] Moderne historici hanteren een ander scala van schattingen voor de omvang van Willems strijdmacht: 7.000-8.000 mannen, waarvan 1.000-2.000 cavalerie;[37] 10.000-12.000 man;[36] 10.000 man, waarvan 3.000 van hen cavalerie;[38] of 7.500 man.[34]

Het leger zou hebben bestaan uit een mix van cavalerie, infanterie en boogschutters of kruisboogschutters, met ongeveer gelijke aantallen cavalerie en boogschutters. De helft van het aantal manschappen bestond uit infanterie.[39] Hoewel latere lijsten van metgezellen van Willem de Veroveraar bewaard zijn gebleven, zijn de meeste daarvan aangevuld met extra namen; van slechts ongeveer 35 personen kan op betrouwbare wijze worden geclaimd dat zij Willem van Normandië bij Hastings hebben vergezeld.[34][40]

De kronikeur Willem van Poitiers meldt dat Willem van Normandië toestemming van paus Alexander II kreeg voor de invasie; dit werd aangeduid door een pauselijke banier. Daarnaast kreeg hij ook diplomatieke steun van andere Europese heersers. Hoewel Alexander zijn pauselijke goedkeuring gaf nadat de verovering was gelukt, zijn er geen andere bronnen die over pauselijke steun voorafgaande aan de invasie reppen.[41]. Willems leger verzamelde zich in de zomer terwijl er ondertussen in Normandië een invasievloot werd gebouwd. Hoewel zowel leger als vloot begin augustus gereed waren, zorgde volgens de officiële lezing tegenwind ervoor dat de schepen pas eind september uit Normandië konden vertrekken. Waarschijnlijk waren er echter andere redenen voor deze vertraging, waaronder rapporten van inlichtingendiensten uit Engeland die onthulden dat Harolds troepen langs de Engelse zuidkust werden ingezet. Willem zou er de voorkeur aan geven hebben om de invasie te vertragen totdat hij verzekerd was van een ongehinderde landing.[42]

Normandische landing en Harolds mars zuidwaarts[bewerken]

De Normandiërs staken een paar dagen na de overwinning van Harolds over naar Engeland. Mede omdat Harold zeemacht nu verspreid was, hadden zij een rustige overtocht. Op 28 september landden zij bij Pevensey in Sussex. In Hastings liet Willem een houten kasteel opzetten. Van daaruit werden plundertochten in de nabije omgeving uitgevoerd.[32] Dit zorgde voor de benodigde aanvoer van proviand voor mens en paard. Aangezien een groot deel van de omringende landerijen in eigendom was van Harold en zijn familie, verzwakten deze plundertochten Willems tegenstander en maakten zij de kans groter dat Harold zou aanvallen met als doel om zo snel mogelijk een einde aan deze plundertochten te maken.[43]

Nadat Harold zijn broer Tostig en koning Harald Hardrada bij Stamford had verslagen, liet hij een groot deel van zijn strijdmacht, met inbegrip van de legers van Morcar en Edwin, in het noorden achter en marcheerden hij met de rest van zijn leger naar het zuiden om de dreigende Normandische invasie het hoofd te bieden.[44] Het is onduidelijk wanneer Harold precies van Willems landing in het zuiden hoorde, maar dit was waarschijnlijk pas na zijn overwinning in het noorden, toen hij al op weg terug was naar het zuiden. Harold stopte in Londen ongeveer een week voordat hij Hastings bereikte. Het is dus waarschijnlijk dat hij de tweede week gebruikte om naar het zuiden te marcheren. Voor de bijna 320 kilometer van het noorden naar Londen legde hij gemiddeld ongeveer 43 kilometer per dag af.[45].[46]

Hoewel Harold probeerde om de Normandiërs te verrassen, meldden Willems verkenners de aankomst van het Engelse leger bijtijds aan de hertog. De exacte gebeurtenissen voorafgaand aan de slag zijn onduidelijk, met tegenstrijdige verklaringen in de bronnen, maar allemaal zijn zij het er over eens dat Willem zijn leger vanuit zijn houten kasteel leidde en zijn leger in de richting van de vijand liet optrekken.[47] Harold had een defensieve positie betrokken op top van Senlac Hill (het tegenwoordige Battle in het graafschap East Sussex), ongeveer 10 kilometer van het kasteel van Willem bij Hastings.[48]

Over de omvang en de samenstelling van Harolds leger zijn geen betrouwbare, eigentijdse bronnen overgeleverd. Twee Normandische bronnen geven cijfers van een leger van respectievelijk 1,2 miljoen en 400.000 man, maar dat is natuurlijk flauwekul.[49] Hedendaagse historici zijn met cijfers gekomen die variëren van 5.000 tot 13.000 man voor Harolds leger bij Hastings,[50] de meeste schattingen zijn het echter eens over een aantal van de tussen de 7.000 en 8.000 Engelse troepen.[51][52] Deze mannen zouden een mix zijn geweest van de fyrd, de militie die voornamelijk was samengesteld uit voetvolk, en de huiskerels, de persoonlijke troepen van de koning en andere hoge edelen. Ook zij vochten voornamelijk te voet. Het belangrijkste verschil tussen de twee zat hem in hun bescherming tegen schot- en steekwonden; de huiskerels waren beter beschermd dan de fyrd. Hoewel er wel een kleine groep bij de slag aanwezig was, lijkt het Engelse leger niet veel gebruik te hebben gemaakt van boogschutters.[51] Van weinig individuele Engelsen is bekend dat zij bij Hastings hebben gevochten; de meest bekende zijn wel Harolds broers Gyrth en Leofwine.[34] Van 18 andere genoemde personen kan redelijkerwijs worden aangenomen dat zij in het leger van Harold hebben gevochten tijdens de slag bij Hastings, daaronder nog twee andere familieleden van Harold.[53]

Hastings[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie slag bij Hastings voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De strijd begon op 14 oktober 1066 om ongeveer negen uur 's-ochtends en duurde de hele dag. Hoewel het verloop van de slag in grote lijnen bekend is, spreken de bronnen elkaar soms tegen over de exacte gebeurtenissen.[54] Hoewel de aantal strijdenden aan beide kanten niet veel van elkaar verschilden, beschikte hertog Willem van Normandië zowel over cavalerie en infanterie, als mede ook over veel boogschutters, terwijl Harolds leger slechts uit voetvolk en enkele boogschutters bestond.[55] De Engelse soldaten vormden een schildmuur op de kam van Senlac Hill. In eerste instantie waren zij zo effectief dat Willems leger met zware verliezen werd teruggeslagen. Sommige van Willems Bretonse troepen raakten in paniek en vluchtte, waarna sommige van de Engelse troepen hen achterna zetten. Dit gaf de Normandische cavalerie de kans om de achtervolgende Engelsen te doodden. Terwijl de Bretons vluchten, deden geruchten in het Normandische kamp de ronde dat hertog Willem zou zijn gedood. Willem was echter in staat deze geruchten te ontzenuwen en zijn troepen opnieuw aan te zetten tot de strijd.

Na deze gebeurtenis veinsden de Normandiërs tot twee keer een zogenaamde terugtocht, dit om de de Engelsen te verleiden nogmaal de achtervolging in te zetten en de Normandische cavalerie zo de kans te geven hen opnieuw aan te vallen.[56] De beschikbare bronnen zijn meer verward over de gebeurtenissen in de namiddag, maar het lijkt erop dat de beslissende gebeurtenis de dood van Harold is geweest. Over hoe hij stierf doen tegenstrijdige verhalen de ronde. Willem van Jumièges geeft aan de Harold door hertog Willem zelf werd gedood. Volgens anderen geeft het tapijt van Bayeux aan dat Harold stierf nadat hij een pijl in zijn oog had gekregen, maar dit kan ook een latere aanpassing van het tapijt zijn geweest om het te laten voldoen aan de 12e-eeuwse verhalen dat Harold aan de gevolgen van een pijlwond aan zijn hoofd was gestorven.[57] Andere bronnen vertellen dat niemand precies weet hoe Harold is overleden; het strijdgewoel rond de koning was zo dichtbezet met mensen dat de soldaten niet hadden kunnen zien wie de fatale klap uitdeelde.[58] Willem van Poitiers tenslotte geeft helemaal geen details over de dood van Harold's.[59]

Nasleep van de slag bij Hastings[bewerken]

De dag na de slag werd Harolds lichaam geïdentificeerd, hetzij aan de hand van zijn wapenuitrusting, hetzij door kenmerken op zijn lichaam.[60] De lichamen van de Engelse doden, waaronder een aantal van Harolds broers en zijn huiskerels, werden op het slagveld achtergelaten,[61] Een aantal lijken werd later door familieleden alsnog verwijderd.[62] Gytha, Harolds moeder, bood de zegevierende hertog in ruil voor het lichaam van haar zoon diens gewicht in goud aan, maar dit aanbod werd geweigerd. Willem van Normandië beval dat Harolds lichaam in zee moest worden geworpen, maar of dat ook daadwerkelijk is gebeurd, is onduidelijk.[61] Een ander verhaal vertelt dat Harolds lichaam op de top van een klif werd begraven.[63] De abdij van Waltham, die was opgericht door Harold, beweerde later dat zijn lichaam daar in het geheim zou zijn begraven.[61] In latere legendes werd wel beweerd dat Harold niet in Hastings was gestorven, maar was ontsnapt en dat hij vervolgens als kluizenaar in Chester zou hebben geleefd.[62]

Na zijn overwinning bij Hastings verwachtte Willem dat de overlevende Engelse leiders zich aan hem zouden onderwerpen, maar in plaats daarvan werd Edgar Ætheling[64] door de Witenagemot tot koning uitgeroepen. Hij had de steun van de graven van Edwin van Mercia en Morcar van Northumbria, Stigand, de aartsbisschop van Canterbury, en Ealdred, de aartsbisschop van York.[65] Toen Willem hiervan hoorde marcheerde hij langs de kust van Kent naar Londen. Onderweg versloeg hij nog een Engelse strijdmacht, die hem bij Southwark aanviel. Eenmaal bij Londen aangekomen bleek hij niet in staat om vanuit het zuiden komende, de London Bridge te bestormen. Hij werd gedwongen om de Engelse hoofdstad langs een omweg te bereiken.[66]

Willem trok de Theems-vallei in om stroomopwaarts een plaats te vinden waar hij de rivier kon oversteken. Die plaats vond hij bij Wallingford in het graafschap Berkshire; daar onderwierp Stigand, de aartsbisschop van Canterbury zich aan Willem van Normandië. Willem vertrok vervolgens in noordoostelijke richting naar de Chilterns, voordat hij vandaar vanuit het noordwesten naar Londen oprukte. Op weg kwam het opnieuw tot een militaire confrontantie, nu met troepen uit de stad. Nadat zij hadden gefaald een effectieve militaire reactie te organiseren, verloren Edgars toon-aangevende aanhangers hun koelbloedigheid. De Engelse leiders gaven zich bij Berkhamsted in Hertfordshire over aan Willem van Normandië.

Op 25 december 1066 werd Willem in Westminster Abbey door Ealdred, de aartbisschop van York, tot koning van Engeland uitgeroepen en gekroond.[67] De nieuwe koning probeerde zich met de resterende Engelse adel te verzoenen door Morcar, Edwin en Waltheof, de graaf van Northumbria, in hun graafschappen te bevestigen. Ook gaf hij enige landerijen in leen aan Edgar Ætheling. Willem bleef tot maart 1067 in Engeland. Daarna keerde hij terug naar Normandië. Wel nam hij de minder betrouwbaar geachte Engelsen in quasi-gevangenschap met zich mee naar Normandië, daaronder Stigand, Morcar, Edwin, Edgar Ætheling en Waltheof.[68]

Engels verzet[bewerken]

Eerste opstanden[bewerken]

Ondanks de onderwerping van de Engelse adel, bleef de weerstand tegen de Normandische verovering nog jaren bestaan.[69] Na zijn terugkeer naar Normandië liet Willem het bestuur over Engeland in handen van zijn halfbroer Odo van Bayeux en een van zijn trouwste aanhangers, Willem FitzOsbern.[68] In 1067 voerden rebellen in Kent in samenwerking met Eustaas II van Boulogne een mislukte aanval uit op het kasteel van Dover.[69] Een grootgrondbezitter uit Shropshire, Eadric de Wilde,[70] startte in alliantie met de Welsh heersers van Gwynedd en Powys een opstand in het westen van Mercia. Hij bond de strijd aan met Normandische troepen in Hereford.[69] Deze gebeurtenissen dwongen Willem om aan het einde van het jaar 1067 naar Engeland terug te keren.[68] in 1068 belegerde Willem van Normandië rebellen in Exeter, daaronder ook Harolds moeder, Gytha. Na bij deze belegering zware verliezen te hebben geleden, slaagde hij er echter na onderhandelen in om de stad weer in handen te krijgen.[71]

In mei werd Willems vrouw Mathilde van Vlaanderen in de abdij van Westminster tot koningin van Engeland gekroond, een belangrijk symbool van Willems internationale statuur. Later in het jaar begonnen Edwin en Morcar met de steun van de Welsh een opstand in Mercia, terwijl Gospatric, de nieuw benoemde graaf van Northumbria,[72] een opstand in Northumbria aanvoerde, het noordelijke gebied dat op dat moment nog niet door de Normandiërs was bezet. Deze opstanden stortten alle al snel in, nadat Willem zich er tegen aan had bemoeid. Willem de Veroveraar bouwde vervolgens ook in het noorden kastelen, die hij van garnizoenen voorzag, zoals hij dit eerder ook al in het zuiden had gedaan.[73] Edwin en Morcar onderwierpen zich opnieuw, terwijl Gospatric naar Schotland vluchtte, net als Edgar Ætheling en zijn familie, die mogelijk ook bij deze opstanden betrokken was.[74] Ondertussen voerden Harolds zonen, die hun toevlucht in Ierland hadden gezocht, vanuit zee overvallen uit op de kusten van Somerset, Devon en Cornwall.[75]

Revoltes in 1069[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Harrying of the North voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vroeg in 1069 werd de nieuw geïnstalleerde Normandische graaf van Northumbria, Robert de Comines, samen met enkele honderden soldaten, die hem vergezelden, afgeslacht bij Durham; bij deze Northumbrische opstand sloten Edgar, Gospatric, Siward Schuur en andere opstandelingen, die hun toevlucht in Schotland hadden genomen, zich aan. De kastelein van York, Robert fitzRichard, werd verslagen en gedood, en de rebellen belegerden het Normandische kasteel in York. Hierop haastte Willem de Veroveraar zich met een leger naar het noorden, waar hij de rebellen buiten York versloeg en tot in de stad achtervolgde. Daar moordde hij vervolgens de inwoners uit en maakte op deze manier een einde aan de opstand.[76] Hij bouwde een tweede kasteel in York, versterkte de Normandische krachten in Northumbria en keerde daarna terug naar het zuiden. Een volgende lokale opstand werd verpletterd door het garnizoen van York.[76] Harold's zonen lanceerden een tweede reeks overvallen vanuit Ierland, maar werden in Devon verslagen door Normandische troepen onder leiding van graaf Brian, een zoon van graaf Odo I van Penthièvre.[77]

In augustus of september 1069 arriveerde een grote, door Sven II van Denemarken gestuurde vloot voor de kust van Engeland. Dit was het signaal voor een nieuwe golf van opstanden in het hele land. Na mislukte overvallen in het zuiden, bundelden de Denen hun krachten met weer een nieuwe Northumbrische opstand, waar opnieuw Edgar, Gospatric, Waltheof en de andere Schotse ballingen zich bij aansloten. De gecombineerde Deens en Engels strijdkrachten versloegen het Normandische garnizoen in York, namen de kastelen in verkregen de controle over Northumbria, hoewel een door Edgar geleide inval in Lincolnshire werd afgeslagen door het Normandische garnizoen van Lincoln.[78]

Gevolgen[bewerken]

De gebeurtenis is erg belangrijk geweest voor de Engelse geschiedenis:

  1. De Engelse taal werd overspoeld met Franse (Romaanse) invloeden en werd een soort mengtaal tussen de Romaanse talen en Germaanse talen. Het Frans was eeuwenlang de hoftaal, pas in 1363 werd de zitting van het parlement voor het eerst geopend in de volkstaal, en dan door de kanselier namens de koning.
  2. Het hele regeringssysteem werd veranderd naar Normandische maatstaven (de common law).
  3. Engeland was tot dan toe altijd van nature uit gericht op Scandinavië, Denemarken in het bijzonder. Dit was voorgoed voorbij. Voortaan zou de blik van Engeland altijd gericht blijven op Zuid-West-Europa (Frankrijk, Spanje, Portugal).
  4. De dynastieke banden met het Hertogdom Normandië en later met het Hertogdom Anjou leidde regelmatig tot gewapende conflicten, en uiteindelijk tot de Honderdjarige Oorlog.

Historiografie[bewerken]

Het debat over de Normandische verovering begon vrijwel onmiddellijk. Bij het bespreken van de dood van Willem de Veroveraar, hekelde de Angelsaksische kroniek hem en zijn verovering in versvorm. De necrologie door Willem van Poitiers, een Fransman, was daarentegen vol lof. Historici hebben sindsdien bijna constant over de feiten en over hoe die te interpreteren gedebatteerd. Tot op heden is men niet tot overeenstemming gekomen.[79] In de 17e eeuw ontstond de theorie of de mythe van het "Normandische juk",[80] dit is het idee dat de Angelsaksische maatschappij vrijer en gelijker was dan de maatschappij die na de verovering ontstond.[81] Hoewel deze theorie meer zegt over de periode waarin zij werd geformuleerd dan over de historische feiten zelf, wordt deze theorie in zowel het politieke als populaire discours tot de huidige dag nog steeds gebruikt.[82]

In de 20e en 21e eeuw hebben geschiedkundigen zich minder op de rechtvaardigheid van de verovering zelf gericht. In plaats daarvan hebben zij zich op de gevolgen van de invasie geconcentreerd. Sommigen, zoals Richard Southern, beschouwen de verovering als een kritiek keerpunt in de geschiedenis.[79] Southern verklaarde dat "geen enkel land in Europa, in de periode tussen de opkomst van de barbaarse koninkrijken [in de vijfde en zesde eeuw] en de twintigste eeuw, in zo korte tijd een zo radicaal verandering onderging als Engeland na 1066."[83] Andere historici, zoals H.G. Richardson en G.O, Sayles, zijn van mening dat de transformatie minder radicaal was.[79] In meer algemene termen heeft één auteur de verovering beschreven als de "laatste echo van de nationale migraties die zo kenmerkend voor de vroege middeleeuwen waren".[84] Het debat over de gevolgen van de verovering hangt sterk af van welke metrieken men gebruikt om de veranderingen na 1066 te meten. Aangezien in het Angelsaksische Engeland reeds voor de invasie met de introductie van het feodalisme, kastelen en andere veranderingen in de samenleving een nieuwe trend was ingezet, kan men niet beweren dat de Normandische verovering, hoe belangrijk ook, een radicale hervorming vertegenwoordigde. Maar als men deze afmeet aan de eliminatie van de Angelsakische adel of de teloorgang van het Oud-Engels als literaire taal dan waren de gevolgen natuurlijk dramatisch. Door beide kanten van het debat zijn nationalistische argumenten aangevoerd; hierin worden de Normandiërs ofwel als vervolgers van de Angelsaksen ofwel als de redders van het land van een decadente Angelsaksische adel voorgesteld.[79]

Voetnoten[bewerken]

  1. Bates, Normandy Before 1066, blz. 8-10
  2. Crouch, Normans, blz. 15-16
  3. Bates, Normandy Before 1066, blz. 12
  4. Bates Normandy Before 1066, blz. 20-21
  5. Hallam en Everard, Capetian France, blz. 53
  6. Williams Æthelred the Unready, blz. 54
  7. Huscroft, Ruling Engeland, blz. 3
  8. Stafford, Unification and Conquest, blz. 86-99.
  9. a b Higham, Death of Anglo-Saxon England, blz. 167-181.
  10. Walker, Harold blz. 136-138
  11. Bates William the Conqueror, blz. 73-77
  12. Higham, Death of Anglo-Saxon England, blz. 188-190
  13. Hardeknoet was de zoon van koning Knoet de Grote en Emma van Normandië, en dus was een halfbroer van Edward de Belijder. Hij regeerde van 1040-1042, en stierf kinderloos.
  14. Keynes, "Harthacnut", Blackwell Encyclopedie van Angelsaksisch Engeland
  15. Huscroft Norman Conquest, blz. 84
  16. Stenton, Anglo-Saxon England, blz. 423-424
  17. Huscroft, Ruling Engeland, blz. 12-14
  18. Huscroft, Norman Conquest, blz. 96-97
  19. Huscroft, Norman Conquest blz. 132-133
  20. Stafford, Unification and Conquest, blz. 86-87
  21. Bates, William the Conqueror, blz. 103 -104
  22. Thomas Norman Conquest, blz. 33-34
  23. Tostig, die graaf van Northumbria was geweest, werd aan het eind van het jaar 1065 met een Northumbrische opstand geconfronteerd. Nadat koning Edward de zijde van de rebellen had gekozen, ging Tostig in ballingschap in Vlaanderen.
  24. Walker, Harold, blz. 144-145
  25. Van de koning van Schotland, Malcolm III wordt gezegd dat hij en Tostig gezworen broeders zouden zijn geweest, zie Stenton Anglo-Saxon England, blz. 578–580
  26. Walker, Harold, blz. 144-150
  27. Walker Harold blz. 154-158
  28. Marren, 1066, blz. 65-71
  29. Marren, 1066 blz. 73
  30. a b Walker, Harold blz. 158-165
  31. Marren, 1066, blz. 74-75
  32. a b Bates, William the Conqueror, blz. 79-89
  33. Douglas, William the Conqueror , blz. 192
  34. a b c d Gravett, Hastings, blz. 20-21
  35. Bennett, Campaigns of the Norman Conquest, blz. 25
  36. a b Lawson, Battle of Hastings, blz. 163-164
  37. Bennett, Campaigns of the Norman Conquest, blz. 26
  38. Marren, 1066, blz. 89-90
  39. Gravett Hastings, blz. 27
  40. Marren, 1066, blz. 107-108, "Van deze 35 is van 5 bekend dat zij in de strijd zijn omgekomen - Robert van Vitot, Engenulf van Laigle, Robert fitzErneis, Roger zoon van Turold en Taillefer"
  41. Huscroft, Norman Conquest, blz. 120-123, "Het tapijt van Bayeux toont mogelijk een pauselijke banier die door Willems troepen wordt gedragen, maar deze banier wordt als zodanig in het tapijt niet genoemd
  42. Huscroft, Norman Conquest, blz. 120-123.
  43. Marren, 1066, blz. 98
  44. Carpenter, Struggle for Mastery, blz. 72
  45. Marren, 1066, blz. 93
  46. Huscroft, Norman Conquest, blz. 124
  47. Lawson, Battle of Hastings, blz. 180-182
  48. Marren, 1066, blz. 99-100
  49. Lawson, Battle of Hastings, blz. 128
  50. Lawson, Battle of Hastings, blz. 130-133
  51. a b Gravett, Hastings, blz. 28-34
  52. Marren 1066, blz. 105
  53. Van deze genoemde personen stierven er acht in de slag - Harold, Gyrth, Leofwine, Godric de sheriff, Thurkill van Berkshire, Breme, en iemand die alleen wordt genoemd als de "zoon van Helloc".
  54. Huscroft, Norman Conquest, blz. 126
  55. Carpenter, Struggle for Mastery, blz. 73
  56. Huscroft, Norman Conquest, blz. 127-128
  57. Huscroft. Norman Conquest, blz. 129
  58. Marren, 1066, blz. 137
  59. Gravett, Hastings, blz. 77
  60. Gravett, Hastings, blz. 80, "Een 12e-eeuwse traditie vertelt dat Harolds gezicht zodanig was verminkt dat hij niet kon worden geïdentificeerd en dat daarom Ealdgyth Svannesha, Harolds vrouw naar Deens recht naar het slagveld werd gebracht om zijn lichaam te identificeren aan de hand van bepaalde lichaamskenmerken die alleen zij kende.
  61. a b c Huscroft, Norman Conquest, blz. 131
  62. a b Gravett, Hastings, blz. 81
  63. Marren, 1066, blz. 146
  64. Bennett, Campaigns of the Norman Conquest, blz. 91, "Ætheling is de Angelsaksische term voor een koninklijke prins met een valide aanspraak op de troon".
  65. Douglas, William the Conqueror, blz. 204-205
  66. Douglas, William the Conqueror, blz. 205-206
  67. Gravett, Hastings, blz. 84, "De kroning werd wel ontsierd toen de Normandische troepen, die buiten de abdij waren gestationeerd geluiden hoorden. Zij interpreteerden de toejuichingen voor de nieuwe koning als de geluiden van een gevecht. Daarop begonnen zij de nabijgelegen huizen af te branden".
  68. a b c Huscroft, Norman Conquest, blz. 138-139
  69. a b c Douglas, William the Conqueror, blz. 212
  70. Eadrics bijnaam "de Wilde" komt relatief vaak voor, dus ondanks suggesties dat deze bijnaam is ontstaan naar aanleiding van Eadrics deelname aan de noordelijke opstanden van 1069, is dit niet zeker. Willems "Eadric the Wild", Oxford Dictionary of National Biography
  71. Walker, Harold, blz. 186-190
  72. >Huscroft, Norman Conquest, blz. 142-144, "Gospatric had dit ambt, na de dood van Copsi, die Willem in 1067 had benoemd, van Willem gekocht. Copsi werd in 1068 vermoord door Osulf, zijn rivaal voor de macht in Northumbria".
  73. Douglas, William the Conqueror, blz. 214-215
  74. Williams, English and the Norman Conquest, blz. 24-27
  75. Williams, English and the Norman Conquest, blz. 20-21
  76. a b Williams, English and the Norman Conquest, blz. 27-34
  77. Williams, English and the Norman Conquest, blz. 35
  78. Williams English and the Norman Conquest, blz 35-41
  79. a b c d Clanchy, England and its Rulers, blz. 31-35
  80. Chibnall, Debate, blz. 6
  81. Chibnall, Debate, blz. 38.
  82. Huscroft, Norman Conquest blz. 318-319
  83. geciteerd in Clanchy, England and its Rulers, blz. 32
  84. Singman, Daily Life blz. xv